naamloos (2)

maandag

Op kamers

Ik woonde midden in het centrum. Twee jaar lang was ik angstig in mijn eigen huis. Niet omdat mijn huisgenoten nou zo eng waren, maar omdat mijn sociale fobie steeds onhandelbaarder werd. Ik ging naar colleges en onderhield een handvol vrienden. Meer had ik niet te geven.

Ik opende de voordeur, rende de trap op, sloop door de keuken en sloot me op op mijn kamer. Meestal met wat sigaretten en een fles wijn. En de drang om overal een tien voor te halen.

Iedere dag opnieuw.

Omdat ik niet meer te geven had.

Er waren periodes dat ik nauwelijks at, bang als ik was om iemand tegen te komen in de keuken. Dat was ook de reden dat ik regelmatig in mijn wasbak plaste. Aangezien ik niemand durfde te vragen hoe onze wasmachine werkte, deed ik de was nog bij mijn ouders thuis.

We leefden langs elkaar heen, mijn huisgenoten en ik. Het viel niemand op dat ik mezelf verwaarloosde, omdat we dat allemaal deden.


Totdat S. kwam. Toen veranderde alles.


De huisgenoot

Ik was erbij toen we hem uitkozen.

Kijkavonden waren een uitdaging. Ze verplichtten ons om lang in dezelfde ruimte te zijn. Ik kon de stress alleen aan als ik dronk. De rest deed meestal met me mee en dan waren we voor even normaal.

A. was er ook. We spraken elkaar nauwelijks, maar vanaf onze eerste ontmoeting spookte hij continu door mijn natte dromen. Met genoeg drank kon ik misschien verbergen dat ik een kluizenaar met een alcoholverslaving was.

Ik gok dat S. onze vijfde klant was. We waren inmiddels al flink bezopen. We lachten en schreeuwden en ik hoorde mezelf dingen zeggen die ik beter voor mezelf kon houden. Dat vond ik fijn.

S. was de enige kandidaat die ons aankon. Hij dronk net zo hard, had een grote bek en deed zonder morren een dansje voor ons. Hij leek ons direct aan te voelen en speelde glansrijk de rol die hem een kamer op zou leveren.

Te laat zou ik ontdekken dat hij geen acteur was.


Hij betrok de kamer naast me. Of: het hok naast de mijne, net iets groter dan een bezemkast. Dat werd zijn slaapkamer. Recht daar onder, een verdieping lager, richtte hij een minuscule woonkamer in.

Stijl had S. niet, meubels nauwelijks.

De weinige spullen die hij wel had, verspreidden een broeierige geur door ons huis. Het was voornamelijk oud zweet, denk ik, maar voor mij was het ook meer dan dat. Alsof hij zijn mannelijkheid, net als een kat of konijn, over iedere vierkante centimeter van ons huis had uitgesmeerd. Heen gepist.

Het stonk, zouden sommige mensen zeggen.

Ik niet. Ik rook seks.


De veranderingen die S. met zich meebracht, voltrokken zich geleidelijk. Zoals ik het te laat door had afhankelijk te zijn geworden van nicotine, raakte ik buiten mijn eigen blikveld om verslaafd aan mijn nieuwe huisgenoot. En later, aan al zijn mannelijke mannenvrienden.

Ongewassen mannen lagen ten grondslag aan mijn morele verval.


Maar ik loop vooruit op zaken. Ik moet mezelf verdedigen.

Alvorens ik laat zien wie ik werd, moet ik laten zien wie ik was.

De zomer voordat S. kwam, draaide ik door.

Ik nam geen overdosis, werd niet verkracht, had geen onverwerkt trauma en leed niet aan een enge, ongeneeslijke ziekte.

Wel vermoedde ik dat ik aan een enge, ongeneeslijke ziekte leed, was ik homo, studeerde ik te hard en wilde ik alles perfect doen. Ik haatte mezelf en ik haatte het feit dat ik al sinds mijn dertiende depressief was.

Er was geen aanleiding, er was geen laatste druppel.

Ineens was de maat vol en werd ik gek.

Mijn wanen waren enger dan de hartstochtelijke wensen dood te willen. De waanbeelden kon ik niet aankijken of bezweren, ze glipten telkens net door mijn vingers.

Dokters vulden mijn maag met pillen, ouders vulden mijn hart met liefde, ikzelf vulde mijn maag met angst en paniek.

Ik werd zomaar in tweeën gehakt.

Een leven voor de storm, een leven erna.

Na de storm was alles verwoest, en het weer bleef beroerd.


Na acht maanden was ik het vechten zat.

Inwendig omarmde ik mijn teloorgang: ik zou nooit meer beter worden.

Uitwendig verklaarde ik mezelf genezen: ik zou nooit meer ziek zijn.

En toen werd S. mijn buurman. Met zijn komst kon ik mijn masker direct uitproberen en verstevigen. Hij leerde me kennen zoals ik wilde zijn en bevestigde mijn overtuiging dat je je gevoelens beter verborgen kunt houden.

Mijn destructie werd beloond met zijn vriendschap.


(…) 


 De eerste

A. had de week daarvoor onder invloed een belangrijke operatie uitgevoerd. In het weekend had hij dit verwerkt door ‘per ongeluk’ meer dan 1000 euro aan cocaïne en taxikosten uit te geven en met drie meisjes het bed te delen. De dagen erna was hij erachter gekomen dat hij zichzelf niet meer in de spiegel aan kon kijken.

A. is in de jaren dat ik hem heb leren kennen altijd een man van de extremen geweest. Toen hij begon te walgen van zijn eigen reflectie, koos hij daarom voor een radicale oplossing: hij zou stoppen met drank en drugs en zou weer bij zijn ouders gaan wonen.

Terwijl hij mij en de andere huisgenoten zijn plan droog uit de doeken deed, zoals het een echte arts betaamt, kneep H. de Eerste, mijn beste vriendin, hard in mijn hand. Zij was de enige die begreep dat de woorden van A. mijn geestelijke welzijn schaadden.

Daar en op dat moment.

En misschien wel voor de rest van mijn leven.

Wij, de huisgenoten, keken elkaar wat glazig aan. A. was de spil van ons feest, we hadden nooit verwacht dat hij als eerste onze strijd zou staken. Maar verdrietig zijn was niets voor ons.

We weigerden waarheid te voelen.

Wodka hielp daarbij.


Hij moet het ook gevoeld hebben.

Dat hij ons voor was. Dat hij een stap zette die wij nog niet konden nemen. Dat wij hem niet bij wilden benen, al wisten we heus wel dat zijn schranderheid de voorkeur genoot.

Tot op de dag van vandaag houd ik mezelf voor dat ik de enige was die zag hoeveel pijn hem dat deed. Te zien dat hij zich had omringd met mensen die eigenlijk helemaal niet het beste met hem, of met zichzelf, voor hadden. Voor wie hij enkel een onderdeel van de festiviteiten was.

Dat we lelijk waren.

Maar door de andere kant op te kijken, schaarde ik me moedwillig bij het monster dat we waren geworden.

En dat is wat uiteindelijk telt.


Na dit afscheid volgde een zomer waarin de remmen niet los gingen, maar met een betonschaar doorgeknipt werden.

Mijn hoop dat A’s vertrek mijn verliefdheid zou temperen, bleek ongefundeerd. Zijn afwezigheid maakte het verlangen naar zijn warme, karamelbruine lijf alleen maar groter. Te weten dat hij niet meer in de kamer boven me lag. Nooit meer zingend de trap afkwam in zijn witte badjas, de welving van zijn eenogige draak zo goed zichtbaar. Dat ik zijn knipoog moest missen, of de kneepjes in mijn kont. Zijn bulderende lach, of zijn vieze jongensstreken met S.

Zijn ogen diep als een bodemloze put.

Het was te leeg in huis, dus deden we allemaal wat meer ons best om het op te vullen met herrie en alcohol. We hadden regelmatig een agent over de vloer en bij ons op de plee werd er vaker gekotst dan gescheten.

Juist omdat ik wist dat A. gelijk had, deed ik alles wat hij niet deed.


(…)


De drank maakte me dikker, niet gelukkiger, en hoe hard ik ook mijn best deed, de vrienden van S. vonden zoenen genoeg. Dus deed ik wat nodig was: ik gaf A. mijn papieren hart.

Het was 1 uur ’s middags en ik had al drie glazen Passoa jui op voordat hij kwam. Op mijn balkon staken we elkaars sigaretten aan. Hij praatte over het leven bij zijn ouders en hoe goed het met hem ging. Ik praatte over mijn scriptie, waar ik al meer dan een jaar niet mee bezig was, en hoe goed het met me ging.

Ik denk niet dat hij me geloofde.

Omdat A. jarig was geweest sinds de laatste keer dat ik hem aan had geraakt, was het in mijn hoofd minder gek dat ik hem een liefdesbrief gaf, verstopt tussen twee tekeningen die ik voor hem had gemaakt.

‘Een kleinigheidje. Pas kijken als je thuis bent, okay?’

‘Dope, man! Wat ben je toch ook een lekker ding.’

A. gaf me een knuffel. Ik grinnikte wat en duwde hem snel de trap af. Die middag startte een driedaagse kampeervakantie met vriendinnen en ik moest mijn tas nog inpakken. En drank halen.

Rustig blijven lukte me nuchter niet.


De dagen die volgden, krijgen geen vaste vorm in mijn hoofd. Ik lag dronken in een hangmat en negeerde de mensen om me heen. Terwijl zij spelletjes speelden, fietste ik naar de supermarkt om meer sterke drank te halen. Daar huilde ik om Pure Shores; het lied dat van mij en van A. en van S. alleen was.

S. was destijds op Lowlands. Bijna was ik meegegaan, maar het jaar daarvoor was ik op de eerste festivaldag alweer vertrokken, omdat ik na een paniekaanval dacht dood te willen.

Dat durfde ik niet nog een keer.

Midden in de nacht belde hij me dronken op.

‘IK MIS JE! HET IS HIER ZO VET!’

‘Wat zeg je?’

‘WAT ZEI A.? IK BEN ZO TROTS OP JE!’

‘Ik versta je niet!’

‘IK HOU VAN JE!’

Ik verbrak lachend en tevreden de verbinding. S. was de vriend die ik altijd al had willen hebben. Dat ik hem harder nodig had dan hij mij, mocht die nacht niet van belang zijn.

Het stak dat mijn Groesbeekse vriendinnen deden alsof ze ons telefoongesprek niet hadden gehoord. Pas jaren later vernam ik hoe ongerust ze al die dagen en al die maanden zijn geweest.  Ze wisten niet meer hoe ik nuchter was en alles wat ik zei ging over feesten, het experimenteren met drugs en A. en S. Ze kwamen in die tijd nauwelijks meer bij me over de vloer, omdat ik in een gekkenhuis leek te wonen.

Ik begreep heus wat ze bedoelden, maar wilde het niet met ze eens zijn. Voor mij was er niets meer dan dat.

Door alles en iedereen te willen, was ik eigenlijk vooral heel erg alleen.

Een interventie is er nooit gekomen; ze bespraken hun zorgen alleen achter mijn rug om. En dat begrijp ik wel. Ik was niet voor reden vatbaar en genoot ervan te geloven dat de wereld me in de steek had gelaten.

Ik vermoed dat ik mezelf ook in die hangmat zou hebben laten liggen. Opgeruimd staat netjes.


Een uur na mijn terugkomst stond A. voor onze deur. Hij weigerde via sms’jes te reageren op mijn brief. Dat kun je netjes noemen, maar ik wist heus wel wat zijn omtrekkende bewegingen betekende: hij zou me nooit pijpen.

Wederom stonden we op mijn balkon, ditmaal met een weekend vol drank en afstand tussen ons in. Hij viel me aan met zijn parfum en ik wilde niets liever dan bezwijken.

Zijn woorden sneden hout en huid.

Dat ik zo’n dierbare vriend was. Dat hij zo veel om me gaf. Dat hij me zo bewonderde. Dat ik zo lekker kon zoenen. Dat ik de eerste jongen zou zijn met wie hij het bed zou willen delen. Mits hij op mannen viel.

En dat deed hij niet.

En dat wist ik.

