Baby love (16)

dito

Pesten is hot. Niet om te doen, uiteraard, maar om over te praten. Hoewel het al jaren een zaak is waar men serieus over discussieert, lijkt de aandacht ervoor de laatste tijd alsmaar te groeien. Aangezien ik zelf een homoseksuele adolescent ben, is ook voor mij dit thema verre van vreemd. Ik weet hoe het voelt om uitgescholden te worden en ik krijg nog dagelijks vieze, neerbuigende blikken toegeworpen op straat. Ik ben daarom de laatste om een negatieve mening te vormen over de vele programma’s en acties die men weidt aan pesten. De schokkende verhalen over tieners die de dood boven het zware leven op de middelbare school verkiezen, spreken wat dat betreft boekdelen. Desalniettemin krijg ik steeds vaker het idee dat onze samenleving één groep volkomen links laat liggen: pedofielen.

‘Pesten mag niet’, wordt ons verteld. Maar als men spreekt over volwassenen die speciale gevoelens ontwikkelen voor minderjarigen, lijkt plots alles geoorloofd. Begrijp me niet verkeerd, ook ik vind het moeilijk om een dergelijke seksuele voorkeur goed te begrijpen. Dat betekent echter geenszins dat men iedere pedofiel als een afschuwelijke paria buitenspel dient te zetten. Kijkend naar de geschiedenis van homoseksualiteit is dit zelfs redelijk verwerpelijk. Want zelfs in Nederland is het heus nog niet zo lang geleden dat homo’s, lesbiennes en transgenders structureel met de nek werden aangekeken. Tot 1990 werd homoseksualiteit wereldwijd als geestesziekte beschouwd en het homohuwelijk is pas in elf landen officieel van kracht. En vergeet niet dat in veel landen homoseksueel gedrag nog immer strafbaar is, regelmatig met gruwelijke heksenjachten en de dood als gevolg.

Is het dan niet vreemd dat men zo respectloos met pedofielen omgaat? Enerzijds begrijp ik de angst en het ongemak van veel mensen volkomen. Anderzijds vind ik het onacceptabel dat pedofielen doorgaans als monsters worden weggezet. Men lijkt soms te vergeten dat het eveneens ‘gewoon’ mensen zijn. Mensen met specifieke gevoelens, die in een land als de onze blijkbaar naar iedere vorm van tolerantie en/of acceptatie kunnen fluiten. Wat een pijn moet dat doen.

Als klein jongetje leerde ik al snel mijn eigen (homoseksuele) gevoelens te negeren, omdat ik bang was dat ze niet geaccepteerd zouden worden. Voor mij bleek die angst, gelukkig, grotendeels ongegrond. Zo niet voor een pedofiel. De ontdekking dat je je aangetrokken voelt tot kinderen moet dientengevolge verschrikkelijk en hartverscheurend zijn. Een letterlijke doodstraf is het misschien niet, maar een sociale dood ligt met deze gevoelens wel degelijk in het verschiet. Niet zo vreemd, als je ziet dat pedofilie nog steeds officieel te boek staat als ziekte. En dat terwijl het in feite ook ‘slechts’ een geaardheid is. Misschien is het tijd om daar met zijn allen eens wat meer rekening mee te gaan houden.

Dit stuk dient niet opgevat te worden als een pleidooi vóór of tegen pedofilie, aangezien er, net als bij homoseksualiteit, geen sprake van enige keuze is. Wat betreft geaardheid bestaan er geen voors en tegens. Dat neemt niet weg dat ook ik geen verdere uitspraken durf te doen over daadwerkelijke pedoseksuele handelingen. Ik vind het naar om na te denken over seks tussen kinderen en volwassenen. Maar tegelijkertijd: wie ben ik om de gevoelens van iemand anders te verbieden? Ik wil toch ook gewoon verliefd kunnen worden op iemand van hetzelfde geslacht, zonder dat al mijn ruiten worden ingegooid? Wat ik eigenlijk wil zeggen: laten we met zijn allen gewoon wat liever en respectvoller met elkaar omgaan. Hoewel er altijd mensen zullen zijn die je niet of minder goed begrijpt, verdient iedereen het om in zijn of haar waarde gelaten te worden. Toch?

xoxo, Sandro

Live to tell (15)

dito

Na zes dagen trekt mijn koorts eindelijk weg, evenals de wolkenmassa boven Nijmegen. Een waterig zonnetje breekt door, en dat betekent dat mijn zoektocht naar zelfkennis en zelfacceptatie direct hervat kan worden. De middag voordat ik werd overvallen door heftige zweetaanvallen en ijlende dagdromen, had ik namelijk een kostbare, doch pijnlijke revelatie: ik ben niet gelukkig. Nee, nu zeg ik het te cru, want de afgelopen jaren kenden heus blije en memorabele momenten. Maar ik ben nog lang niet waar ik zijn wilde of waar ik mezelf in mijn dromen reeds jaren zag. En daar baal ik van.

