3. De laatste kikker

woensdag

We droegen altijd laarzen.

Ik werd geboren als zondagskind, maar S. kwam graag buiten. Toen we voor elkaar kozen, besmette ze me met de behoefte aan klei en zuurstof.

Onze favoriete bezigheid was, naargelang het weer en het seizoen, het vangen van kikkers, padden en sprinkhanen. Tegenwoordig krijg ik de rillingen als ik er aan terugdenk, als klein spring-in-‘t-veld deed ik niets liever.

Er was een strikte verdeling: bij mij thuis, het grote huis aan de dijk, waren vooral veel sprinkhanen te vinden. Als we bij haar speelden, in een tuin die geen grenzen kende, speurden we naar kikkers en padden. Door de aanwezigheid van zoveel sloten  sprongen de beesten praktisch in onze handen. Er waren dagen dat we met gemak meer dan tien kikkers bij elkaar wisten te verzamelen.

Vangen was genoeg; aan het einde van ons speelkwartier lieten we ze netjes weer los.


Slechts één keer braken we onze gouden regel en gingen we bij mij op de dijk achter kikkers aan.

Eerder die dag hadden we achtbaantje gespeeld in de uiterwaarden, waar nieuwe fietspaden waren aangelegd. Oude mensen vonden dat noodzakelijk, wij vonden het geweldig.

Achterstevoren op S.’s bagagedrager wist ik niet wanneer de weg naar beneden zou gaan en welke bochten eraan zaten te komen. De zenuwen nestelden zich als een lichte kriebel bij m’n kruis.

Bij iedere afdaling gierden we het uit, of we nu voor of achterop zaten. Ons gelach en S.’s snot vlogen de hele Maas over.

Niemand die ons hoorde.


Ik gok dat het een zaterdag was.

Hoewel de zon al dagenlang scheen, was alles altijd nat. In mei was het in MK drassig, we wisten niet beter.

De kikkers waren dun gezaaid. S. en ik waren in de loop der tijd echter professionele jagers geworden, met een scala aan locatie-inzichten en vang-strategieën. De dijk werd in twee even grote gebieden verdeeld, we joegen solo.

Enkel als we een flinke kikker tegenkwamen, riepen we elkaar om hulp. Ik voelde me dan een velociraptor. S. vond Jurassic Park te eng.

Maar over het algemeen konden we de jacht prima alleen af. We kenden elkaar al eeuwen en hielden elkaars hand alleen vast als het echt nodig was. S.’s aanwezigheid was vaak ruimschoots genoeg.

Sommige dingen zitten goed zonder dat ze vast zitten.


Het bleef moeilijk om me niet over te geven aan die glibberige sensatie, onvermijdelijk als ze was.

Gelukkig zijn ze geen hoogvliegers, die kikkers. Soms letterlijk, altijd figuurlijk. Met een beetje doorzettingsvermogen en een flinke bijt op m’n tong had ik daarom altijd beet.

Ik voel ze nog tussen mijn vingers krioelen, zich wanhopig afzettend met hun lange, natte pootjes, op zoek naar een kiertje lucht, een spleetje zonnestralen.

Maar Sanne en ik waren snoeihard.

We bewaarden de beesten in een grote vissenkom, die we voor het gemak bij ons op de patio hadden gezet. Deze kom, gevuld met een laag water en wat treurige plantjes, was voor de arme stakkers net te hoog om uit te springen. Dit gaf ons de rust om verder te speuren en een nieuwe record te vestigen.

Zo deden we het altijd en dat ging altijd goed.


De zon begon langzaam te zakken. De jacht zat erop.

Mijn moeder had ons allebei een groot glas limonade gebracht, dat we gulzig leegdronken terwijl we trots onze vangst bewonderden. Negen kikkers was naar omstandigheden helemaal geen slecht resultaat.

Ze kropen over elkaar als pasgeboren puppy’s. Af en toe leek het alsof ze om de beurt een poging waagde om aan de kom te ontsnappen. Acht kikkers keken dan gespannen toe hoe het negende exemplaar de rand keer op keer net niet wist te bereiken.

Even sneu als geweldig. Voor eventjes hadden we onze eigen dierentuin, die we helemaal zelf hadden opgericht. Bezoekers waren er nooit.

S. en ik waren snel en vaak tevreden.


Het werd tijd om er een eind aan te breien. S. moest al een halfuur naar huis. Haar moeder stond ongeduldig te wachten in haar auto, mijn moeder baalde dat ik mijn eten weer eens koud liet worden.

Onze lichamen vormden een cirkel om de kom en eerbiedig omsloten onze handen ieder een kikker. Rustig brachten we ze terug hun drassige thuis.

Normaal gesproken verstopten we ons in kasten of onder een bed om zo lang mogelijk bij elkaar te blijven. Nu haastten we ons niet om alle beesten terug te zetten.

Dat konden ze ons toch niet kwalijk nemen?

Met nummer zeven en nummer acht tussen onze vingers geklemd, hoorden we plots een vlammenwerper boven ons. De luchtballon was of nog aan het opstijgen, of reeds aan het dalen, we konden de mand bijna aanraken. De stemmen van de passagiers leken uit onze keuken te komen.

Met de kikkers nog vast sprintten we de dijk op, waar we beter zicht hadden. Glibberend kropen de kikkers onze handen uit en we keken het wonder na totdat hij achter de toppen van de pastorie verdween.