Dat wist ik al maanden. Waarschijnlijk was het daarom dat ik lachte, en niet huilde. Mijn oorverdovende liefdesverdriet werd overstemd door het besef dat we nu eindelijk vrienden konden zijn. Dat we de laatste vallei hadden overspannen die al die tijd zo wijd tussen ons in had gelegen. Mijn verliefdheid was geen muur meer, maar een brug.

Nu hij begreep hoe hard ik hem in me wilde, opende hij zijn hart pas echt. Dus begonnen we allebei te gloeien en te knuffelen. Dat ik daar geen stijve van kreeg, was al maanden niet meer voorgekomen.

In de deuropening spraken we meteen af om de volgende dag samen op stap te gaan.

Hij wilde zelfs blijven slapen.


Aangezien de ultieme grens was verlegd, was niets grensoverschrijdend meer. We reden tegen elkaar op tussen de Nijmeegse corpsballen en A. fluisterde onophoudelijk lieve dingen in mijn oren. Daar werd ik wel hard van, maar vooral omdat ik voelde dat het goed zat tussen ons.

En omdat ik bleef hopen dat ik hem met mijn vriendschap eventueel toch nog uit de kast kon lokken. Ik genoot van mijn eigen hardleersheid.

Toen hij later op de avond met wit poeder aan zijn neus een wc-hokje uit kwam gestrompeld, verbaasde ik mezelf door adequaat te reageren. Ik begon tegen hem te schreeuwen en terug aan de bar gooide ik, tot groot vermaak van de hele kroeg, een vol glas bier over hem heen.

Niet uit woede, maar om te bewijzen dat hij me diep teleur had gesteld. Dieper van binnen was ik echter vooral blij. Blij dat hij weer met me meedeed, dat hij de controle weer verloor.

Blij dat dit mijn kansen vergrootten om hem die nacht naakt te zien.


Helaas kwam ik niet verder dan zijn onderbroek.

Hij viel in slaap op mijn bank. Het kostte me moeite om hem met een deken toe te dekken, maar ik ben nooit een verkrachter geweest.

Totdat ik in sliep viel, weigerde ik in slaap te vallen.

En toen ik wakker werd van de brandende zon, was A. verdwenen. Hij had zijn halfvolle pakje sigaretten op het balkon achtergelaten, als bedankje.

Of als afscheidscadeau.


Ik wilde ze weggooien, maar stopte pas met roken toen ik begon te hoesten.

3. De afspraak (III-1)

vrijdag

III.

In de verduisterde bioscoopzaal kon hij even wat minder zijn best doen. Terwijl Thijs zat te genieten van de korte filmpjes, zat Luca te balen over het feit dat hij er vanavond niet meer onderuit kon komen. Het was hun derde date, ze zouden all the way gaan.

Gisteren had hij zijn eerste pakje condooms gekocht. Glijmiddel vond hij te gênant, ze zouden het met vaseline moeten doen. Hij had op het internet gelezen dat homo’s dat wel vaker gebruiken bij anale seks.

Een klysma had hij niet aangedurfd, maar zijn pik was glimmend schoon. Nu hoefde hij er alleen maar voor te zorgen dat er geen verse pis in zijn onderbroek zou komen. Voor een afgekickte broekplasser was dat nog een hele opgave.

Hij schrok van het plotselinge applaus. Toen hij zag hoe Thijs deelnam aan een staande ovatie, deed hij snel hetzelfde.

Waar klapte hij voor?


Ze zaten aan de bar met twee glazen Trippel Karmeliet tussen hen in, intussen al uitgeroepen tot ‘hun’ biertje.

‘Welke film vond jij het meest interessant?’, vroeg Thijs met een glinstering in zijn ogen. Zijn enthousiasme verried dat er blijkbaar maar één antwoord mogelijk was.

 Luca nam een flinke slok, terwijl hij de weinige beelden die hij had opgeslagen naging in zijn hoofd.

‘De tweede? Die documentaire over de grauwheid van Berlijn. Of was dat de derde?’, zei hij, zich er terdege van bewust dat Thijs een liefhebber van architectuur was.

Bingo.

‘Echt he!? Zo tof om te zien wat kadrering en het gebruik van zwart-wit-tinten kan doen met filmbeelden. Ik werd er echt akelig van. Dat wil ik later ook met mijn installaties. Mensen iets laten meemaken. Iets laten voelen. Een ervaring transformeren. Een concept overbrengen. Weet je wel. Zo tof vind ik dat.’

Met enige moeite slaagde Luca erin een brokje kots binnen te houden. De academie creëert geen kunstenaars, maar monsters.

‘Ja, echt super vet. Ik zie jou dat wel doen. Je hebt zulke originele ideeën. Een visie die niemand met je deelt.’

Als Luca genoeg dronk, werd hij een nicht.

Maar Thijs begon te stralen en hield een halfuur niet meer op met praten. Luca deed wat er van hem verwacht werd: hij verdween en hoefde alleen nog maar op de juiste momenten te knikken.

Had hij zijn bed eigenlijk wel opgemaakt?

Wat kut dat hij nog steeds geen bedbodem had gekocht. Een matras op de grond was kansloos ordinair.

Misschien moest hij nog wat koffie drinken. Dan kon hij van te voren nog een keer poepen. En misschien gewoon nog een keer douchen?

Hij wist eigenlijk helemaal niet of Thijs nam of genomen werd. Wat nu als Luca veronderstelt werd hèm te berijden?

Zou hij genoeg hebben aan al die pornofilms?

En wat nou als Thijs ook geen voorzorgsmaatregelen had genomen? Luca moest een bibber van walging onderdrukken. Hij wenkte vlug de ober en bestelde twee shotjes wodka.

Geen tijd voor koffie.


Het was koud, Luca stond te rillen op zijn balkon. Thijs zat binnen te roken, maar hijzelf had even wat frisse lucht en ruimte nodig. Hij grijnsde naar Thijs, die, op de melodie van Under the bridge (de All Saints-uitvoering), rondjes zat te draaien op de blauwe bureaustoel.

De eerste zoen was achter de rug. Ze waren samen naar Luca’s huis gelopen en voor de deur even stil blijven staan. Gelukkig wist Thijs ook niet zo veel te zeggen. Ieder oogcontact werd direct weer verbroken met een verlegen grijns en afgebogen hoofd. Luca telde de fietsen in het fietsenrek en de uitgesmeerde kauwgoms op de stoeptegels onder hen.

De stilte duurde veel te lang.

Heel even verloor Luca de controle over zijn lijf en schokte hij de kou van zich af. Thijs begreep het verkeerd en zette gehaast zijn lippen op de zijne. Zijn kaken schoten direct op slot, maar Thijs’ tong wist ze uit elkaar te wrikken.

-Is dat het nou? Smerig, zo’n lap nat vlees in je mond.

-Na hoeveel secondes is het toegestaan om een kus te beëindigen?

-En waar laat ik mijn handen eigenlijk?


Nu zaten ze samen op het matras. Thijs vroeg of hij mocht helpen met het in elkaar timmeren van een lattenbodem. Luca had het gevoel dat hij instemde met een huwelijksaanzoek toen hij van ja knikte.

Hij zat in de val.

Het zoenen werd al snel plichtmatig. Een natte loop, keer op keer op keer op keer, steeds droger en steeds viezer. Luca bleef paniekerig rookpauzes inbouwen, om op adem te komen en te hydrateren.

Omdat hij niet wilde weten wat er anders zou gebeuren.

Na de zoveelste sigaret trok Thijs, die weer op de bureaustoel zat, hem spastisch op schoot. Het was hem menens nu, Luca voelde dwang in zijn handen en lippen.

Luca’s referentiekader was porno, hij had geen idee hoe romantiek er in het echt uitzag. Dus deed hij maar wat.

Hij liet zich leiden door Thijs’ tong en voelde zijn onderkaak stukje bij beetje uit de kom schieten. Net zo schokkerig voelde hij Thijs’ penis door vier lagen stof opgroeien en volwassen worden. De eikel hunkerde als een magneet naar Luca’s anus, de twee warme, lichamen leken elkaar instinctief te begrijpen.

Maar het was niet romantisch of voorbestemd, zoals je het wel eens in films ziet. Het was Thijs’ pornografische precisie, die Luca eindelijk daar had waar hij hem wilde. En meer nog was het Luca’s verstand, dat begreep wat er van zijn lijf verwacht werd; niet zijn lijf dat begeerte en lust voelde en intuïtief zocht naar een piemel om de leegte mee te vullen.

Sinds de pillenboer hem zoveel troep liet slikken, kende hij geen seksuele drift meer. Al zijn instincten waren vlak en wollig en kwijt. Alleen de stem die schreeuwde dat hij van het balkon af moest springen, brak soms door de wolken heen. Als een oude vriend aan de deur die met een glimlach vroeg of hij mee buiten wilde gaan spelen.

Want buiten zou hij verlost zijn.

Misschien werd het tijd om andere medicatie te proberen.


Het zoenen ging maar door, terwijl Thijs’ heupbewegingen een horizontale salsadans werden. Luca volgde zijn golvende, gênante passen en kronkelde zijn armen strak om Thijs’ nek. De sinaasappelgeur was niet bedwelmend genoeg, hij kon de uitknop in zijn kop niet vinden.

Hij deed maar wat.

Zijn verzet was intussen minstens net zo hard als zijn piemel en dat baarde hem zorgen. Hij had zijn lichaam niet voor niets wijs gemaakt dat hij dit wilde. Hij had Thijs gezoend en hem mee naar binnen gevraagd. Hij had het spelletje mee gespeeld en nu was er geen weg meer terug. Hij moest. Hij moest op een normaal mens te lijken.

En om op een normaal mens te lijken moest hij wel.

Ze verhuisden terug naar het matras, waar Thijs de rollen omdraaide en op Luca ging zitten. De gulzigheid in zijn ogen was oogverblindend. Luca trok hem naar zich toe en dacht aan Labello terwijl het tongdraaien maar doorging. Het duurde te lang.

Het duurde allemaal veel te lang.

Hij greep zich vast een Thijs’ shirt en trok het slobberige ding gehaast omhoog. Een bleke, gebolde buik kwam tevoorschijn, her en der zwarte haartjes die nog wat meer tijd nodig hadden. De geur van sinaasappels werd penetranter, maar was nog steeds niet sterk genoeg.

Luca’s hoofd was een trein, vastgekluisterd aan geoliede, harde, koude rails. Hij raasde maar door en door en door; door een woestenij aan eindeloze lijstjes, ingestudeerde dialogen, paniekaanvallen en een stormachtige levensangst.

Aan tussenstops deed hij niet.

Hij wist dat het pas stil zou worden als hij het eindstation had bereikt.


Alles werd harder. Het tempo, het gezoen, het droogneuken, hun piemels. Alleen Thijs werd zachter. Naast lust was er iets anders in zijn blik geslopen. Het was pas toen hij zijn vingers voorzichtig op Luca’s onderbroek legde en zijn pik begon te strelen, dat Luca begreep wat hij zag: Thijs wilde hem omdat hij hem wilde, niet omdat hij hem wilde willen.

Dat was een probleem. Het ging tegen de afspraak in. In Luca’s fantasie speelden ze een toneelstuk, dat alleen tot een happy ending kon komen als beide partijen acteerden. Als beide acteurs zich aan het script hielden. Hoe bewonderenswaardig Thijs’ improvisatietalent ook was, ze was niet welkom op zijn matras.

Laat staan in zijn armen.

Daar zocht hij naar een tijdelijke ontsnapping, niet naar structurele toenadering. Hij wilde zich voor even heler voelen, maar kon zich niet genoodzaakt zien om voor iemand minder kapot te moeten zijn dan hij eigenlijk was en nog wel even zou blijven.

Dus verhardde hij nog wat harder. Niet in zijn lul, waar Thijs inmiddels zijn lippen omheen had geschoven. Hij verhardde van binnen, waar het pijn deed en koud was geworden.

Hij deed maar wat en hij kon het niet.

Normaal zijn.

Sinds een paar maanden bestond zijn hele lijf uit zijn hoofd en dat was angstaanjagend en eenzaam. En het maakte seks onmogelijk. Of, het maakte het onmogelijk om seks als seks ervaren, en niet als het kijken naar een amateuristische pornofilm waar een lichaam dat op de zijne leek een sleutelrol in speelde.

Luca kon niet normaal zijn en het moest stoppen. Maar hoewel zijn stem zachter was geworden, waardoor Thijs hem niet horen kon, bleef zijn pik hard als staal. Moeten werd nu niet anders kunnen. Het was zijn eigen schuld.