Drie jaar geleden ging alles fout. Fouter dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik werd volgegooid met antidepressiva en antipsychotica, ik sprak minstens twee keer in de week met mijn psychiater en ik verleerde ieder vermogen om te lachen. Niet alleen een bittere pil voor mezelf, maar minstens zozeer voor mijn naaste omgeving. Het idee dat mensen zich zorgen om mij moesten maken, beroofde me binnen enkele weken van ieder gevoel van zelfrespect en eigenwaarde. Na een halfjaar gooide ik het roer daarom drastisch om. Het moest afgelopen zijn met al die ellende. ‘Ik red me wel’, zei ik tegen mezelf, ‘niemand hoeft zich nog om mij te bekommeren’. Ik lachte de voorgaande maanden weg en verklaarde mezelf gezond. Een naïeve en levensgevaarlijke keuze, blijkt nu. Want, het ging wel beter, maar beter was ik nog lang niet.

Toen begon de hel pas echt. De angsten in mijn hoofd begonnen net goed vorm te krijgen, maar ik had de mogelijkheden om ze uit te spreken reeds verspeeld. Ik durfde geen hulp meer te vragen, omdat ik mijn ‘het gaat prima, echt veel beter dan eerst!’-verhaal koste wat kost in stand wilde houden. Ik was ontzettend teleurgesteld in mezelf, in mijn eigen kunnen, en was te trots om dit toe te geven aan de buitenwereld. Daarom stortte ik me van de ene verslaving in de andere. Ik begon met alcohol, tot op de dag van vandaag mijn grootste zwakte. Mijn studie raakte al snel (verder) in het slop, maar ik beleefde fantastische, dronken avonden met alle lieve mensen om me heen. Toen dat begon te vervelen, kwamen de pillen in beeld. Hoewel ook deze experimenten me menig memorabele nachten opleverde, vond ik de high weinig bijzonder. Sterker nog: in 9 van de 10 gevallen voelde ik het effect amper. Ik was echter nog steeds op de vlucht, dus ik had een nieuw middel nodig. ‘Gelukkig’ ontdekte ik toen de coffeeshop.

Mijn eerste joint was het startschot van een halfjaar waar ik nauwelijks iets meer van weet. Het blowen was mijn enige bezigheid, de rest van de wereld deed er niet meer toe. En dat was eng, heel eng. Ik vergat afspraken, kon de telefoon niet meer opnemen, kon mijn lichaam motorisch niet meer vertrouwen en had de hele dag door walgelijke vreetaanvallen. Maar de paniekaanvallen waren het ergste. En die probeerde ik nu juist te vergeten, aangezien deze me het jaar daarvoor totaal de afgrond in hadden geworpen. Oh, de gruwelijke ironie. Ik veranderde langzaam in een angstige zombie, die zijn emoties met niemand durfde te delen. Daardoor waren er dagen dat ik opstond met twee jointjes, en dineerde met een flinke fles wijn, om vervolgens tot 6 uur ‘s ochtends door te gaan op de pillen. Eigenlijk een wonder dat ik nog leef.

Enfin, ook dit is intussen alweer meer dan een jaar geleden. En ik besef nù pas dat ik met al dat vuur speelde, omdat ik mezelf zo onmogelijk klem had geluld. Iedereen geloofde dat het wel goed met me ging en ik wilde dat beeld zo lang mogelijk in stand houden. Ik kon de schaamte en de teleurstelling niet aan. Bovendien: ik wilde zó graag gelukkig zijn, dat mijn geluk bij elkaar liegen op dat moment de beste optie leek. Daar kom ik bij deze op terug. Ik wil weer eerlijk kunnen zijn over mijn angsten en mijn gevoelens. Déjà vu’s en toevalligheden zijn nog steeds mijn grootste nachtmerrie. Ik durf nog steeds niet naar The Matrix te kijken. Alleen zijn geeft me nog steeds de kriebels. En ik rook nog steeds omdat het slecht voor me is. Maar ik ben ook heel blij en gelukkig met de vrienden die ik door de jaren om me heen heb verzameld en de grote persoonlijke groei die ik wel degelijk heb doorgemaakt. Geluk en verdriet, het zijn twee emoties die immer hand in hand gaan. En vanaf vandaag zal ik ze àllebei met trots dragen.

xoxo, Sandro

I’m so me (14)

dito

Ik ben al sinds ik me kan heugen ontzettend ‘op zoek’ naar mezelf. En dan heb ik het heus niet alleen over mijn seksualiteit; ik wil me op alle mogelijke en denkbare manieren ontplooien. In eerste instantie resulteerde dit, vanaf mijn dertiende, enkel in wekelijkse bezoekjes aan mijn bejaarde psychiater. Aangezien hij me niet veel verder wist te helpen, heb ik me vanaf mijn vijftiende echter ook gestort op alle zweverige, pretentieuze zelfhulpboeken die ik in handen kreeg. Daarbij gold: hoe afgrijselijker die titel, hoe beter. Want hoe bedenk je verlepte leuzen als “Leven in je leven”, ‘Je eigen gevoel de baas” en “Dat moet mij weer gebeuren”!? Hoewel ik die boeken verslond, leek ik maar niet dichter bij mezelf te komen. Gelukkig veranderde dat allemaal toen ik me een paar jaar geleden begon te verdiepen in de wondere wereld der enneagram.

Voordat ik straks verzand in al te esoterische overpeinzingen, wil ik jullie op het hart drukken dat ik bepaald niet spiritueel ben aangelegd. Wel ben ik erg geïnteresseerd in de verschillende manieren waarop de ene mens de andere mens tracht te bekijken en te ervaren. Okay, dat klinkt toch best spiritueel. Enfin, bij het enneagram draait alles om diverse ‘types’. De details zal ik jullie besparen, maar er zijn blijkbaar negen soorten mensen, die allen op hun eigen manier in het leven staan. Na enkele sessies bleek ik een echte 4 te zijn, wat zoiets betekent als: ik ben individualistisch, romantisch, melancholisch, esthetisch, expressief en bohémien. Ik weet het, dat klinkt ontiegelijke pretentieus, maar ik kan niet ontkennen dat ik de wereld regelmatig op een dergelijke manier ervaar.