Schaapachtig lachten we elkaar aan. S. had nogal wat angsten, maar iedere luchtballon deed haar even geloven dat ze kon vliegen.

Ik pakte haar hand vast en vertelde haar zwijgend dat ik haar zou volgen tot aan het einde van de wereld.

Zelfs in de lucht.


We werden uit onze dromen opgeschrikt door de dwingende stem van S.’s moeder, die beneden aan de dijk naar ons stond te schreeuwen. Haastig gaf ik S. een knuffel en een kusje op de mond. We hadden tenslotte ‘verkering’.

Snel holde ik naar binnen. Daar werd ook ik opgewacht door een boze moeder. Ik ging aan tafel zitten en boog mijn hoofd. Als teken van de spijt die ik niet voelde. De spruiten smaakten minder streng dan normaal.

In vele opzichten was de avond die volgde als alle anderen. Mijn broer en ik speelden nog wat Pokémon op onze nieuwe Gameboy, ik plaste in bad en met zijn vieren keken we naar Paul de Leeuw.

Chips op schoot.


De ochtend daarop, de zondagmorgen, sliep ik uit en maakte ik mijn kamer aan kant. Naast het doen van de afwas en het dekken van de tafel, moesten mijn broer en ik iedere zondag onze kamer schoonmaken.

Gelukkig had ik sinds kort een eigen gettoblaster.

Toen ik van mijn vloer kon eten, ging ik naar beneden om op het grote, dikke kleed in de woonkamer te liggen. Als ik niet buiten was, lag ik daar.

Zelfs al scheen de zon.

Na een urenlange Lizzie McGuire-marathon vond mijn vader het welletjes geweest. Mijn broer was met wat buurjongens aan het voetballen en er werd naar me gevraagd. Niemand kon keepen zoals ik.

Hij had gelijk.

Ik trok mijn oude kloffie aan en rende de trap af. Toen ik de achterdeur open deed en een vluchtige blik op onze tuintafel wierp, maakte mijn buik een salto en werd de wereld koud.

We waren er een vergeten.


Op mijn tenen strompelde ik naar de vissenkom. Hoe dichterbij ik kwam, hoe groter het beest werd.

Was hij gisteren ook al zo gigantisch?

De laatste stappen duurden een eeuwigheid. Heel langzaam, en met halfgesloten ogen, boog ik me zenuwachtig over de rand. Daar zat hij, de laatste kikker.

Of, het leek toch alsof hij zat.

Zijn glibberige huid maakte me die dag voor het eerst misselijk, dus ik pakte een takje uit de tuin en duwde daar voorzichtig mee op zijn rug.

Geen reactie.

Mijn hart wist niet meer goed hoe ze kloppen moest, dus ik sloeg mezelf een paar keer op de borst om in leven te blijven. Uit pure wanhoop dook ik met mijn hele hoofd in de oververhitte tombe en probeerde ik oogcontact te maken met het beest. Niets.

Helemaal niets.

Maar ik weigerde het op te geven. Met genoeg concentratie kon ik de kikker misschien weer tot leven wekken.

De secondes werden slakken.

Leef, leef, leef.

Heel traag zag ik zijn linkeroog zich tot een spleetje openen. Het had wat weg van een verlegen knipoog. Ik snakte naar adem en ontdekte dat zijn buikje extreem langzaam op en neer ging. Uit pure paniek had ik gewoon niet genoeg gekeken.


De kikker rustte als een veertje op mijn handen, zo breekbaar zag hij eruit. Hij kon ieder moment meegenomen worden door de wind. Of door de dood. Bij onze vijver bukte ik voorzichtig en strekte ik mijn armen bibberend boven het water.

Zak, zak, zak, zak maar door, door, door.

Ik voelde het water langs mijn vingers omhoog borrelen en het nauwelijks voelbare gewicht van de kikker van me overnemen. Langzaam trok ik mijn handen weg en zag ik hoe de vijver het beest tot zich nam. De druk van het pruttelende waterpompje maakte dat hij in slow-motion zijn pootjes uitstrekte.

Hij was als een hulpeloze Jezus aan het kruis.

Maar zwemmen deed de kikker niet. Sterker nog, hij zonk in een schrikbarend tempo naar de ondiepe bodem. Waarom had hij naar me geknipoogd, als hij er geen zin meer in had?

Radeloos bleef ik hem minutenlang aankijken. Kokhalzend gaf ik hem zelfs nog een paar bemoedigende zetjes met mijn vinger. Alles om uit te stellen wat toch wel de werkelijkheid zou worden.

We hadden hem vermoord.


Die week ging ik iedere avond terug naar de vijver, in de hoop dat ik me had vergist. Dat de kikker gewoon wat tijd nodig had. Zijn deinende lijf, op de donkere vijverbodem, bewees me iedere keer weer het tegendeel.

Ik heb het S. nooit verteld. Als ik zweeg, hoefde zij geen moordenaar te zijn.

Meer kon ik niet voor haar doen.


Ze vroeg me niet waarom ik nu misselijk werd van kikkers. Dat was niet nodig.

Ze pakte mijn hand vast en trok me het natte gras in. Samen lagen we daar, te wachten op de volgende luchtballon. Gek genoeg was de hitte er eerder dan het geluid.

En toen vlogen we weg.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s