1. Vaderdag

woensdag

Opgroeien in een gat kent heus veel voordelen.

Afgeschermd van de grote buitenwereld is het als kind heerlijk toeven. Iedereen is je vriend, of een vriend van je vriend, en boerderijen maken uitstekende speeltuinen. Gillend door maisvelden rennen, op metershoge hooibalen klimmen, op je fiets door de polder racen, wildplassen, paarden borstelen, tractors besturen, kippeneieren verzamelen, de lijst is eindeloos.

Opgroeien in een gat kent echter ook veel nadelen.

Eén van de belangrijkste is de totale afwezigheid van welke voorziening dan ook. Dat maakt van iets eenvoudigs en vanzelfsprekends, zoals het kopen van een Vaderdag cadeautje, een uitdaging die zijn weerga niet kent.


Tot een bepaalde leeftijd verlieten mijn broer en ik MK enkel onder het toeziend oog van onze vader of moeder, met de auto. Kleren kochten we in Den Bosch, boodschappen deden we in een nabijgelegen dorpje dat wèl over een supermarkt beschikte.

Toen we wat ouder werden, groeide onze bewegingsvrijheid. Vooral de stap naar de middelbare school was een grote. Onze ouders konden er niet aan beginnen om ons iedere dag naar Den Bosch te brengen, dus moesten we met de fiets. Vijftien kilometer heen, vijftien kilometer terug. Er reed wel een bus, maar slechts volgens een beperkte en vrij onmogelijke dienstregeling.

Ik vond dat fietsen verschrikkelijk en ontzettend eenzaam, mijn broer vond het geloof ik wel prima.

Enfin, onze mobiliteit groeide en dat betekende dat mijn broer en ik, geheel terecht, ook in staat werden geacht om een cadeautje te kopen voor Vaderdag. In dat ene nabijgelegen dorp, zes kilometer landinwaarts.

Een paar keer ging dit goed. Eén keer ging dat helemaal fout.


Die ene keer verliep de heenweg voorspoedig en zonder incidenten. De tocht naar de semi-bewoonde wereld was stiekem best een mooie. Een slingerende dijk, een felle zon, de geur van koeien, kippen en vervuild rivierwater.

Het einde van MK werd gemarkeerd door onze appelboer; ik zie zijn grijze kelder, gevuld met kisten vol appels, nog zo voor me. Maar vooral ruik ik dat hok, zoet en oud, zoals zoveel uit mijn jeugd.

We fietsten ons dorp uit en passeerde achtereenvolgens een half verlaten camping, een klein huizencomplex van golfplaten waar de ‘zigeuners’ woonden en een stel dolle herders ons nablaften, een paar vleesverwerkingsbedrijven die stonken naar verbrand leven en opvielen door het gekrijs van stervende varkens en, tot slot, het bord dat ons welkom heette in L, onze beoogde bestemming. De hele tocht de Maas aan onze linkerhand.

Via de dijk kwam je helemaal aan de verkeerde kant het dorp binnen. Echter, de andere route, over de provinciale weg, maakte regelmatig dodelijke slachtoffers, dus die twee extra kilometers namen we graag op de koop toe.

Eindelijk kwam de kerk in zicht en konden we dijk verlaten. Na een paar binnendoor weggetjes bereikten we het ‘winkelcentrum’. Een Jumbo, een Etos, een kleine bibliotheek en een soort aftandse voorloper van de Action, die de naam van de eigenaresse droeg: de ‘mevrouw Latour’.

Bij deze laatste moesten we zijn, want ze hadden er ALLES. Lego, Pokémonkaarten, Barbies, bordspellen, vazen, kleren, schoenen, laarzen, meubels, glijbanen, puzzels, vogels, vissen, zwembaden, medicijnen, snoep, boeken, bloemen, make-up, hondenbrokken en mest.

Je kon het zo gek niet bedenken, of mevrouw Latour wist het in haar eigen dozen-doolhof voor je te vinden.

Mijn broer en ik struinden zonder enig plan van gang naar gang en plank naar plank, terwijl we probeerden niets om te gooien (er was geen magazijn, de hele voorraad stond in torenhoge stapels in de winkel zelf).