Hoewel ik in eerste instantie best blij was met deze typering, ontdekte ik al snel de keerzijde ervan. Zo’n ‘nummer 4’ voelt zich namelijk “vaak onbegrepen en eenzaam omdat hij voelt dat hij anders is dan alle anderen”. Zelfs nu ik weet dat een significant gedeelte van de mensheid flink wat eigenschappen met mij deelt, voel ik me vaak alleen en ‘speciaal’. En dat is een valkuil waar ik flink van walg. Vooral tijdens het uitgaan breekt dit me geregeld op. Rondkijkend in de kroeg kan ik gruwelen van de banaliteit des levens. ‘Wat doen al die dronken boeren, kotsende sletjes en contactgestoorde nerds in hemelsnaam in mìjn wereld?’, denk ik dan. Om vervolgens met afschuw te schrikken van mijn eigen elitaire, arrogante blik op de mensdom. Want, zo speciaal ben ik helemaal niet.

Deze spagaat weerhoudt me er al jaren van te vinden waar ik ècht naar op zoek ben: emotionele binding en gevoelens van verwantschap. Dat ik daar niet in lijk te slagen is natuurlijk best kut. Het feit dat dit betekent dat ik relaties die ik reeds heb niet op waarde weet te schatten, is echter nog veel kwalijker. In feite wil ik wat ik niet kan krijgen en veracht wat ik al jaren heb. Ik kan je vertellen dat dit heel wat onnodige schuldgevoelens oplevert jegens mijn vrienden en familie. En hoewel ik de afgelopen jaren talloze cursussen tegen deze emoties aangooide, heb ik dè oplossing nog steeds niet gevonden. Je vraagt je dan ook af welke klootviool zich in hemelsnaam zó bijzonder voelt, dat hij niemand anders weet toe te laten in zijn eigen, speciale wereldje.

Bij deze wil ik daarom mijn excuses aanbieden aan iedereen die ik ooit het gevoel heb gegeven dat hij of zij misschien te ‘min’ voor mij is (of was). Ik wil een dergelijke houding totaal niet uitstralen, maar draag deze arrogantie nu eenmaal vaak met me mee.  Op mijn manier houd ik heel erg veel van jullie, vergeet dat vooral nooit. En hopelijk vind ik snel een boek dat me kan leren emotionele binding daadwerkelijk te voelen, zodat ik eindelijk afscheid kan nemen van al mijn melancholische en depressieve periodes. Maar ja, aangezien ik zo bijzonder ben, wordt dat waarschijnlijk nog knap lastig.

xoxo, Sandro

Start wearing purple (13)

dito

Afgelopen week deed ik verschillende scholen aan om Paarse Vrijdag op beeld vast te leggen. Alvorens daar verder op in te gaan, moet ik eerst bekennen dat ik me eerder nooit zo heb bezig gehouden met deze speciale dag tegen homofobie. Niet alleen omdat ik paars een ontzettend lelijke kleur vind, maar ook omdat ik in het dagelijks leven zelden last heb van homohaat (lees: ik ben er zo aan gewend, dat het me nauwelijks meer deert). Na een dag met verschillende GSA’s (Gay Straight Alliances) te hebben meegelopen, voel ik me echter genoodzaakt mijn enigszins cynische mening bij te schaven.

Want wat was het enerverend en mooi om te zien. Toegegeven, het evenement leefde niet op iedere locatie even sterk, maar de algemene sfeer was er een van plezier, engagement en acceptatie. Wat me vooral positief verraste was de grote inzet die heteroseksuele leerlingen (en docenten) lieten zien. Ik was de afgelopen jaren veel te druk met mijn eigen sores om me in te zetten voor de rechten en gevoelens van mijn hetero-seksuele medemens, dus het was fijn om te merken dat dit andersom wèl gebeurde. Zich volledig bewust van het gevaar om veroordeeld en zelfs gepest te worden, zetten deze jonge kinderen zich belangeloos en vol enthousiasme in voor algehele acceptatie. Daar smelt je hart toch van!?

Weinig verrassend dacht ik vrijdag meerdere malen terug aan mijn eigen avonturen op de middelbare school. Hoewel ik er, op aanraden van mijn psycholoog, in slaagde nog nèt voor de examens uit de kast te komen, voelde ik me daar geen moment prettig bij. Ik had enkele vriendinnen die me door dik en dun steunden, dat is waar. Verder was de sfeer op mijn school echter redelijk bekrompen, afstandelijk en soms zelfs agressief. Ik deed er daarom al jarenlang alles aan om nìet op te vallen, maar slaagde daar slechts ten dele in. Mijn kapsels waren te wild (en te blond), mijn kledingstijl te kleurig en mijn lach veel te verwijfd. Vond ik. Vond de rest. Ik werd daarom vanaf de derde regelmatig uitgemaakt voor ‘homo’, ‘nicht’ en ‘vieze flikker’. Meestal door brugklassers, nota bene.