Hij had een afslag genomen en nu wees Thijs hem de weg.

Tegelijkertijd wist hij dat hij het die lieve jongen, die tussen zijn dijen nestelde, niet aan kon doen. Het gezuig zou uren duren en zou niet eindigen in vuurwerk en zaad. Hij hard zijn lichaam ook was, zijn hoofd was altijd harder.

En zijn hoofd wilde stoppen, omdat zijn lijf niets meer voelen kon.

Zou hij zijn eindstation ooit bereiken?

 

Zou het fijn zijn?

3. De laatste kikker

woensdag

We droegen altijd laarzen.

Ik werd geboren als zondagskind, maar S. kwam graag buiten. Toen we voor elkaar kozen, besmette ze me met de behoefte aan klei en zuurstof.

Onze favoriete bezigheid was, naargelang het weer en het seizoen, het vangen van kikkers, padden en sprinkhanen. Tegenwoordig krijg ik de rillingen als ik er aan terugdenk, als klein spring-in-‘t-veld deed ik niets liever.

Er was een strikte verdeling: bij mij thuis, het grote huis aan de dijk, waren vooral veel sprinkhanen te vinden. Als we bij haar speelden, in een tuin die geen grenzen kende, speurden we naar kikkers en padden. Door de aanwezigheid van zoveel sloten  sprongen de beesten praktisch in onze handen. Er waren dagen dat we met gemak meer dan tien kikkers bij elkaar wisten te verzamelen.

Vangen was genoeg; aan het einde van ons speelkwartier lieten we ze netjes weer los.


Slechts één keer braken we onze gouden regel en gingen we bij mij op de dijk achter kikkers aan.

Eerder die dag hadden we achtbaantje gespeeld in de uiterwaarden, waar nieuwe fietspaden waren aangelegd. Oude mensen vonden dat noodzakelijk, wij vonden het geweldig.

Achterstevoren op S.’s bagagedrager wist ik niet wanneer de weg naar beneden zou gaan en welke bochten eraan zaten te komen. De zenuwen nestelden zich als een lichte kriebel bij m’n kruis.

Bij iedere afdaling gierden we het uit, of we nu voor of achterop zaten. Ons gelach en S.’s snot vlogen de hele Maas over.

Niemand die ons hoorde.


Ik gok dat het een zaterdag was.

Hoewel de zon al dagenlang scheen, was alles altijd nat. In mei was het in MK drassig, we wisten niet beter.

De kikkers waren dun gezaaid. S. en ik waren in de loop der tijd echter professionele jagers geworden, met een scala aan locatie-inzichten en vang-strategieën. De dijk werd in twee even grote gebieden verdeeld, we joegen solo.

Enkel als we een flinke kikker tegenkwamen, riepen we elkaar om hulp. Ik voelde me dan een velociraptor. S. vond Jurassic Park te eng.

Maar over het algemeen konden we de jacht prima alleen af. We kenden elkaar al eeuwen en hielden elkaars hand alleen vast als het echt nodig was. S.’s aanwezigheid was vaak ruimschoots genoeg.

Sommige dingen zitten goed zonder dat ze vast zitten.


Het bleef moeilijk om me niet over te geven aan die glibberige sensatie, onvermijdelijk als ze was.

Gelukkig zijn ze geen hoogvliegers, die kikkers. Soms letterlijk, altijd figuurlijk. Met een beetje doorzettingsvermogen en een flinke bijt op m’n tong had ik daarom altijd beet.

Ik voel ze nog tussen mijn vingers krioelen, zich wanhopig afzettend met hun lange, natte pootjes, op zoek naar een kiertje lucht, een spleetje zonnestralen.

Maar Sanne en ik waren snoeihard.

We bewaarden de beesten in een grote vissenkom, die we voor het gemak bij ons op de patio hadden gezet. Deze kom, gevuld met een laag water en wat treurige plantjes, was voor de arme stakkers net te hoog om uit te springen. Dit gaf ons de rust om verder te speuren en een nieuwe record te vestigen.

Zo deden we het altijd en dat ging altijd goed.


De zon begon langzaam te zakken. De jacht zat erop.

Mijn moeder had ons allebei een groot glas limonade gebracht, dat we gulzig leegdronken terwijl we trots onze vangst bewonderden. Negen kikkers was naar omstandigheden helemaal geen slecht resultaat.

Ze kropen over elkaar als pasgeboren puppy’s. Af en toe leek het alsof ze om de beurt een poging waagde om aan de kom te ontsnappen. Acht kikkers keken dan gespannen toe hoe het negende exemplaar de rand keer op keer net niet wist te bereiken.

Even sneu als geweldig. Voor eventjes hadden we onze eigen dierentuin, die we helemaal zelf hadden opgericht. Bezoekers waren er nooit.

S. en ik waren snel en vaak tevreden.


Het werd tijd om er een eind aan te breien. S. moest al een halfuur naar huis. Haar moeder stond ongeduldig te wachten in haar auto, mijn moeder baalde dat ik mijn eten weer eens koud liet worden.

Onze lichamen vormden een cirkel om de kom en eerbiedig omsloten onze handen ieder een kikker. Rustig brachten we ze terug hun drassige thuis.

Normaal gesproken verstopten we ons in kasten of onder een bed om zo lang mogelijk bij elkaar te blijven. Nu haastten we ons niet om alle beesten terug te zetten.

Dat konden ze ons toch niet kwalijk nemen?

Met nummer zeven en nummer acht tussen onze vingers geklemd, hoorden we plots een vlammenwerper boven ons. De luchtballon was of nog aan het opstijgen, of reeds aan het dalen, we konden de mand bijna aanraken. De stemmen van de passagiers leken uit onze keuken te komen.

Met de kikkers nog vast sprintten we de dijk op, waar we beter zicht hadden. Glibberend kropen de kikkers onze handen uit en we keken het wonder na totdat hij achter de toppen van de pastorie verdween.

Schaapachtig lachten we elkaar aan. S. had nogal wat angsten, maar iedere luchtballon deed haar even geloven dat ze kon vliegen.

Ik pakte haar hand vast en vertelde haar zwijgend dat ik haar zou volgen tot aan het einde van de wereld.

Zelfs in de lucht.


We werden uit onze dromen opgeschrikt door de dwingende stem van S.’s moeder, die beneden aan de dijk naar ons stond te schreeuwen. Haastig gaf ik S. een knuffel en een kusje op de mond. We hadden tenslotte ‘verkering’.

Snel holde ik naar binnen. Daar werd ook ik opgewacht door een boze moeder. Ik ging aan tafel zitten en boog mijn hoofd. Als teken van de spijt die ik niet voelde. De spruiten smaakten minder streng dan normaal.

In vele opzichten was de avond die volgde als alle anderen. Mijn broer en ik speelden nog wat Pokémon op onze nieuwe Gameboy, ik plaste in bad en met zijn vieren keken we naar Paul de Leeuw.

Chips op schoot.


De ochtend daarop, de zondagmorgen, sliep ik uit en maakte ik mijn kamer aan kant. Naast het doen van de afwas en het dekken van de tafel, moesten mijn broer en ik iedere zondag onze kamer schoonmaken.

Gelukkig had ik sinds kort een eigen gettoblaster.

Toen ik van mijn vloer kon eten, ging ik naar beneden om op het grote, dikke kleed in de woonkamer te liggen. Als ik niet buiten was, lag ik daar.

Zelfs al scheen de zon.

Na een urenlange Lizzie McGuire-marathon vond mijn vader het welletjes geweest. Mijn broer was met wat buurjongens aan het voetballen en er werd naar me gevraagd. Niemand kon keepen zoals ik.

Hij had gelijk.

Ik trok mijn oude kloffie aan en rende de trap af. Toen ik de achterdeur open deed en een vluchtige blik op onze tuintafel wierp, maakte mijn buik een salto en werd de wereld koud.

We waren er een vergeten.


Op mijn tenen strompelde ik naar de vissenkom. Hoe dichterbij ik kwam, hoe groter het beest werd.

Was hij gisteren ook al zo gigantisch?

De laatste stappen duurden een eeuwigheid. Heel langzaam, en met halfgesloten ogen, boog ik me zenuwachtig over de rand. Daar zat hij, de laatste kikker.

Of, het leek toch alsof hij zat.

Zijn glibberige huid maakte me die dag voor het eerst misselijk, dus ik pakte een takje uit de tuin en duwde daar voorzichtig mee op zijn rug.

Geen reactie.

Mijn hart wist niet meer goed hoe ze kloppen moest, dus ik sloeg mezelf een paar keer op de borst om in leven te blijven. Uit pure wanhoop dook ik met mijn hele hoofd in de oververhitte tombe en probeerde ik oogcontact te maken met het beest. Niets.

Helemaal niets.

Maar ik weigerde het op te geven. Met genoeg concentratie kon ik de kikker misschien weer tot leven wekken.

De secondes werden slakken.

Leef, leef, leef.

Heel traag zag ik zijn linkeroog zich tot een spleetje openen. Het had wat weg van een verlegen knipoog. Ik snakte naar adem en ontdekte dat zijn buikje extreem langzaam op en neer ging. Uit pure paniek had ik gewoon niet genoeg gekeken.


De kikker rustte als een veertje op mijn handen, zo breekbaar zag hij eruit. Hij kon ieder moment meegenomen worden door de wind. Of door de dood. Bij onze vijver bukte ik voorzichtig en strekte ik mijn armen bibberend boven het water.

Zak, zak, zak, zak maar door, door, door.

Ik voelde het water langs mijn vingers omhoog borrelen en het nauwelijks voelbare gewicht van de kikker van me overnemen. Langzaam trok ik mijn handen weg en zag ik hoe de vijver het beest tot zich nam. De druk van het pruttelende waterpompje maakte dat hij in slow-motion zijn pootjes uitstrekte.

Hij was als een hulpeloze Jezus aan het kruis.

Maar zwemmen deed de kikker niet. Sterker nog, hij zonk in een schrikbarend tempo naar de ondiepe bodem. Waarom had hij naar me geknipoogd, als hij er geen zin meer in had?

Radeloos bleef ik hem minutenlang aankijken. Kokhalzend gaf ik hem zelfs nog een paar bemoedigende zetjes met mijn vinger. Alles om uit te stellen wat toch wel de werkelijkheid zou worden.

We hadden hem vermoord.


Die week ging ik iedere avond terug naar de vijver, in de hoop dat ik me had vergist. Dat de kikker gewoon wat tijd nodig had. Zijn deinende lijf, op de donkere vijverbodem, bewees me iedere keer weer het tegendeel.

Ik heb het S. nooit verteld. Als ik zweeg, hoefde zij geen moordenaar te zijn.

Meer kon ik niet voor haar doen.


Ze vroeg me niet waarom ik nu misselijk werd van kikkers. Dat was niet nodig.

Ze pakte mijn hand vast en trok me het natte gras in. Samen lagen we daar, te wachten op de volgende luchtballon. Gek genoeg was de hitte er eerder dan het geluid.

En toen vlogen we weg.

2. Er zijn

vrijdag

Luca keert zijn smalle rug naar de ingang van het café en steekt paniekerig een sigaret op. Hij durft niet naar binnen, bang als hij is voor de onbekende Amerikaan die op hem zit te wachten.

Toegegeven, hij is zijn hand zat en weet dat een warm lichaam het enige is wat hem nog redden kan. Maar hij krijgt standaard diarree van de geforceerde gesprekken die daar aan vooraf gaan. Of dat door de zenuwen komt, of toch door de cocktail van Oxazepam en bier in zijn maag, is al jaren niet meer te achterhalen.

Helaas trekt hij het alternatief, iemands pik in de mond nemen voordat er enig ander mondeling contact is geweest, nog slechter.


Met spaghetti-armen duwt Luca de deur open. Rondkijken is niet nodig.

Daar zit hij.

Houthakkersblouse, hipsterbaardje, grijze kop, want vijftien jaar te oud, te grote handen en een air waar Luca de kriebels van krijgt. Een naar buiten gericht kruis en een blik die bewijst dat de wereld, of toch in ieder geval dit café, van hem en van niemand anders is.

Hij slikt en stapt in hakkelend Engels op de man af.

De twee daarop volgende uren zijn nauwelijks het benoemen waard. Slap gelul over jeugd, werk en wonen, opgeleukt met ongemakkelijke stiltes en de verplichte seksuele innuendo hier en daar.