Na een speurtocht van misschien wel uren, kozen we uiteindelijk voor een videoband van Asterix & Obelix. Iets met Cleopatra, geloof ik. Dit klinkt achteraf nogal stom, en eigenlijk was het dat toen ook al een beetje.

We rekenden af bij de zoon van mevrouw Latour, die tegen de 50 liep (mevrouw zelf was een wandelende bochel, met permanent roodgeverfd haar en rimpels die tot over haar lippen hingen), en stapten op onze fiets.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


Het ging mis toen we de dijk beklommen. Net voordat we boven waren, zag ik twee jongens van rechts naar links voorbij fietsen. Ik herkende ze meteen, ze stonden bij de lokale jeugd bekend als de ‘dikke en de dunne’.

In een opwelling wilde ik direct afstappen en bij iemand aanbellen. Om tijd te rekken. Om me veilig te voelen, mocht er iets akeligs gebeuren.

Zoals dat gaat met herinneringen, weet ik niet meer zeker of ik daadwerkelijk ben afgestapt.

Ik denk het niet.

Hoewel ik tegenwoordig weet dat mijn intuïtie eigenlijk altijd klopt, durfde ik er toen nog niet zo goed op te vertrouwen. Of, ik durfde er nog niet zo goed voor uit te komen dat ik dingen voelde die andere mensen, zoals mijn broer, blijkbaar niet voelde.

Met het hart in mijn keel en het zweet onder mijn oksels sloeg ik daarom linksaf, mijn broer achterna. De dikke en dunne bevonden zich slechts enkele tientallen meters voor ons. Ik probeerde zo langzaam mogelijk te fietsen en liet het gesprek tussen mij en mijn bloed stilvallen. Als ze ons niet konden horen, zouden we een ramp misschien af kunnen wenden.

Maar mijn broer en ik begrepen elkaar in die tijd al nauwelijks meer. Hij snapte niet waarom ik verstijfde en praatte enthousiast door, zoals alleen hij dat kan. Ik probeerde hem te doden met mijn blik, zoals alleen ik dat kan.

Ik was te laat.

De twee jongens hadden ons opgemerkt. Ze remden af en kwamen naast ons rijden, met haat en leegte in hun ogen. De dikke sprak en lachte, de dunne was de duivel.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Ze richtten zich volledig op mijn broer, het was alsof ik niet bestond. Nu vind ik het over het algemeen prima om niet op te vallen, maar op dat moment wilde ik zo graag dat ze mìj zagen. Dat ze mijn broer met rust lieten. Dan was alles nu misschien wel anders geweest.


Het begon nog redelijk onschuldig, met schelden, schreeuwen en spugen.

Zo verschrikkelijk dat clichés juist op de meest cruciale momenten vaak zo waar blijken te zijn. Ik voelde hoe mijn lippen dichtgenaaid werden met de scherpte van hun woorden. Hoe mijn spieren in de kramp schoten en ik enkel nog als een robot door kon trappen.

Links,

rechts,

links,

rechts,

links.

Ik wilde zo graag helpen, maar de angst had me versteend

Ik wilde zo graag dat die klodders spuug mìj zouden verblinden en bezoedelen, niet hem.

Ik wilde zo graag dat alles anders zou zijn.

Maar dat was het niet.

Ik wilde zo graag dat ze mìj uitscholden en niet hem. Ik was een vuile flikker. Een verwijfd moederskind. Een watje met een bloempotkapsel. Ik verdiende hun woorden; mijn broer was een held en verdiende het met rust gelaten te worden.

Maar dat deden ze niet.


Dus keek ik toe. En ik zag hoe het erger werd, en gevaarlijker. De dunne haalde met zijn rechtervoet uit naar de fiets van mijn broer. Hij miste en verloor bijna zijn evenwicht. Maar hij was volhardend en probeerde het nog een keer. Met meer succes.

Hij raakte mijn broer vol tegen zijn linkerbeen. Hoewel mijn broer zich vanaf het begin kranig had verweerd met boze woorden, deed die schop hem pas echt krijsen. Van angst. Van pijn. Van woede.

Mijn oren bloedden en huilden.

Ik krijg nog kippenvel als ik aan die hartverscheurende oerkreet denk. Hoewel ik hem sindsdien nooit meer heb gehoord, suist hij nog steeds na in mijn dromen.