Als je besluit uit de kast te komen, zijn veel mensen er van overtuigd dat je reeds hebt geleerd met dergelijke opmerkingen om te gaan. Laat ik je bij deze uit die naïeve droom helpen: dat is nìet zo. Vanaf mijn 17e begon ik mijn geheim misschien vrolijk te delen met mensen, maar diep van binnen voelde ik vooral zelfhaat, schaamte en angst. Daardoor duurde het nog jaren voordat ik eerlijk tegenover mijn ouders kon en durfde te zijn. Ik sta er daarom van versteld dat er nog steeds mensen zijn die het lef hebben een coming out te pushen of, erger nog, af te dwingen. Er is maar één iemand die weet wanneer het tijd is om eerlijk te zijn over je seksualiteit, en dat ben jij zelf. Je beweegredenen zijn de jouwe, daar heeft verder niemand iets mee te maken.

Dat is één van de redenen dat ik de Paarse Vrijdag zo’n heerlijk initiatief vind. De nadruk ligt namelijk niet zozeer op homoseksualiteit zelf, maar eerder op het ontwikkelen van een omgeving waarin ìedereen zichzelf kan en durft te zijn. Emo’s, skaters en hipsters zijn daarbij minstens net zo belangrijk als homo’s, lesbiennes en transgenders. Als een school een dergelijk klimaat weet te creëren, krijgt iedereen een eerlijke(re) kans om zijn of haar eigen identiteit, stukje bij beetje, kenbaar te maken aan de rest van de wereld. Paarse Vrijdag kan daarmee indirect bijdragen aan het vergemakkelijken en verfijnen van vele coming out’s. Natuurlijk is hiervoor reeds de Nationale Coming-Outdag in het leven geroepen. En alhoewel ik me heel goed voor kan stellen dat sommige mensen zich gesteund voelen door deze actie, krijg ik het er zelf maar benauwd van. Het doet me denken aan de vele interventies die mijn psycholoog en mijn vriendinnen vroeger op touw zetten, om die coming out bij mijn ouders toch eindelijk eens van de grond te krijgen. Hartstikke leuk hoor, maar bemoei je lekker met je eigen zaken. Mijn seksualiteit is de mijne. En dat heeft Paarse Vrijdag, wat mij betreft, uitstekend begrepen!

xoxo, Sandro

Last Christmas (12)

dito

December is aangebroken. De koude dagen worden korter, de donkere nachten worden langer. En dat kan in Nederland maar één ding beteken: het is weer tijd voor Sinterklaas. Ik kan me nog goed herinneren dat ik om deze reden als klein kind maanden uitkeek naar de 5e van december. Ik maakte ellenlange verlanglijstjes, ik schreef tientallen gedichtjes voor in de schoen en ik tuurde ‘s avonds uren door het dakraam om maar een glimp op te vangen van de goedheilig man. Nu denk ik alleen maar: wat kan een mens toch veranderen. Want van dat kleine, naïeve en schattige jongetje is bar weinig over gebleven.

Getergd loop ik door de stad. Het is veel te druk voor een winterse donderdagmiddag, maar men moet uiteraard de laatste Sint-inkopen nog doen. Ouders met tassen vol prullaria struinen moe en verwilderd door de straten, op zoek naar de laatste cd van K3 en de nieuwste tablet. Ze kibbelen er op los en de veronderstelde feestvreugde, die de decembermaand toch met zich mee hoort te brengen, is onvindbaar. Ik zie vooral stress, stress, stress. De alarmbellen in mijn hoofd beginnen te rinkelen, dus ik beuk wat mensen opzij en keer huiswaarts. Als ik ergens gestrest van raak, is het wel van andermans stress. En drukte. December is daardoor het summum van overprikkeling. Dat klinkt ontzettend bejaard, ik weet het, maar voor mij is het een waarheid als een koe. In december zit ik het liefst binnen, onder een dekentje of in een warm bad, met zo min mogelijk mensen om me heen. Aangezien dit met Sinterklaas not done is, ben ik Jesus Christ Superstar eeuwig dankbaar dat hij ooit werd geboren. Want met Kerst kan ik vol overgave toegeven aan al mijn asociale behoeftes. Ik trek me terug met kilo’s chocola, een paar goede flessen rode wijn en een dik, ontroerend boek. De telefoon gaat resoluut uit, niemand mag me storen. Het klinkt wat sneu, je zou het misschien zelfs een winterdip kunnen noemen, maar ik geniet er intens van.

Echter, mijn kluizenaarsbestaan houdt slechts kort stand. Wanneer het eten op is en al mijn goede voornemens reeds zijn gesneuveld (die tot mij kwamen op Kerstavond, in de kerk notabene), is het hoog tijd voor goede vrienden en sterke drank. De muziek staat op maximaal, de mondjes gaan open, de wodka vloeit rijkelijk en het jaar wordt eens flink nabesproken. Enige zelfkritiek is daarbij een vereiste: waar heb ik gefaald, welke scharrels had ik beter over kunnen slaan en wanneer had ik de fles misschien beter kunnen laten staan? De kans is groot dat er tijdens dergelijke relazen meerde pakjes peuken achterover gedrukt worden. Maar dat deert niemand; stoppen doen we volgend jaar wel weer.