Luca vindt de opa tegenover hem eerder lelijk dan leuk, maar merkt dat hij, wanneer hij zich focust op diens behaarde mond en ferme benen, toch behoeftes voelt opborrelen.

Hij stemt daarom geruisloos in met het plan om nog wat te gaan drinken bij de Amerikaan thuis, zich er terdege van bewust dat er meer dan een kopje thee op het programma staat


Luca is een studentenhok van tien vierkante meter gewend, de Amerikaan beschikt over een eigen keuken, een eigen badkamer en een eigen balkon. Overal rommel, overal stank, de condooms, het glijmiddel en de tissues niet eens opgeborgen. Er wordt hier vaak geneukt.

Aan het onopgemaakte bed te zien misschien gisteren nog wel.

Luca voelt zich een hoer. Zelfs alleen op het balkon, waar hij de frisse lucht die hij inademt, mengt met de rook van zijn laatste sigaret. Het is niet zijn eerste onenightstand, maar het lijkt maar niet te wennen.

Klaarkomen doet hij zelden.

Toch is de wellust in zijn lijf vaak onstilbaar als een lintworm, en laat zijn lul zich, eenmaal opgewarmd, niet klein krijgen door twijfels. Soms zou hij het ding er het liefst gewoon afhakken, dan was hij in een keer van al dat gedoe af. Op internet had hij gezien dat een goed broodmes en een snijplank genoeg konden zijn.

Plassen kan hij ook wel met een stoma.


Binnen probeert de Amerikaan wat radiozenders uit, op zoek naar iets om Luca stijf mee te krijgen. Zijn doorzettingsvermogen is op een perverse manier aandoenlijk en Luca schuift tegen hem aan op de bank.

‘I like your place,’ liegt hij.

‘Thanks, man. It’s alright, I guess.’

‘You don’t like it, then?’

‘I do. But I need you to shut up now,’ gromt de stoere man tot in Luca’s kruis, terwijl hij zwaar voorover leunt en met zijn mond de aanval inzet.

Luca zet zich schrap en beantwoordt met gepast enthousiasme de getuite lippen die voor zijn gezicht hangen.

De zoen is veel te nat.

Luca huivert als hij denkt aan de tong van Taco, de bejaarde hond van zijn ouders. Voor het lieve beest, doof en dement, geldt er maar één regel: hoe meer kwijl, hoe beter.

Zouden gezonde homo’s dezelfde geboden hanteren?


Op zoek naar afleiding legt Luca zijn hand op het Amerikaanse kruis naast hem; die XXL op het profiel van meneer blijkt schromelijk overdreven.

En dat is deels zijn eigen schuld. Dat bruinwerkers liegen over hun gereedschap is simpelweg een kwestie van vraag en aanbod.

Maar het deert niet.

Sterker nog, het zal de penetratie een stuk minder pijnlijk maken. Ook porno liegt: homo’s die op grote piemels jagen genieten minder en weten bij benadering best hoe het voelt om een kind te baren.

Het kwijlen gaat maar door, terwijl kledingstukken wild en onhandig worden uitgetrokken. Wanneer Luca met zijn gezicht in de boxer van de Amerikaan duikt, is de geur van ammoniak niet te missen. Snel trekt hij het stuk stof naar beneden. Hij begint te zuigen en begraaft zijn handen diep in het harige oerwoud op de borstkas voor zich. Schaamhaar, dat zijn krul voor een deel al verloren heeft, blijft aan en in zijn mond plakken. Hij buigt zijn hoofd verder naar voren, zodat hij de haartjes onopvallend weg kan plukken.

Het hoort er allemaal bij.


Na drie minuten wezenloos pijpen, draait de Amerikaan de rollen om. Hij vouwt Luca’s benen om zijn lijf, pakt hem op bij z’n billen met zijn te grote handen en smijt hem op zijn rommelige bed. Daar trekt hij ruw Luca’s onderbroek uit en met waanzin in zijn ogen begint ook hij te slurpen.

Luca ligt daar maar.

En stoot op de juiste momenten zijn bekken omhoog.

En kreunt op de juiste momenten van geveinsd genot.

En kroelt op de juiste momenten door futloos grijs haar.

Om te laten weten dat hij er nog is.

Zijn gedachtes dwalen af naar eerder die dag, in de supermarkt. Hij was zijn pinpas vergeten en de hele rij had gehoord hoe hij tegen de caissière had staan stamelen. Hij voelt zijn hoofd weer rood worden.

Zo rood werd hij ook toen zijn oom hem vroeg of hij nou al een vriendinnetje had, op de verjaardag van zijn tante zes jaar geleden.

En ook toen zijn moeder hem overdag snapte tijdens het masturberen, wat je nu eenmaal regelmatig doet als je 13 bent.

Of toen hij per ongeluk een scheet liet, terwijl hij met heel 4VWO naar Gladiator zat te kijken.

En toen hij voor het eerst een bult in zijn schaamstreek ontdekte, waarvan hij 110% zeker wist dat het kanker was.

Of toen hij tijdens zijn eindexamen Wiskunde een klein beetje in zijn broek plaste.

En toen hij voor het eerst gekscherend homo werd genoemd door een klasgenootje in groep 7.


Of toen hij ontdekte dat de man die hem als een beest lag te ontmaagden helemaal geen condoom had omgedaan.

Hij had tot ver na zijn eerste bloedtest aids gehad, hoe vaak zijn huisarts ook het tegendeel had proberen te bewijzen.


En nu ligt hij hier, terwijl de Amerikaan een vinger in zijn anus duwt en zuigt en spuugt alsof hij zijn leven er vanaf hangt.

Steun. Stoot. Kroel. Hij is er nog.

Pijpen zonder condoom, is dat eigenlijk gevaarlijk? Iedereen doet het, maar Luca weet na al die jaren eigenlijk nog steeds niet of het wel okay is. Zeker niet als je bedpartner zijn glijmiddel op de eettafel laat staan.

Toch blijft hij stijf. Zijn piemel.

Blikken vinden elkaar in het midden van de kamer en de Amerikaan zet zijn lippen, nu nog natter en ook een beetje zout, opnieuw op die van Luca. Heel even voelt Luca iets hards tegen zijn kringspier duwen. Hoewel er niets naar binnen gaat, slaat de twijfel nu echt toe.

Luca pakt het gezicht van de Amerikaan vast, duwt hem wat van zich af en kijkt in zijn ogen. Hij vindt er geen veiligheid, enkel rabiës.

Ze zijn elkaar ook niets verschuldigd; fatsoen is voor mietjes.

Dus houdt Luca zijn mond. Hij begrijpt heus wel dat het niet geil is, praten over aids tijdens de seks. De Amerikaan likt over zijn eigen lip, klaar om verdere actie te ondernemen. Maar Luca fantaseert intussen korsten op die lip, en voelt abcessen openbarsten op zijn eigen benen. De verstikkende luier die hij draagt, kan al het pus niet aan. Het schuurt en het stinkt.

Hij hoort zijn moeder krijsen en zijn broer schreeuwen, terwijl een dokter in vergrijsd wit de gigantische naald in zijn arm boort. Zijn vader kijkt schuldbewust de andere kant op. De dokter spuit, maar niet op tijd en niet genoeg. Luca’s blik verliest focus. De computers en apparaten om hem heen piepen met steeds langere tussenpozen, totdat één eindeloze klank de kamer, de gang, de hal, de parkeergarage, het ziekenhuis en uiteindelijk de hele wereld langzaam vult met een oorverdovende stilte.

Houdoe en bedankt.


Zijn hele lijf verslapt. De Amerikaan heeft plots een loos stuk vlees in handen en kijkt geïrriteerd omhoog.

“What is it?!”, bijt hij.

Luca bijt terug, door niet in huilen uit te barsten.

Maar wat moet hij zeggen? Dat hij denkt dat de beste man hem vergiftigd heeft? Dat hij alleen zal blijven, omdat hij enkel weet hoe hij een hoer moet zijn? Of toch dat Luca de grote, harige armen van de Amerikaan om hem heen zo hard nodig heeft, omdat hij beschermd moet worden tegen de enge vormen die de buitenwereld in zijn binnenwereld heeft aangenomen?


‘It’s not you. It’s me’, zegt-ie.

Want als hij in clichés spreekt, klinkt hij misschien minder gek.

Trillend trekt Luca zijn kleren aan, terwijl hij de gebluste lust in de kamer voelt na smeulen. Hij durft zijn ogen niet meer van de grond af te halen, dus laat hij ze daar.

Terwijl hij weg schuifelt, laat zijn Engels hem weer eens in de steek. “Doeg”, mompelt hij, en hij steekt zijn hand op om zijn afscheid wat meer kracht bij te zetten.


In de deuropening kijkt hij voorzichtig achterom. De Amerikaan lijkt hem al vergeten te zijn en grijpt verwilderd een flaslight van zijn nachtkastje. Een anus zonder verleden, een leegte die gemaakt is om opgevuld te worden.

Daar kan geen hoer tegenop.

En gelukkig maar.

2. Polderkamp

woensdag

In de warmste week van het jaar werd een grote weide bij ons in de buurt leeg geruimd voor een zesdaags spektakel vol buitenactiviteiten als hutten bouwen, vuurtjes stoken, waterspelen, bonte avonden en rommelmarkten.

Bang als ik was voor de kinderen uit nabijgelegen dorpen, nam ik slechts tweemaal deel aan dit groots opgezette polderkamp. De eerste keer was ik nog erg klein, ik weet er weinig meer van. Enkel dat ik het vreselijk vond en dat ik uit pure verlegenheid constant in mijn broek plaste.


Mijn tweede kamp vond plaats in de zomer dat we van groep 7 naar groep 8 gingen. De paar kinderen daargelaten die met hun ouders weg waren, was mijn hele klas aanwezig.

Net voor de vakantie had er een oorlog plaatsgevonden. B., één van mijn beste vrienden, die pas een paar jaar bij ons in het dorp woonden, was collectief uitgekotst door mijn klasgenoten. Ik weet niet meer precies waarom. B kende een verwarrende schoolcarrière: het ene moment was hij de populairste jongen van de klas en waren alle meisjes verliefd op hem, het volgende moment werd hij getreiterd en buitengesloten.

Misschien kwam het doordat hij een kleurtje had. Het feit dat hij dolgraag zaken op de spits dreef, mensen op de kast joeg en verbaal nogal grof was, speelde waarschijnlijk ook een rol.

Enfin, in de zomer van 2001 werd hij gehaat. En dat was lastig, want men ging over lijken om tijdens polderkamp bij zoveel mogelijk vriendjes en vriendinnetjes ingedeeld te worden. Alles beter dan overgeleverd te zijn aan een stel onbekende randdebielen.

Ik werd verscheurd van binnen. Ook ik wilde deze week met zoveel mogelijk kameraadjes doorbrengen. Maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen B. in de steek te laten.

We hadden de week ervoor enkele dagen bij zijn ‘oma’s’ gelogeerd (twee nonnen die hem in zijn turbulente jongste jaren bij hadden gestaan) en daar was ik nog flinker van hem gaan houden. Dat we groepsgenoten zouden worden, stond daarom buiten kijf.

Ik was zijn vriend; mijn rug zou hij nooit te zien krijgen.

Ik haalde de leiding erbij en legde gepassioneerd uit dat B. gepest werd. Maar zoals ik al verwachtte, hadden de zestien- en zeventienjarige jongeren weinig geduld voor mijn verhaal.

Ze waren te druk met zichzelf.

Met glazige ogen haalden ze hun schouders op; dat we het lekker zelf uitzochten. Mijn ingewanden waren van steen. Vastberaden greep ik B. bij de hand en keerde ik de rest van mijn klasgenootjes de rug toe.

Zij mochten hem wel zien.

Als een wolvenroedel stak mijn klas het grote veld over, twee pokdalige begeleiders in hun kielzog. B. en ik verdwenen in een groep kinderen uit het dorp naast ons. Een paar grietjes kende ik vaag van tennis, de vier jongens had ik nog nooit eerder gezien. We werden geëscorteerd door drie giechelende meiden. De dikste van het stel vertelde me dat alles heus goed zou komen en dat ik veel nieuwe vriendjes zou gaan maken. Ik vond haar lief en dacht dat ze al oud was, dus probeerde ik haar te geloven.