Het liet de bloedeloze dunne koud, zijn trappen waren niet te stoppen.

Mijn broer was een goede fietser, maar het kon niet lang uitblijven. Met een snik viel hij uiteindelijk in volle vaart in de kleiachtige berm.

Alles ging zo snel en toch duurde zijn val eindeloos.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Hij kwam ongelukkig neer en moet veel pijn hebben gehad. Mijn pijn was van een andere aard. De smak die hij maakte, brak mijn vertrouwen in de droom waarin ik tot dusver had geleefd.

Ineens was ik geen kind meer.


De dikke en de dunne hielden een stuk voor ons halt. Ik hoorde ze lachen als hyena’s, terwijl ze donkere blikken over hun schouders wierpen. Ze waren nog lang niet uitgespeeld.

Felle zonnestralen vulden de dijk met hun monsterlijke slagschaduwen. Een kolkende Maas in de diepte. De zwangere lucht blies verbrand vlees in mijn gezicht en de blatende schapen, die kalm de dijk afgraasden, staarden ons met een nietsontziende leegheid aan.

Met moeite trok ik mijn broer, die inmiddels gefrustreerd lag te huilen, uit de modder. Zijn tranen hadden net zo goed de mijne kunnen zijn.

Ze hadden de mijne moeten zijn.

We stapten op de fiets en overdachten in stilte onze opties.

Er was maar één toegestane weg naar huis: die kutdijk, waar geen einde aan kwam, juist als je hem nodig had. Omkeren kon ook, terug naar L, om vanuit daar de gevaarlijke provinciale weg naar huis te nemen. Echter, het was onvermijdelijk dat de twee jongens voor ons zich dan met ons mee om zouden draaien. Iets beters hadden ze toch niet te doen.

Voor de allerlaatste keer begrepen we elkaar zonder te spreken. We moesten doorfietsen en hopen op het beste.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


De marteling ging nog minstens een kwartier door. Tot drie keer werd mijn broer van zijn fiets afgeschopt. Ik was slechts een anonieme omstander die wezenloos achter een parade van geweld aanreed en m’n grote broer telkens weer opraapte. Keer op keer op keer.

Ik voelde me een verrader.

Zo graag wilde ik die broer zijn waarover je in de klassiekers leest. Een broer die zijn bloed beschermt, die alle klappen opvangt. Een broer waar je op kunt bouwen, die het gevaar verjaagt en je tranen veegt.

Uit liefde.

Omdat het hóórt.

Maar ik was een laffe schijter, onthutst door het feit dat ik begon te beseffen dat ik opgelucht was dat ze hem hadden uitgekozen, en niet mij.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf en keek toe hoe mijn broer werd bespuugd en vernederd. Verder deed ik he-le-maal niets.


Het stopte net zo abrupt als het begonnen was. Lachend sloegen de dikke en de dunne linksaf, ik zie ze nog de dijk afsjezen. Zonder zorgen.

Voor een laatste keer raapte ik mijn gebroken broer op van de grond. Ik durfde hem niet meer recht aan te kijken, bang als ik was voor wat ik in de krochten van zijn ogen aan zou treffen. Hij moest ook weten dat ik hem moedwillig had opgeofferd aan de duivel. En dat ik daar niet mee kon leven.

Hij was mishandeld, maar ik had mezelf leren kennen.

Met een brok kots in mijn keel probeerde ik hem te troosten. Ik denk nog steeds dat een bedankje toepasselijker was geweest.

Of halfslachtige excuses, omdat ik hem zo tekort had gedaan.

Met een verwrongen gezicht stapte hij op zijn fiets. Hij hield zich groot en dat deed hij speciaal voor mij. Zijn kleine broer moest beschermd worden tegen het onrecht, de pijn en de willekeur van het menselijk bestaan.

Hij was te laat.

Hij gaf me een vluchtige grimas om alles goed te maken en begon voorzichtig maar vastbesloten te trappen. Ik trok me aan hem op en hield me stevig vast aan zijn modderige en bebloede hand.

 

Hoe harder ik kneep, hoe sneller we elkaar kwijt zouden raken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s