Uiteraard staat een dergelijk avondje de volgende ochtend garant voor een fikse kater. Ook dat hindert niet. Sterker nog, deze kater is noodzakelijk om het jaar respectvol en in stijl af te sluiten. Nog één dag kun je vol overgave kniezen, janken en zwelgen in zelfmedelijden. En dan is het al weer tijd voor Oud en Nieuw, wellicht het meest weerzinwekkende en pretentieuze ‘feest’ ter wereld. Maar dat is een ander verhaal, voor een ander keertje. Voor nu is het genoeg om te concluderen dat ik Sinterklaas een kinderachtig, stressvol rotfeest vind, terwijl de donkere Kerstdagen mij immer vervullen met weemoedige blijdschap. Ik ben echter de slechtste niet, dus iedereen die vanavond zo nodig zijn of haar jeugd nog eventjes wilt herleven: geniet ervan! Ik blijf lekker thuis.

xoxo, Sandro

Postcards from Amsterdam (11)

dito

Hebben jullie ook wel eens het gevoel dat je ‘vast’ zit? Sinds enkele maanden merk ik dat er iets ‘mist’ in mijn leven, terwijl alles toch eigenlijk keurig zijn gangetje gaat. Ik heb fijne, betrouwbare vrienden, een opleiding waar ik eindelijk met plezier naar toe ga, een liefdevolle familie, een gezellig studentenhuis om in te wonen, stapmaatjes om wild mee te dansen / dronken mee te worden, een schattig konijn, mijn liefde voor schrijven, mijn liefde voor muziek… Al met al een mooi, rijkelijk gevuld bestaan. En tòch wringt er iets. Hoewel ik geenszins ongelukkig ben, heb ik het gevoel dat de wereld me nog veel meer te bieden heeft. Maar wat?

Enige tijd dacht ik dat het misschien ‘gewoon’ op zoek was naar liefde. En laten we wel wezen, een leuke partner is natuurlijk nooit weg. Tegelijkertijd vrees ik dat ik veel te onrustig ben om me reeds te conformeren aan iemand anders. Ik wil zelfstandig op ontdekkingsreis, alleen leren zijn, uit de band springen, onverstandige dingen doen, léven. Mijn oorspronkelijke plan was daarom om voor onbepaalde tijd in Italië te gaan wonen. Zonder doel en verdere secundaire beweegredenen. Gewoon, omdat het kàn. Bergen beklimmen, druiven plukken, Italiaanse jongens veroveren en vrienden voor het leven maken. Dat soort dingen.
Zo naïef ben ik echter allang niet meer. Waarschijnlijk zou ik na twee weken geen druiven (laat staan wijn) meer kunnen zien en uit pure eenzaamheid ellendig en seksloos wegrotten. Ik geloof dat ik mijn idealistische, romantische wereldbeeld even moet laten varen, om het avontuur een stukje dichter bij huis te zoeken. Misschien is weg gaan uit Nijmegen al afdoende om mijn rusteloosheid enigszins te temperen. Ik droom daarom steeds vaker over een leven in Amsterdam, ofschoon ik nooit echt fan ben geweest van onze hoofdstad. Nijmegen heeft haar grenzen echter bereikt en begint me langzaam aan te verstikken en te vervelen. Ik voel me wel erg vaak ‘too cool for school’ (wat een weerzinwekkende uitspraak is dat toch) en de behoefte aan nieuwe mensen, nieuwe locaties en nieuwe ervaringen blijft groeien.

Nu weet ik dat Amsterdam alles behalve het paradijs op aarde is, maar het onbekende lonkt. Ik wil spanning en sensatie, uitzinnige feesten, slapeloze nachten. De Nijmeegse koek is op, het is (bijna) tijd voor iets nieuws. Toch vrees ik dat ik de beslissende stap pas over jaren ga maken. En heus niet alleen omdat ik een ongelooflijke schijter ben die autistisch reageert op verandering. Ik denk namelijk dat ook Amsterdam me snel zal gaan vervelen. Bovendien irriteer ik me nù al mateloos aan alle hipsters die er rond paraderen (waarschijnlijk omdat ik er zelf één ben…), de hordes toeristen die het straatbeeld vervuilen en de arrogantie waarmee Amsterdammers over ‘hun’ stad praten. Walgelijk. Maar, wat nu? Alle tips zijn van harte welkom, want ik weet het zelf ook eventjes niet meer. Intussen sluit ik mijn ogen en fantaseer dromerig verder over Italië: hand-in-hand met de liefde van mijn leven huppel ik bergop, bergaf, bergop, bergaf. We nemen plaats in een afgelegen herberg en verdrinken daar in elkaars ogen. Onderwijl streelt en verwarmt de rode wijn mijn slokdarm en penetreert de heerlijke geur van verse pizza mijn neusgaten. This is the good life. 

 xoxo, Sandro

In the closet (10)

dito

Ik durf te veronderstellen dat iedereen welbekend is met het fenomeen ‘uit de kast komen’. Je weet wel, dat zenuwslopende moment waarop je voor het eerst iemand echt in vertrouwen durft te nemen en, vaak met veel moeite, eindelijk uitkraamt dat je H-O-M-O bent. Zelf deed ik dit voor het eerst toen ik 16 was, om het hele proces in de maanden daarna nog talloze malen te herhalen. Lange tijd keek ik vrij angstig en terughoudend terug op deze periode, maar recentelijk voert weemoed steeds vaker de boventoon. Ja, ik weet dat het raar klinkt, maar soms mis ik die heftige, donkere en onzekere dagen.