Het lukte me niet.

B. leek nergens last van te hebben, die vermaakte zich overal wel. Totdat hij iets lelijks zei of deed en iedereen een hekel aan hem kreeg.

Het was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?


Een groot deel van die zes dagen is in een waas van heimwee, eenzaamheid en hevige spijt aan me voorbij gegaan. Ik wilde alleen maar naar huis om te huilen, me te laten troosten door mijn moeder en boeken te lezen in bed. Ook ik was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?

Sommige herinneringen staan als tatoeages op mijn netvlies gekrast, lelijk en onuitwisbaar. De alles verzengende hitte, bijvoorbeeld, die onze hersenen langzaam tot appelmoes maakte. Het zwembad, dat midden op het terrein stond, kon door alle pis na een dag al niet meer de gewenste verkoeling bieden.

Of de gil die Melanie gaf toen ze door een wesp werd gestoken. Ze was het eerste meisje dat me ooit uitschold voor ‘homo’ en ze ging door merg en been.

Of de gierende lach van een van mijn beste vriendinnen, die aan de overkant van het veld met de rest van mijn klasgenoten een krakkemikkige hut van pallets stond te bouwen. Haar geluk walste als een ijskoud strijkijzer over mijn hart. Ze deed meer pijn dan de zonnesteken en splinterwonden die we die week allemaal op zouden lopen.


Maar het is vooral de dropping, op onze een-na-laatste avond, die me nog steeds achtervolgt.

Rond een uur of 9 ’s avonds werden we samen met onze begeleiders midden in een bos afgezet, met een handgemaakte kaart en de mededeling dat we binnen een uur het eindpunt moesten bereiken om niet buitenspel gezet te worden. Als groep beschikten we over één half afgekloven, rauwe kotelet; dit stuk vlees moesten we tegen enge figuren aangooien als ze ons aanvielen. Dit zou ze ‘vermoorden’.

Soms is niets zo gek als de werkelijkheid.

Ik verschanste me veilig tussen twee van de begeleidsters. Ik kon als kind goed opschieten met oudere meisjes, omdat ze me zo aandoenlijk vonden. Die avond buitte ik deze reputatie volledig uit en verplaatste ik mijn hoofd met gesloten ogen van de ene boezem naar de andere.

De eerste paar minuten leek er weinig aan de hand. Ergens in de verte hoorden we gegil en het geschreeuw van een kettingzaag. Bij ons heerste slechts opgefokte anticipatie-angst. B. was als één van de weinige compleet in zijn element; hij was nergens bang voor.

Na verloop van tijd bereikten we een zanderige open plek, dat opgesierd werd door een rood verlicht tentje. Mijn escortes slaakten hysterische kreten van enthousiasme, omdat ze wisten dat de zigeunerin in de tent een goede vriendin van ze was.

Een vierde wand kenden ze in de polder niet.

We propten elkaar naar binnen, het paste eigenlijk niet, en hoorden hoe de ‘waarzegster’ met een hoop nutteloos spektakel voorspelde welke kant we op moesten. Toen ik een glimp van haar ogen opving, zag ik dat ze bij mij in de straat woonde.


De route dreef ons regelrecht naar de kettingzaag. Schuifelend vroeg ik me af waar we mee bezig waren.

Ik moest ontzettend plassen.

Maar ik durfde niet in het openbaar. Al helemaal niet staand; ik plaste sinds mijn vierde blaasontsteking alleen nog maar zittend. Vervelend, want door de spanning liep de druk steeds hoger op. Toen ik in de verte een gigantische knal hoorde, liet ik daarom toch maar een druppeltje lopen. Was dit onderdeel van de dropping?

Of was er noodweer op komst?

Ik slikte wat tranen weg en greep me vast aan de dikke begeleidster, mijn favoriet. Zolang ik haar tegen me aan kon voelen, zou het allemaal vast wel goed komen.

Het bos werd met iedere hartslag zwarter. De kettingzaag, waar we langzaam maar zeker op af stevenden, krijsten tegen het gedonder op. Alles om ons heen was gewelddadig geluid. Alles kwam steeds dichterbij.

Ik had intussen mijn vrije hand door de vingers van Viola heen gevlochten. Het meisje blafte als een hond en had een indrukwekkend paardengebit. Belangrijker nog, ze was verliefd op me. Vanavond liet ik haar in de waan, anders zou ik door mijn hoeven heen zakken.

Ineens kwam een bosje rechts van ons tot leven; Viola’s hand was als klei in de mijne. Een gemaskerde man sprong het olifantenpaadje op, zijn gigantische, oorverdovende kettingzaag hoog in de lucht. Stampvoetend kwam hij op ons af, schreeuwend, met een maniakale lach.

In minder dan een seconde sloeg onze anticipatie-angst om in totale paniek, zelfs bij onze begeleidsters. Er werd gegild, er werd gehuild, er werd geroepen. We waren ineens geen groep meer, maar een groep individuen.

WIE HAD DE KOTELET!?

B. was kwijt en ik wist direct dat hij het stuk vlees bij zich had. Waarschijnlijk stond hij ons stilletjes ergens uit te lachen. Waarom moest hij alles altijd zo moeilijk maken? Soms leek het alsof hij het niet kon hebben, dingen die goed gingen.

Alsof hij ze niet verdiende.

Maar wat was hij stoer. Hij had niemand nodig en schreef iedere dag weer zijn eigen verhaal. Ik kende niemand zo eigengereid als hij en dat was precies waarom ik zo veel van hem hield.

Hij maakte niet alleen mijn leven leuker, bovenal maakte hij mìj leuker.

Zelfs nu, in het donkere bos, wist ik ineens weer dat ik niets te vrezen had. B. was hier, hij was onze regisseur. Ik maakte me los van mijn beschermengelen en probeerde door de bomen zijn krullen te vinden.

Ik zag ze nergens, maar ik kon zijn grijns voelen.

Dat was altijd al genoeg geweest.


De beul stormde als een wild zwijn op ons af. Achter zijn masker herkende ik het moment dat de twijfel toesloeg. Hij had het groepje gillende kinderen bijna bereikt. Dichterbij komen was onverantwoord, maar als hij zijn pas in zou houden, zou hij het sprookje verpesten.

Ik hoorde zijn zaag haperen.

B. hoorde het ook.

Zijn timing benam me de adem.

Als een redder in nood, de James Bond die wij onszelf soms waanden, sprong hij tevoorschijn. Luidruchtig en hilarisch, precies zoals hij was.

“PAK AAN, EIKEL!” schreeuwde hij.

Hij gooide de vlezige homp recht in het gezicht van onze moordenaar. Diens masker vloog door de lucht en de man wankelde op de tast. De schrik droop zichtbaar van zijn pokdalige gezicht. Een paar tellen bleef het stil. Toen draaide hij zich om, waarna hij kermend het pad afrende.

Het gevaar was geweken. Even was B. de held van de dag.


De redding kwam helaas niet voor iedereen op tijd. Ruben, een druk joch van 1 meter 20, had de spanning niet lang genoeg aangekund en was krijsend het bos in gerend. Door de zwarte schemer en zijn blinde paniek, had hij daarbij een boom over het hoofd gezien.

De ontmoeting tussen zijn hoofd en het hout, dat precies samenviel met het kletsende geluid van B.’s worp, was tientallen meters verderop nog te horen. Alsof hij de stam met zijn schedel doormidden had willen breken.

We vonden hem ineen gerold aan de voet van de boom, zijn handen voor zijn ogen geslagen. Vol adrenaline wist niemand een woord uit te brengen, te bang voor wat hij daaronder verborgen hield.

Mijn favoriete begeleidster strekte voorzichtig haar handen uit en trok daarmee langzaam de zijne weg.

Ze opende de doos van Pandora.

De linkerkant van zijn voorhoofd had het formaat van een flinke tennisbal aangenomen, het bloed gutste er met liters tegelijkertijd uit. Niemand haalde nog adem.

Ik zag de begeleidster een duistere blik uitwisselen met een van haar vriendinnen. Ze fluisterden wat heen en weer, geluidloos maar geladen. De een trok haar blouse uit en drukte deze tegen de bal op Rubens hoofd, de dikke verdween stilletjes tussen de bomen.

Mobieltjes had men in die tijd nauwelijks.


De afwezigheid van geluid, op Rubens zwanenzang na, was bodemloos. De euforie om B.’s redding was nergens meer te bekennen.

Tegen elkaar aan gekropen telde onze groep de secondes af, tot plots de lucht boven ons openbrak. Een geweldige bliksemflits verlichtte het bos en ik vond voor heel even de ogen van B. dicht naast de mijne. Gegil om me heen.

De donkerte die terugkeerde was dikker dan een tel daarvoor. De donder kwam veel te snel, gevolgd door een stortvloed aan regen. Uit het hele bos stegen nu geluiden van huilende en schreeuwende kinderen op, onderbroken door gerommel in de lucht.

Het weerlicht was boven, onder en achter ons; de duisternis werd om de haverklap uit elkaar gereten door onverbiddelijke flitsen. Hoewel ik B. naast me wist, liet ik nog wat druppels plas lopen.

Ik was toch al nat.


Ik zag de bomen om me heen getroffen worden door de bliksem en ons bedelven onder hun zware, oude takken. Ik zag mezelf sterven in dat bos, ver weg van mijn ouders, een broek vol plas, de hand van B. in de mijne.

De ogen van mijn groepsgenoten verraadde eenzelfde paniek. Alleen B. leek het allemaal wel grappig te vinden. Grijnzend had hij zijn hoofd in zijn nek gelegd, zijn armen wijd uitgestoken. Hij genoot van de regen, van het stralende licht, van de angst en de adrenaline.

Ik heb me vaak afgevraagd of hij misschien een doodswens had. Dat hij zich zo goed over kon geven aan de ellende die hem overspoelde, omdat hij op zoek was naar iets dat alle pijn zou verjagen. Iets dat hem kon verenigen met zijn dode moeder en zijn verdwenen vader.

Hoe hij daar stond te lachen in de regen wist ik dat ik hem zou volgen tot het einde.


Plots klonk er luid geritsel achter ons. Het was onze begeleidster maar, die hulp en goed nieuws met haar meebracht. De dropping was afgelast.

De opluchting was hoor- en voelbaar. Een van de hulpliederen, een gespierde blonde god met spikes vol groene gel die, zelfs met al die regen, zo hard als staal waren, boog zich met een felle zaklamp voorzichtig over Ruben heen. Het jochie keek hem met half dichtgevallen ogen en bibberende lippen aan.

Al dat rood glinsterde prachtig in het licht van de zaklamp, ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. De blonde bink zakte nog verder naar de grond en raapte Ruben met kracht en beleid op. Het was eindelijk tijd om te gaan.


Meer dan honderd kinderen en begeleiders zaten op elkaar gepropt in een klein café, in afwachting van onze ouders, die ons ieder moment op konden komen halen. B. zat een stukje van ons groepje af.

Men had, zoals ik had voorzien, besloten dat alles zijn schuld was.

Ik voelde de spagaat al hangen, maar had op dat moment de energie niet om voor B. te kiezen. Heel even nog wilde ik me onderdeel van de groep voelen. Voordat ik, voor de zoveelste keer, vrienden zou verliezen omdat B. voor alles en iedereen ging.

Bovendien had ik mijn eigen oorlog te voeren. In alle paniek had ik mijn broek volledig vol gepist en het kon nooit lang duren voordat iemand de stank van mijn urine op zou vangen.


Bezorgde verzorgers druppelden één voor één naar binnen, paniekerige kinderen druppelden één voor één met hen naar buiten.

Daar had je de vader van B. Hij werd omringd door kleine wolkjes razernij, die uit zijn oren spoten. Ook hij had blijkbaar besloten dat zijn geadopteerde probleemzoon verantwoordelijk was voor de afloop van deze kutavond. Het zou me niets verbazen als hij een manier zou vinden om zelfs het slechte weer op B. te verhalen.

Die rood aangelopen man was de belangrijkste reden dat ik het zo spannend vond om bij B. te gaan spelen. Tegen mij was hij altijd vriendelijk, maar niets weerhield hem ervan zijn zoon te vernederen waar ik bij was.

Voordat hij zich tot B. wendde om hem aan zijn kraag mee naar huis te slepen, liep hij op mij af om me een warme schouderklop te geven. Hij leek zich aangetrokken te voelen tot mijn zachtheid, die hij zelf ontbeerde.