Wanneer deze omschakeling plaats heeft gevonden is ook mij niet duidelijk. Ik gok dat het verstrijken van de tijd gewoonweg afdoende afstand heeft gecreëerd om een nieuw, fris licht te werpen op mijn initiatieperiode als jonge homoseksueel. Want wat was het spannend, romantisch bijna, om uit de kast te komen. Vóór mijn eerste coming out was ik schuchter, depressief en immer gehuld in te grote kleren, om er vooral niet tè stijlvol uit te zien. Dat veranderde toen ik mijn grootste geheim begon te delen. De vriendschappen die daaruit voortkwamen waren heftiger, intenser en mooier dan alles wat ik daarvoor ooit op t.v. had gezien. Die eerste, open gesprekken over mijn seksualiteit, die geheimzinnige blikken die ik enkel met een handjevol vriendinnen kon delen, het eerste bezoek aan een gay-kroeg… Mijn hemel, wat was ik bang. Maar ik voelde me ontzettend gesteund en ik was trots op de vrienden die ik had gevonden.

Nee, dat zeg ik verkeerd. Die vrienden had ik al lang. Ik had ze echter nog nooit de kans gegeven om er ècht voor me te zijn. Door inwendige strubbelingen werd ik gedwongen eindelijk eerlijk over mezelf te zijn, waardoor vriendschappen dieper en dierbaarder werden. Ik heb nog nooit zoveel geknuffeld, gehuild en gepraat als in die eerste, onzekere maanden. Mijn hart lag op mijn tong en ik ervoer hoe het was om niet constant op mijn tenen te hoeven lopen. Om niet constant mijn homo-uitstraling te hoeven onderdrukken. En dat mis ik. Ik mis het ontzettend. Die eerste gewaarwordingen van zelfrespect. Die eerste gewaarwordingen van vriendschappen die voor altijd zijn. Die eerste gewaarwordingen van liefde en geluk.

Want op den duur vervaagt dat gevoel. Het wordt steeds ‘normaler‘ dat je homoseksueel bent en je hoeft het er niet meer constant over te hebben. Daar is uiteraard niets mis mee. Ik bèn homoseksueel en daar hoef ik echt niet constant over te praten. Ik mis echter dat pure gevoel van vroeger (hoor mij, net 22), waarbij ik me intens verbonden voelde met de eerste vriendinnen die mijn geheim kenden. Het was ‘wij’ tegen de rest. Dergelijke emoties ken ik al jaren niet meer. Vrienden heb ik genoeg, maar de speciale band die ik toen met sommige mensen had, is nooit meer volledig teruggekeerd. Daarom bij deze een diepe buiging voor hen die er gedurende deze moeizame tijden onvoorwaardelijk voor me waren. Ik zal jullie steun nooit vergeten. En nu ga ik naarstig op zoek naar een partner, want ik moet deze verloren gevoelens toch bij iemand kwijt…!

xoxo, Sandro

Death and all of his friends (9)

dito

Mag ik het eventjes over de dood hebben? Ik merk namelijk steeds vaker hoe makkelijk en ongevoelig mensen, mezelf incluis, met dit pijnlijke thema omgaan. Regelmatig hoor ik mezelf opmerkingen maken als: ‘Ik wil sterven’, ‘val dood’ of ‘zullen we anders samen van de brug afspringen?’. Uiteraard immer met een grappige, ironische ondertoon, maar dan nog.  Dood willen is helemaal geen grapje en, helaas, kan ik daar uit ervaring over mee praten. Soms sterkt mij dat in de overtuiging dat ik het ‘recht’ heb om dergelijke opmerkingen te mogen maken. Op momenten dat ik ècht eerlijk naar mezelf durf te kijken, blijft er echter vooral schaamte over. Het feit dat ik weet hoe het is, strookt totaal niet met de grappen die ik er over maak. Bij deze daarom een oproep tègen het spotten met de dood.

Iets meer dan twee jaar geleden kreeg ik mijn eerste angstaanval. De grond zakte onder mijn voeten weg en in blinde paniek barstte ik midden in de trein in janken uit. Eventjes leek het een eenmalig voorval, maar al snel bleek er meer aan de hand. Men constateerde een burn-out (ik was 19, nota bene), een zware depressie, een paniek-stoornis en zelfs wat licht-psychotische klachten. Ik werd volgegooid met pillen en zwierf van de ene psychiater naar de andere. Niets hielp. Angstige maanden verstreken en aangezien niemand me kon redden, begon ik te geloven dat ik gek aan het worden was. Vanaf dat moment kwam ‘s nachts de dood bij me op bezoek.

Ik schrik daarom nog steeds van mensen die iedereen met psychische problemen neerbuigend aan kijken. Opmerkingen als ‘hij/zij moet zich niet zo aanstellen’ en ‘je kunt er toch gewoon voor kiezen om vrolijk te zijn?’ schieten bij mij standaard in het verkeerde keelgat. Zouden zij weten hoe verschrikkelijk het is om aan je ouders te moeten vertellen dat je geen uitweg meer ziet? Dat je niet dood wilt, maar ook niet weet hoe je deze geestelijke pijnen nog veel langer kunt (ver)dragen? Ik weet het intussen, en ik gun het niemand. En als iemand meent dat dergelijke uitspraken getuigen van lafheid of aandachttrekkerij, begrijpt diegene duidelijk niet dat pijn in je geest en in je hart ècht pijn doet. Ik wilde geen aandacht, verre van zelfs. Ik wilde gewoonweg geen angst en pijn meer voelen. Want geloof mij: constant vrezen voor een paniekaanval, voortdurend bang zijn voor gruwelijke en irreële gedachtes, de mogelijkheid verliezen om enig contact en liefde te voelen… dat gaat je niet in de koude kleren zitten.

Ik wil daarom iedereen ferm op het hart drukken voorzichtig om te gaan met de dood. Uiteraard is (of was) lang niet iedereen er zo slecht aan toe als ik in deze  nare periode, maar verkeerde opmerkingen zijn snel gemaakt. Zoals gezegd betrap ik mezelf daar ook regelmatig op. Houd er echter rekening mee dat je niet altijd weet wie je tegenover je hebt. Zo beginnen mensen tegen mij wel eens over het niet-bestaande nut van psychologen. Dat doet me godsgruwelijk veel pijn, want ze moesten eens weten. Als ik twee jaar geleden niet de fantastische psycholoog had gevonden met wie ik nu nog steeds maandelijks spreek, was ik er waarschijnlijk al lang niet meer geweest. En zo heeft iedereen zijn of haar levensverhaal, waar je niet over heen moet walsen. Toon een beetje medeleven voor je medemens en heb respect voor de gevoelens (en het verleden) van je vrienden, familie en kennissen. Aan het einde van de dag zijn we allemaal ‘slechts’ mensen en die hebben nu eenmaal heel wat liefde en genegenheid nodig.

xoxo, Sandro

I’m not a girl (8)

dito

Sinds 2011 ben ik voorlichter voor COC Nijmegen. Nu ervaar ik dat over het algemeen als leuk, gezellig en ontzettend dankbaar werk, maar tijdens elke voorlichting bots ik op een probleem waar ik al jarenlang mee zit: mijn stem. Afgelopen week was het wederom raak. Vol goede moed en zelfvertrouwen nam ik mijn plaats in voor de klas, niets aan de hand. Echter, na mijn eerste opmerking begon, achter mijn rug om welteverstaan, het gegiechel direct. Uit ervaring wist ik dat dit nìets te maken had met de ontzettend interessante strekking van mijn verhaal. Nee, het had enkel en alleen te maken met mijn stem. Want die is te hoog. Veel te hoog.

Als ik nooit zou praten, zou ik waarschijnlijk tot op mijn sterfbed als een redelijk overtuigende hetero door het leven kunnen gaan. Dat blijkt in een maatschappij als de onze helaas wishful thinking. Het gevolg? Iedere keer dat ik mijn mond open trek in een nieuwe omgeving, kijkt men me eventjes verrast aan, om vervolgens in gegrinnik uit te barsten. ‘Oh, je bent hómo!’ Dientengevolge kom ik minstens 3 keer per week uit de kast, ook op momenten en plaatsen waar ik me daar totaal niet prettig of zelfs onveilig bij voel.

De gevolgen zijn echter groter, pijnlijker. Wanneer je namelijk als ‘een homo’ praat, klink je schijnbaar eveneens al snel als een meisje. En ik kan je vertellen: dat is náár. Vooral aan de telefoon moet ik het zwaar ontgelden. Het gebeurt zelden dat men direct door heeft dat ik een man, en absoluut geen vrouw, ben. Telefoneren staat daardoor in mijn wereld vaak gelijk aan een bewuste talk of shame. Er zijn voorbeelden te over, maar ik zal jullie slechts vervelen met mijn meest gênante gender-crises.

Onlangs bezocht ik voor het eerst mijn nieuwe fysiotherapeute. Alhoewel ik haar enkel aan de telefoon had gesproken, wist ik, met behulp van het internet, wel hoe zij er uit zag. Om klokslag 12 uur zat ik haar op te wachten in de wachtkamer. Meerdere malen zag ik haar om het hoekje gluren, waarop ik voorzichtig doch nadrukkelijk oogcontact met haar probeerde te maken. Geen reactie. Na een kwartier peentjes te hebben gezweet wist ik het zeker: ze was op zoek naar een Sandra. Beschaamd liep ik naar haar kantoor, waar mijn vrees, uiteraard, waarheid werd. ‘Oh, je heet Sandro!

Gelukkig kan het nòg erger. De afgelopen jaren hing ik geregeld en met heel wat doktersassistentes aan de lijn. Dat mondde telkens uit in dezelfde, nare situatie. Hoe vaak ik het ook benadrukte, ze wilden nìet geloven dat ze met mìj, en niet met mijn moeder, spraken. Dit werd vervolgens niet glad gestreken met welgemeende en terechte excuses, maar nog net een beetje pijnlijker gemaakt met een steek na: ‘Ja, je stem hè?’ Zelfs een dokter, waar ik al maanden bij liep en die wist dat ik hem op een specifieke tijd zou bellen, was er heilig van overtuigd dat ook hij het genoegen had mijn moeke aan de lijn te hebben.

Toppunt was echter het wel erg simpele huppelkutje van mijn telefoonmaatschappij. Nadat ik tien keer had geëxpliciteerd dat ik toch echt een heer was (‘Ik ben GEEN mevrouw!)’, leek ze het eindelijk te begrijpen. Toen ze me na vijf minuten terug moest bellen met wat laatste vragen, was ze dit helaas alweer glad vergeten. ‘Mevrouw, ik heb het even voor u opgezocht en…’. De klomp in mijn maag werd zó groot, dat ik de confrontatie niet nog een keer aan durfde te gaan.