Het stel liep ruziënd naar buiten. B. keek nog even achterom en zocht mijn steun in de drukte. Ik volgde hem met mijn ogen, totdat hij uit het zicht verdween.

Voor hem moest het onweer nog beginnen.


Alles was intussen opgedroogd, behalve de grote pisvlek in mijn broek.

Mijn rugzakje lag opzichtig tussen mijn benen. Dadelijk zou men eindelijk inzien dat ik een mislukkeling was. Een peuterziel gevangen in het lichaam van een tienjarige homofiel. Een klein kind dat zijn plas liever liet lopen dan een volwassene te moeten vragen waar het toilet was.

Zonder mijn moeder was ik reddeloos verloren.

Mijn broek voelde warm en het stof schuurde aan de binnenkant van mijn benen. Al zo lang ik me kon herinneren had ik vies eczeem en bruinige korsten in mijn liezen. Als ik te vaak in mijn broek plaste, braken deze open en liepen er druppels pus naar beneden.

Dat was niet alleen gênant, maar ook pijnlijk.

Alsof de binnenkant van mijn broek vol zat geplakt met grote plukken brandnetel.


Het was daarom dat ik me op de grond van dat café zo min mogelijk probeerde te bewegen. De gesprekken over de tennisbal van Ruben gingen volledig langs me heen; ik had al mijn concentratie nodig om de geur van mijn pis weg te denken.

Als ik het niet kon ruiken, kon dat rest dat misschien ook niet.

Ik verloor de controle over mijn tong, wat ik altijd deed als ik me hard concentreerde. Ongemerkt verzamelden de tranen zich in de hoeken van mijn ogen, zo hard beet ik erop.

En toen was daar ineens mijn vader.

Vriendelijk en bezorgd boog hij zich over me heen. Toch kon ik maar net voorkomen dat mijn tranen veranderden in een hysterische huilbui.

Want hij was mijn moeder niet.

Door hem voelde ik me klein, verward en anders. Door hem voelde ik me een mislukte versie van mijn grote broer. Door hem voelde ik me een wandelende teleurstelling.

Omdat hij de man was die ik wilde zijn, maar nooit worden zou.

Mijn moeder zou me troosten als ze mijn natte broek zou zien, mijn vader zou boos worden. Dus stond ik met overdreven veel beleid op, de tas strak tegen mijn natte kruis gedrukt.

Mijn vader drukte zijn hand stevig op mijn rug en duwde me voorwaarts. Iedere stap deed pijn. Bij de uitgang wierp ik een laatste glimlach over mijn schouder en knikte ik naar de kinderen die voor heel even nog mijn vrienden waren.

Morgen zouden B. en ik weer samen alleen zijn.


Het vragenvuur van mijn vader, over onze avonturen in het bos, werd om de paar seconden afgekapt met schuine blikken in de achteruitkijkspiegel. De zoutzoete, weeïge geur die me omhulde, was onmisbaar.

Maar hij zag hoe rot ik me voelde en beet op zijn woede. Hoewel ik bang voor hem was, was ik hem daar uiterst dankbaar voor. Hij hield van me, zelfs als ik niet wist of ik ook van hem houden kon.

Dat moest voor nu genoeg zijn.

Thuis zou ik me huilend achter mijn moeder kunnen verschuilen. Zij zou de woorden kennen die ik nodig had. Zij zou de woorden kennen om me weer beter te maken.

Ik zou me getroost en geliefd voelen in haar armen. Ik zou de laatste dag van het kamp thuis mogen blijven, omdat ik wel genoeg mee had gemaakt. Ik zou haar een knuffel geven en niet naar haar luisteren.

Zo’n vriend was ik en zo’n vriend wilde ik blijven.

naamloos (1)

maandag

Sekslijn

(…)

Maar zo begon het allemaal niet.

Het begon met zijn borsthaar.


S. kende ik nog niet, en ik had in die periode nauwelijks contact met mijn huisgenoten. Alleen met H. de Eerste.

Ook haar spreek ik niet meer, maar dat is een ander verhaal.

Ik miste de kijkavond waarop A. gekozen werd. Ik was dat jaar penningsmeester van mijn studievereniging, waardoor ik meerdere avonden per week op borrels aanwezig diende te zijn. Het boeide me weinig wie mijn nieuwe bovenbuurman zou worden.

Ik had al genoeg zorgen; ik woonde alleen in N. om niet meer bij mijn ouders te hoeven slapen.

De eerste keer dat ik hem tegenkwam, was hij al bijna drie weken mijn huisgenoot. Ik had er een talent voor, langs mensen heen leven. Maar hij bleek soms te roken, net als ik, dus ineens zaten we samen op ons dakterras, dat naar oud afval en rottende muizen stonk.

Hij was mooi, dat zag ik zo. Een grove, Oost-Europese neus, een hoekige en sterke kaak, een borstelige mono-brauw, baard- en snorgroei waar niet tegenop te scheren viel en, naar wat ik kon zien, genoeg vlees aan zijn botten om je tijdens de seks stevig aan vast te grijpen. Verder kwam mijn pik toen nog niet, aangezien hij het vervelende, luidruchtige en populaire type was dat ik in lange repen bloederig vlees kapot wilde schillen met een kaasschaaf.

Ik ben nooit fan geweest van mensen die veel ruimte innemen.

De wereld is al zo vol.


Ik wilde dat hij wegging, zodat ik mijn wijn in rust op kon drinken. Hij leek het daar niet mee eens te zijn en vulde zijn koffiekop tot de rand met de inhoud van de fles tussen ons in. Te schijterig om hem tegen te houden en te verlegen om weg te lopen, zaten we plots te lang met elkaar opgescheept.

“Je bent homo, hè?”, vroeg A.

“En wat dan nog?”, beet ik terug.

“Niks man. Het was maar een observatie. Homo’s zijn chill.”

Ik verdroeg zijn bruine ogen slecht, dus staarde ik naar zijn sigaret terwijl ik van ja ja mompelde. Zijn nonchalante zelfverzekerdheid was giftig en besmettelijk. Hoe hij daar rustig aan zijn peuk zat te zuigen, af en toe een flinke slok van mijn wijn nam en over zijn coole vrienden begon te vertellen. Ik haatte hem direct, en wilde direct zijn zoals hij.

Die avond kwamen we nauwelijks dichter tot elkaar. Hij praatte, ik luisterde en bedacht manieren om daar sociaal wenselijk weg te komen. Dat lukte me pas toen ik al een halfuur te laat was voor een afspraak met een studiegenootje. Ik loog dat ik schrok en maakte hem met een gilletje wijs dat ik haar helemaal vergeten was en meteen weg moest.

Gek genoeg werd er pas op mijn 25e een sociale fobie gediagnosticeerd.


Toen ik opstond, en hij mijn voorbeeld volgde, vatte ik vlam.

Zijn gezicht had indruk gemaakt, maar het was zijn lijf dat me over de streep trok. Zijn marmeren dijen waren pezig en drukten de binnenkant van zijn broek naar buiten, waardoor de spijkerstof zich strak om zijn brede benen spanden. Zijn blouse was door het lange zitten omhoog getrokken; zijn donkere, krullerige sekslijn schaamde zich nergens voor. De omtrek van zijn piemel, waar hij later vaak enthousiast met me over sprak, was duidelijk af te lezen aan zijn broek en loszittende, zwarte boxer, waarvan de geribbelde rand deels zichtbaar was.

Dat kon ik allemaal nog wel hebben.

Maar toen zag ik het zwarte borsthaar door de losse ruimtes tussen zijn blouseknopen naar buiten groeien, op zoek naar lucht.

Ik ook snakte naar adem. Ik had genoeg porno gezien om eindelijk de rest van zijn harige, vleselijke lijf erbij te fantaseren. Plots zag ik mezelf op zijn lul zitten, terwijl ik hem bereed als een rodeostier. Ik voelde de haren op zijn benen langs mijn kikkerbillen schuren, terwijl ik me vastklampte aan de haren op zijn borst. Hij vulde me diep en krachtig.

Ik moest een kreun onderdrukken toen ik verrast werd door mijn stijve piemel, die pijnlijk langs mijn onderbuik omhoog kroop, geremd door mijn strakke onderbroek en mijn ongeschoren schaamhaar.

Ik kleurde rood.

A. liep langs me af naar binnen en gaf me een knipoog, waarna hij het geheel afrondde met een ferme klap tegen mijn billen. Het kon bijna niet anders dan dat hij nu ook mijn omtrek kende.

Ik onderdrukte mijn rillen en stak met gesloten ogen nog maar een sigaret op. Mijn studiegenootje kon wel wachten.

Het was toch al te laat.

 

Wonderbar

(…)


Met een halve kilo kippenvleugels en een slof sigaretten zat ik een paar minuten later op mijn balkon. S. was fan van Radiohead, dus had ik Kid A opgezet. De klok sloeg half vijf.

Zo vroeg was ik al weken niet meer thuis geweest.

Mijn kamerdeur stond wagenwijd open, zodat mijn huisgenoten konden zien hoe ik in mezelf zat te snijden als ze thuiskwamen. Bang als ik was om echt te gaan bloeden, probeerde ik mezelf dan maar te verminken met een nagelschaartje. Dat lukte niet, en ik walgde van die ironie. Hoe kon ik laten zien dat ik pijn leed, als ik mezelf niet eens pijn durfde te doen?

Na een uur krassen en roken en eten hoorde ik de voordeur open en dicht gaan. Luide stemmen kropen langs de traptreden en door de smalle gangen omhoog. Het waren er te veel. Ik herkende het geroep van S. en R. en T. en J. en J., aangejaagd door de kakelende lach van H. Maar de groep was groter.

De angst in mijn keel groeide. Ik moest gevonden worden door S. of H. Of, met een beetje geluk, door A., die met behulp van cocaïne altijd als laatste thuiskwam.

(…)

Bovenal moesten ze me redden.

Van hun. Van dat huis. Van mezelf.

Ik zette de muziek harder, om het feestgedruis van beneden te overstemmen. De buurman, mijn oom, had pech vannacht. Niemand was in staat rekening met hem te houden, want we hadden allemaal iets te bewijzen.

Een kwartier later klonk er gestommel op de trap. Met een brandende peuk in m’n mond en het nagelschaartje op mijn knie bereidde ik me voor op mijn interventie.

Maar die kwam niet.


Twee nichten in de deuropening. Ik had ze nog nooit gezien en kon het walgelijke idee niet onderdrukken dat S. ze wellicht naar boven had gestuurd om mij af te werken.

Ik verstopte het schaartje en vroeg ze op barse toon wat ze op mijn drempel deden. Mijn verdriet wilde ik ze besparen, maar ik was niet meer in staat sympathie te veinzen. Een hoogtepunt van de avond.

Waar de wc was, wilden ze weten. Hoewel ik ze niet geloofde, gaf ik ze wel antwoord. De lange, slungelige variant moest inderdaad pissen. Hij weigerde de deur te sluiten, zijn gekletter klonk boven Thoms iele stem uit. De andere, een korte kerel met blonde krullen, liet zich op mijn bed vallen en vroeg hoe het met me ging, niet wie ik was.

Door de glinstering in zijn ogen voelde ik heel even dat ik hem de waarheid kon vertellen. Dat ik radeloos was, en zo ontzettend eenzaam. Dat ik doodongelukkig was. En doodop. Dat ik niemand meer kon vertrouwen, zeker mezelf niet. Dat ik A. in me wilde en dat hij me dan de vergetelheid in zou neuken. Dat ik hulp nodig had en dat S. me die hulp niet meer geven kon. Dat ik verloren was.

En dat ik gevonden wilde worden.

Maar dat zei ik allemaal niet. Ik mompelde wat, stak nog een sigaret op en zette de muziek nog wat harder, om de schat mijn kamer uit te jagen. Weer een reddingsboei minder.

Hoewel het slechts een onderbreking van een paar minuten was, liet hij me eenzamer achter dan ik me die hele avond had gevoeld. De wanhoop in mijn borst was bijna niet meer te hanteren. Ik moest ze mijn aanwezigheid opdringen, anders zouden ze me nooit vinden.

Het was inmiddels bijna licht buiten en toen ik Thom de mond snoerde, hadden de vogels vrij spel. Hun enthousiasme was oorverdovend en pijnlijk. Evenals het feit dat ik op dit tijdstip nog wakker was en niet dood.


Het geluid kwam uit de kamer van H., bijna altijd het begin- en eindpunt van deze avondjes. Ik duwde de deur op een kiertje. De lampen waren gedimd en de gordijnen waren dicht. Het rook er naar wiet. Niemand merkte me op en ik nam de tijd om aan de duisternis te wennen.

Pas toen ik dat deed brak ik echt.

Er lagen vreemde en bekende mannen op de grond, met rookwalmen om hun hoofd. H. lag in de foetushouding op haar paarse troonstoel. De lieve homo zat bij de lange op schoot. Ze knabbelden aan elkaars oren.

S. zat op de bank. Het hoofd van een vriendin van H. rustte op zijn schouders. Ze keek zwijmelend naar hem op. Hij keek nog steeds scheel. Maar schuimbekken deed hij niet meer.

Ik zag alleen hem.

De rest herinnerde ik me pas later.

Al kan het ook zijn dat ik het er allemaal bij gedroomd heb. Dat de rookwalmen eigenlijk in mijn hoofd zaten en niet afkomstig waren van de joints die er gerookt werden. Ik kan niet voor mezelf en mijn eigen geheugen instaan. Want ik zag secondelang alleen maar hem.

En hoe zijn tong bij haar binnendrong.


Ik kraste en rookte nu met meer felheid dan een minuut daarvoor. Thom zong over vuurwerk en orkanen.

Dat hij er niet was. En dat dit niet gebeurt.

Eindelijk snapte ik wat hij me al uren duidelijk probeerde te maken.

Dat ik er niet was. En dat dit niet gebeurt.

Mijn vriendschap met S. Mijn vriendschap met zijn vrienden. Mijn band met dit huis. Mijn liefde voor A.

Mijn redding.

Ze zou niet komen. Niet hier, niet op deze ochtend en niet met deze mensen. S. zag alleen mijn masker en ik wist ineens zeker dat hij nooit zou willen weten wat ik daaronder verborgen hield. De zwarte storm die ik eigenlijk was. Niemand wilde dat.

Maar het was dat of de dood.

Ik keek naar mijn rauwe, rode polsen en begon ineens onbedaarlijk te huilen. De lethargische pijn die ik voelde, deed me leven. Om mijn sterven te stoppen moest ik mijn huisgenoten eindelijk laten zien wie ik was. Moest ik mijn masker afzetten.

En ritueel verbranden.


Met iedere snak gaf ik me meer over aan de consequenties en vormde er zich een mantra in mijn hoofd.

Stoppen met drinken.

Stoppen met drugs.

Stoppen met S.

Stoppen met drinken.

Stoppen met drugs.

Stoppen met S.

Stoppen met drinken.

Stoppen met drugs.

Stoppen met S.

Ik pakte de vaseline uit m’n nachtkastje, die normaal alleen in mijn reet en op condooms gesmeerd werd, en begon zachtjes mijn polsen te masseren. Het stopte mijn tranen niet, maar kalmeerde me wel. Er waarde rust in het besef dat ik mezelf aan het kapot maken was, en dat ik dat niet meer wilde. Ik was vergeten hoe het voelde om m’n gevoel niet moedwillig te vergeten. Ik was vergeten hoe het voelde om niet dood te zijn.

Niet dood te willen.


En daar kwamen ze dan toch, mijn kamer binnen. Eerst H., toen S. Nog steeds droegen ze elkaars shirt. Nog steeds keken ze scheel.

H. kroop op handen en voeten naar het balkon, waar ik net de laatste tranen uit m’n ogen had geveegd. Ze keek me lang en doordringend aan; ik kon zien dat ze stomdronken was. Heel zachtjes legde ze haar rechterhand op m’n natte wang.

“Wat heb je mooie, rode ogen”, fluisterde ze met ingehouden adem.

S. was vertwijfeld in de deuropening blijven staan. Ik zag dat hij zag dat ik zag dat hij met geknepen billen naar ons stond te kijken.

Wat H. ontging, ontging hem niet. Dat ik er klaar mee was. En dat ik hem dat op een of andere manier kwalijk nam.

Maar hij weigerde. Hij weigerde binnen te komen en mijn pijn de hand te schudden. Hij weigerde te zien dat er iets kapot was gegaan, en dat ik niet meer van hem houden kon. Hij weigerde mij zoals ik op dat moment was.

Zijn schouders hingen en hij mompelde: “Ik wil niet dat je je niet fijn voelt”.

Ik stak mijn middelvinger naar hem op.

Hij draaide hij zich om en ging naar bed.

H. begon langzaam te begrijpen dat er iets aan de hand was. Maar ze was te ver heen om zaken te concluderen. Ze grinnikte om de ‘lieve’ woorden van S. en stond behoedzaam op. Niet vallen vergde al haar aandacht.

Ze was mij en mijn rode ogen al vergeten toen ze de trap af strompelde.


Ik bleef nog een tijdlang buiten zitten. Aangezien ik deze laatste emotionele klappen nauwelijks kon verwerken, bleef ik tegen beter weten in hopen op de komst van A. Misschien kon hij me wel redden.

Maar dat deed hij niet.

Dat deed hij nooit. De cocaïne hinderde hem.


De rest van de dag bracht ik in bed door. De deur nog steeds open. Ik zag voor het eerst Into the wild en heb liggen krijsen en schreeuwen van verdriet. Mijn hele bed lag onder het snot en het zout. De heling was begonnen.

S. vluchtte het huis uit; de bezorgdheid van H. kwam te laat. Het was okay, teleurstelling sterkte mijn mantra.

Stoppen met drinken.

Stoppen met drugs.

Stoppen met S.


Ik hield het een week vol.

Toen zoende A. me voor een tweede maal en begon alles weer opnieuw.

1. De afspraak (I & II)

vrijdag

I.

De afstand tussen hen in wordt overbrugd door een speelbord en wat losse letters. Luca had beide potjes gewonnen. Hij was goed met woorden.

IJle Björk-klanken dichten de stilte die in Thijs’ studentenkamertje is neergedaald. Een zesde date in twee jaar tijd.


Ze waren elkaar ‘tegengekomen’ op het internet. Het was in de periode dat Luca niet goed naar buiten durfde. Zeker niet om homo’s te ontmoeten. Maar zijn geduld raakte op. Net als de kracht in zijn rechterhand en –arm.

Na meerdere weken met elkaar gechat te hebben, was het moment van een eerste ontmoeting op handen. Zijn goede kleren lagen klaar, zijn kamer was schoner dan de dag ervoor en hij had een muzieklijst samengesteld waarmee hij kon laten horen dat hij bijzonder en diepzinnig was. De uitpuilende asbak had hij voor het gemak onder een vies vaatdoekje verstopt.

In de douchecabine begon Luca te hyperventileren. Hij keek er niet raar meer van op. Een paniekaanval was langzaam vergelijkbaar geworden met poepen: zonde van je tijd en nooit echt leuk, maar ook noodzakelijk en onontkoombaar. Zeker zo net voor een date.

Luca gaf zichzelf twee minuten en liet vervolgens het grootste gedeelte van de paniek door het doucheputje wegstromen. Voor de spiegel telde hij zijn ribben en zette hij zijn glimlach op.

Nog één peuk en hij was er klaar voor.


Thijs’ zweet rook lekker. Zoet en fris, als verse sinaasappels. Ze praatten over muziek en films en slecht ouderschap, terwijl ze een spelletje speelden op Luca’s oude Nintendo.

De bal thee die Luca van zijn tante had gekregen opende zich als een lotusbloem in de doorzichtige theepot die hij speciaal voor de gelegenheid had geleend. Mooi, maar weinig smaakvol.

De uren verstreken, de gesprekken verstomden. Luca wist niet hoe hij Thijs de deur moest wijzen, dus nam hij hem mee naar de supermarkt. Twee pizza’s en een sixpack, goedkoop en doeltreffend.

Terwijl Thijs bier achterover sloeg, schoof Luca een verdieping lager met een hels kabaal de pizza’s in de oven. Een huisgenootje kwam haar kamer uit gestormd.

“Hoe was je date!?”, schreeuwde ze door de gang.

Haar stem ging door merg en been. Zijn oren werden rood. Mocht er nog twijfel over bestaan hebben, wist Thijs nu echt zeker dat Luca dacht dat dit officieel een afspraakje was.

Met een vinger over zijn lippen maande hij haar tot stilte.

“Niet nu, niet hier”, fluisterde hij, terwijl hij giechelig de trap op kroop met twee hete borden in zijn handen. Met zijn kont duwde hij zijn deur wat verder open, al durfde hij nauwelijks terug naar binnen te gaan.

Thijs zat nog op dezelfde plek, met een tweede blik bier in zijn handen. TLC stond op. Hij glimlachte, maar zei gelukkig niets. Ze besloten allebei de olifant rustig in de kamer te laten zitten.

Om de leegte te vullen.


Een paar uur later werden ze dronken.

Luca was acht maanden geleden gestopt met drinken. Zijn arts raadde alcohol af, omdat het slecht samenging met zijn medicatie. Zelf raadde hij alcohol af, omdat het hem dwong de controle nog verder te verliezen.

Maar de wodka ging open, om de scherpe randjes in Luca’s buik langzaam ronder te maken. Ze waren van muziek en films overgestapt op gênante seksverhalen en bleken met hetzelfde stel geneukt te hebben.

‘Hij begon me te pijpen terwijl er nog andere mensen bij zaten.’

‘Ik was nog maagd.’

‘Zijn lul was zo groot… het paste gewoon niet.’

‘Ik moest de volgende dag constant scheten laten.’

‘Hij ‘vergat’ een condoom om te doen.’

‘Ik dacht dat ik aids had.’

‘Het deed zo veel pijn.’

‘Ik ben stiekem naar buiten geglipt.’

Ze lachten, maar moesten eigenlijk huilen. Met meer wodka proostten ze op betere tijden en betere mannen. Aantrekkingskracht voelde Luca niet.


Een paar stiltes later zaten ze tussen wat huisgenoten van Luca op iemands bank gepropt. Elbow werd overstemd door de luidruchtigheid van dronken jeugd. Er vielen veel woorden, maar niemand leek ze op te vangen; de lucht werd langzaam zwanger van een gebrek aan contact.

Luca wilde daar weg. Met of zonder Thijs, dat was hem om het even.

In gezelschap verdween hij. Dat had hij altijd al gedaan. Luca verborg zich dan in andermans gesprekken. Of in zijn eigen sigarettenrook. Of in het halen van drank voor vage bekenden. Of in het versturen van lege sms’jes.

Hij werd dan weer even het kind dat niet om zijn moeder durfde te roepen als er bezoek was. Of dat in zijn broek plaste omdat hij zijn vinger niet op durfde te steken. Of dat zijn verjaardag niet durfde te vieren, in de vrees dat er niemand komen zou.

Thijs trok hem voorzichtig uit zijn hoofd.

‘Laten we naar de stad gaan’, fluisterde hij.

Luca voelde Thijs nog steeds niet in zijn pik, maar hield in een flits wel van hem. Dankbaar dat hij deed wat hijzelf niet kon.

Gewoon weggaan.


II.

Luca zat op een barkruk aan zijn derde speciaal biertje te slurpen. In twee weken tijd was hij bewust in een beroepsalcohollist veranderd. Hij koesterde de stille hoop dat iemand op zou merken wat hij aan het doen was.

Hardop durfde hij het niet te zeggen, dat hij nog steeds kapot was.

Ook Thijs tikte de drankjes achterover. Ze praatten over de kunstacademie, waar Thijs studeerde, en Luca vertelde schoorvoetend over zijn depressie.

Thijs leek het wel aantrekkelijk te vinden, met een gebroken jongen in de kroeg te zitten. Luca voelde zich als een vis in een vissenkom en bestelde nog een biertje.

De koude nacht lonkte, maar de geur van Thijs’ zoete zweet hield hem binnen.


Op Luca’s kamer ging de wodka weer open.

‘Op je kutleven.’

‘Op je kutmoeder.’

‘Op je kutbroer.’

‘Op je kuttherapeut.’

‘Op je kutsnor.’

‘Op je kutontmaagding.’

‘Op aids.’

‘Op aids!’