Talloze bezoeken aan logopedisten en een heuse stemcursus ten spijt, blijf ik terecht komen in dergelijke sketches. In een slechte soap zou ik er misschien om kunnen lachen, maar de schaamte die ik dagelijks voel, is alles behalve grappig. Het feit dat ik van nature al hartstikke onzeker ben over mijn ‘mannelijkheid’, maakt het er wat dat betreft niet veel beter op. Op een of andere manier ben ik al van jongs af aan bang dat mensen me aan zullen zien voor een meisje. Dergelijke voorvallen sterken me telkens weer in deze irreële overtuigingen. Alhoewel, zo irreëel zijn ze blijkbaar dus niet. Ik werd laatst, ongeschoren en al, zelfs aan de kàssa met ‘mevrouw’ aangesproken. Met een rode kop mompelde ik dat ik heus een man was, maar het kwaad was reeds geschied. Hopelijk krijg ik snel wat meer borsthaar, zodat ik, als onbetwistbaar bewijs van mijn manliness, mijn blouse wat open kan laten hangen. Tot die tijd neem ik de telefoon in ieder geval nooit meer op.

xoxo, Sandro

Happy birthday? (7)

dito

Ineens was het weer zover: 22 augustus, tijd om een jaartje ouder te worden. Voor veel mensen een dag vol liefde, taart en gezelligheid, maar voor mij sinds een jaar of tien een dag vol angst, stress en gebeden om de tijd alsjeblieft wat sneller voorbij te laten gaan. Waarom? Omdat mijn vroegtijdige puberteit gepaard ging met de ontwikkeling van een chronische twijfel over mijn ‘populariteit’, waar ik helaas nog steeds niet volledig van genezen ben.

En dat had ook dit jaar weer vergaande gevolgen. Reeds drie weken van tevoren zat ik mentale lijstjes te maken van de mensen die me vast en zeker een felicitatie zouden sturen. Zijn het er meer dan vorig jaar? Zijn het er meer dan 50? En zijn het er meer dan persoon X en Y mochten ontvangen op hùn verjaardag? Ziek en verwerpelijk, ik weet het, maar daardoor zeker niet minder waar. Ik ben al sinds mijn 5e bezig met abstracte begrippen als status, imago en, misschien wel de ergste, ‘vriendschap’. Ik begrijp namelijk nog steeds niet wat een emotioneel geladen term als ‘vriendschap’ nu precies inhoudt. Wanneer kan of mag je iemand een vriend noemen? Dien je daarvoor elkaars diepste geheimen te kennen, of is samen fijn kunnen lachen afdoende? Hoeveel vrienden dien je eigenlijk te hebben om ‘normaal’ te zijn? Of misschien zelfs populair? En hoe vaak moet je die mensen dan zien om de titel ‘vriend’ in stand te houden? Dagelijks, wekelijks, jaarlijks? Allemaal onbeantwoorde vragen waar ik, vooral rond mijn verjaardag, erg ongelukkig van wordt.

En dan heb ik helaas de ergste nog niet eens gehad. De gruwelvraag: wie is je beste vriend(in)? Wat is dat in hemelsnaam, een ‘beste’ vriend? Ik heb er nog nooit één gehad en wil dat ook graag zo houden. Niet alleen omdat ik het onderscheid tussen ‘vriend’ en ‘beste vriend’ onnodig en belachelijk vind, maar vooral omdat ik een dergelijke distinctie nooit zou durven maken. Want, wat als de persoon in kwestie mij niet als ‘beste’ vriend beschouwt? Dat is toch gênant? Je zult mij daarom niet snel een lijstje met mijn (beste) vrienden horen reciteren, hoe autistisch dat misschien ook moge klinken. Niet omdat ik niet weet wie ze, in meer of mindere mate, zijn, maar omdat ik bang ben dat ik niet in hùn lijstje voorkom.

Dat brengt me weer terug bij mijn verjaardag. Afgelopen woensdag werd ik abrupt 22 en ik had er wederom de gehele dag last van. Ik hield mijn telefoon, mijn mail en mijn Facebook angstvallig en obsessief in de gaten, om te controleren of er wel iemand aan me zou denken. Gelukkig, en ik weet dat dit afschuwelijk klinkt, waren het er dit jaar meer dan genoeg. Dat betekent echter niet dat alle problemen nu uit de lucht zijn. Er ‘moet’ namelijk ook nog een knallend feest georganiseerd worden. Leuk hoor, maar wie zegt dat daar iemand op zit te wachten? Ik vierde mijn verjaring de afgelopen 10 jaar slechts twee keer, omdat ik bang was dat, wanneer het moment echt daar was, er toch niemand zou komen. Nu weet ik dat dit walgelijke onzin is, dus dit jaar wil ik me koste wat kost niet tegen laten houden door dergelijke, irreële angsten. Bij deze daarom een bericht al mijn beste vrienden: komen jullie naar mijn feestje? Geen idee of ik ooit een datum durf te prikken [wat ik tot op heden nog steeds niet heb gedaan], maar voel je vooral van harte uitgenodigd! Als jullie weten wie jullie zijn, uiteraard…

xoxo, Sandro