Ze lachten en vergaten voor even te huilen. Hoewel Luca’s lul levenloos bleef, was hij blij met het drankgezelschap. Het verlichtte de schaamte. En het gaf hem een verhaal om aan zijn vriendinnen te vertellen.

Mochten ze er ooit naar vragen.


Samen liepen ze de donkere straat af, op zoek naar Thijs’ bus. Hun handen botsten per ongeluk tegen elkaar op. Luca voelde geen stroom, maar kou. Wat zou er door Thijs heengaan?

Bij de bushalte was het een drukte van jewelste. Hij was te laat.

Een zoete wietwalm had alle zoetheid uit de lucht verdreven. Enge types verstopten zich in de schaduw van de straatlantaarns. Een zwerfster in een portiekje bedelde slissend om wat kleingeld. Haar ogen lagen op de grond, waar niemand ze kon zien.

Thijs draaide zijn hoofd naar die van Luca, zijn lippen gekruld.

Luca keek voorzichtig langs hem af en zag aan de overkant van de straat hoe twee luidruchtige mannen met elkaar op de vuist gingen.

Zou hij zich ooit weer veilig voelen?

Hij slikte wat tranen door en keerde zijn linkerwang naar de jongen tegenover hem.


Op weg naar huis begon zijn telefoon te trillen.

Volgende keer krijg je een zoen! Ik durfde niet met die Marokkanen erbij. Ik vond het fijn met je, wil je beter leren kennen. X, Thijs.

Kut.

Ik vond het ook leuk met jou! Die zoen komt de volgende keer wel 😉 Tot snel en slaap lekker alvast. x.

Luca stikte in zijn eigen woorden. Liegen was z’n laatste hoop.

1. Vaderdag

woensdag

Opgroeien in een gat kent heus veel voordelen.

Afgeschermd van de grote buitenwereld is het als kind heerlijk toeven. Iedereen is je vriend, of een vriend van je vriend, en boerderijen maken uitstekende speeltuinen. Gillend door maisvelden rennen, op metershoge hooibalen klimmen, op je fiets door de polder racen, wildplassen, paarden borstelen, tractors besturen, kippeneieren verzamelen, de lijst is eindeloos.

Opgroeien in een gat kent echter ook veel nadelen.

Eén van de belangrijkste is de totale afwezigheid van welke voorziening dan ook. Dat maakt van iets eenvoudigs en vanzelfsprekends, zoals het kopen van een Vaderdag cadeautje, een uitdaging die zijn weerga niet kent.


Tot een bepaalde leeftijd verlieten mijn broer en ik MK enkel onder het toeziend oog van onze vader of moeder, met de auto. Kleren kochten we in Den Bosch, boodschappen deden we in een nabijgelegen dorpje dat wèl over een supermarkt beschikte.

Toen we wat ouder werden, groeide onze bewegingsvrijheid. Vooral de stap naar de middelbare school was een grote. Onze ouders konden er niet aan beginnen om ons iedere dag naar Den Bosch te brengen, dus moesten we met de fiets. Vijftien kilometer heen, vijftien kilometer terug. Er reed wel een bus, maar slechts volgens een beperkte en vrij onmogelijke dienstregeling.

Ik vond dat fietsen verschrikkelijk en ontzettend eenzaam, mijn broer vond het geloof ik wel prima.

Enfin, onze mobiliteit groeide en dat betekende dat mijn broer en ik, geheel terecht, ook in staat werden geacht om een cadeautje te kopen voor Vaderdag. In dat ene nabijgelegen dorp, zes kilometer landinwaarts.

Een paar keer ging dit goed. Eén keer ging dat helemaal fout.


Die ene keer verliep de heenweg voorspoedig en zonder incidenten. De tocht naar de semi-bewoonde wereld was stiekem best een mooie. Een slingerende dijk, een felle zon, de geur van koeien, kippen en vervuild rivierwater.

Het einde van MK werd gemarkeerd door onze appelboer; ik zie zijn grijze kelder, gevuld met kisten vol appels, nog zo voor me. Maar vooral ruik ik dat hok, zoet en oud, zoals zoveel uit mijn jeugd.

We fietsten ons dorp uit en passeerde achtereenvolgens een half verlaten camping, een klein huizencomplex van golfplaten waar de ‘zigeuners’ woonden en een stel dolle herders ons nablaften, een paar vleesverwerkingsbedrijven die stonken naar verbrand leven en opvielen door het gekrijs van stervende varkens en, tot slot, het bord dat ons welkom heette in L, onze beoogde bestemming. De hele tocht de Maas aan onze linkerhand.

Via de dijk kwam je helemaal aan de verkeerde kant het dorp binnen. Echter, de andere route, over de provinciale weg, maakte regelmatig dodelijke slachtoffers, dus die twee extra kilometers namen we graag op de koop toe.

Eindelijk kwam de kerk in zicht en konden we dijk verlaten. Na een paar binnendoor weggetjes bereikten we het ‘winkelcentrum’. Een Jumbo, een Etos, een kleine bibliotheek en een soort aftandse voorloper van de Action, die de naam van de eigenaresse droeg: de ‘mevrouw Latour’.

Bij deze laatste moesten we zijn, want ze hadden er ALLES. Lego, Pokémonkaarten, Barbies, bordspellen, vazen, kleren, schoenen, laarzen, meubels, glijbanen, puzzels, vogels, vissen, zwembaden, medicijnen, snoep, boeken, bloemen, make-up, hondenbrokken en mest.

Je kon het zo gek niet bedenken, of mevrouw Latour wist het in haar eigen dozen-doolhof voor je te vinden.

Mijn broer en ik struinden zonder enig plan van gang naar gang en plank naar plank, terwijl we probeerden niets om te gooien (er was geen magazijn, de hele voorraad stond in torenhoge stapels in de winkel zelf).

Na een speurtocht van misschien wel uren, kozen we uiteindelijk voor een videoband van Asterix & Obelix. Iets met Cleopatra, geloof ik. Dit klinkt achteraf nogal stom, en eigenlijk was het dat toen ook al een beetje.

We rekenden af bij de zoon van mevrouw Latour, die tegen de 50 liep (mevrouw zelf was een wandelende bochel, met permanent roodgeverfd haar en rimpels die tot over haar lippen hingen), en stapten op onze fiets.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


Het ging mis toen we de dijk beklommen. Net voordat we boven waren, zag ik twee jongens van rechts naar links voorbij fietsen. Ik herkende ze meteen, ze stonden bij de lokale jeugd bekend als de ‘dikke en de dunne’.

In een opwelling wilde ik direct afstappen en bij iemand aanbellen. Om tijd te rekken. Om me veilig te voelen, mocht er iets akeligs gebeuren.

Zoals dat gaat met herinneringen, weet ik niet meer zeker of ik daadwerkelijk ben afgestapt.

Ik denk het niet.

Hoewel ik tegenwoordig weet dat mijn intuïtie eigenlijk altijd klopt, durfde ik er toen nog niet zo goed op te vertrouwen. Of, ik durfde er nog niet zo goed voor uit te komen dat ik dingen voelde die andere mensen, zoals mijn broer, blijkbaar niet voelde.

Met het hart in mijn keel en het zweet onder mijn oksels sloeg ik daarom linksaf, mijn broer achterna. De dikke en dunne bevonden zich slechts enkele tientallen meters voor ons. Ik probeerde zo langzaam mogelijk te fietsen en liet het gesprek tussen mij en mijn bloed stilvallen. Als ze ons niet konden horen, zouden we een ramp misschien af kunnen wenden.

Maar mijn broer en ik begrepen elkaar in die tijd al nauwelijks meer. Hij snapte niet waarom ik verstijfde en praatte enthousiast door, zoals alleen hij dat kan. Ik probeerde hem te doden met mijn blik, zoals alleen ik dat kan.

Ik was te laat.

De twee jongens hadden ons opgemerkt. Ze remden af en kwamen naast ons rijden, met haat en leegte in hun ogen. De dikke sprak en lachte, de dunne was de duivel.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Ze richtten zich volledig op mijn broer, het was alsof ik niet bestond. Nu vind ik het over het algemeen prima om niet op te vallen, maar op dat moment wilde ik zo graag dat ze mìj zagen. Dat ze mijn broer met rust lieten. Dan was alles nu misschien wel anders geweest.


Het begon nog redelijk onschuldig, met schelden, schreeuwen en spugen.

Zo verschrikkelijk dat clichés juist op de meest cruciale momenten vaak zo waar blijken te zijn. Ik voelde hoe mijn lippen dichtgenaaid werden met de scherpte van hun woorden. Hoe mijn spieren in de kramp schoten en ik enkel nog als een robot door kon trappen.

Links,

rechts,

links,

rechts,

links.

Ik wilde zo graag helpen, maar de angst had me versteend

Ik wilde zo graag dat die klodders spuug mìj zouden verblinden en bezoedelen, niet hem.

Ik wilde zo graag dat alles anders zou zijn.

Maar dat was het niet.

Ik wilde zo graag dat ze mìj uitscholden en niet hem. Ik was een vuile flikker. Een verwijfd moederskind. Een watje met een bloempotkapsel. Ik verdiende hun woorden; mijn broer was een held en verdiende het met rust gelaten te worden.

Maar dat deden ze niet.


Dus keek ik toe. En ik zag hoe het erger werd, en gevaarlijker. De dunne haalde met zijn rechtervoet uit naar de fiets van mijn broer. Hij miste en verloor bijna zijn evenwicht. Maar hij was volhardend en probeerde het nog een keer. Met meer succes.

Hij raakte mijn broer vol tegen zijn linkerbeen. Hoewel mijn broer zich vanaf het begin kranig had verweerd met boze woorden, deed die schop hem pas echt krijsen. Van angst. Van pijn. Van woede.

Mijn oren bloedden en huilden.

Ik krijg nog kippenvel als ik aan die hartverscheurende oerkreet denk. Hoewel ik hem sindsdien nooit meer heb gehoord, suist hij nog steeds na in mijn dromen.

Het liet de bloedeloze dunne koud, zijn trappen waren niet te stoppen.

Mijn broer was een goede fietser, maar het kon niet lang uitblijven. Met een snik viel hij uiteindelijk in volle vaart in de kleiachtige berm.

Alles ging zo snel en toch duurde zijn val eindeloos.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Hij kwam ongelukkig neer en moet veel pijn hebben gehad. Mijn pijn was van een andere aard. De smak die hij maakte, brak mijn vertrouwen in de droom waarin ik tot dusver had geleefd.

Ineens was ik geen kind meer.


De dikke en de dunne hielden een stuk voor ons halt. Ik hoorde ze lachen als hyena’s, terwijl ze donkere blikken over hun schouders wierpen. Ze waren nog lang niet uitgespeeld.

Felle zonnestralen vulden de dijk met hun monsterlijke slagschaduwen. Een kolkende Maas in de diepte. De zwangere lucht blies verbrand vlees in mijn gezicht en de blatende schapen, die kalm de dijk afgraasden, staarden ons met een nietsontziende leegheid aan.

Met moeite trok ik mijn broer, die inmiddels gefrustreerd lag te huilen, uit de modder. Zijn tranen hadden net zo goed de mijne kunnen zijn.

Ze hadden de mijne moeten zijn.

We stapten op de fiets en overdachten in stilte onze opties.

Er was maar één toegestane weg naar huis: die kutdijk, waar geen einde aan kwam, juist als je hem nodig had. Omkeren kon ook, terug naar L, om vanuit daar de gevaarlijke provinciale weg naar huis te nemen. Echter, het was onvermijdelijk dat de twee jongens voor ons zich dan met ons mee om zouden draaien. Iets beters hadden ze toch niet te doen.

Voor de allerlaatste keer begrepen we elkaar zonder te spreken. We moesten doorfietsen en hopen op het beste.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


De marteling ging nog minstens een kwartier door. Tot drie keer werd mijn broer van zijn fiets afgeschopt. Ik was slechts een anonieme omstander die wezenloos achter een parade van geweld aanreed en m’n grote broer telkens weer opraapte. Keer op keer op keer.

Ik voelde me een verrader.

Zo graag wilde ik die broer zijn waarover je in de klassiekers leest. Een broer die zijn bloed beschermt, die alle klappen opvangt. Een broer waar je op kunt bouwen, die het gevaar verjaagt en je tranen veegt.

Uit liefde.

Omdat het hóórt.

Maar ik was een laffe schijter, onthutst door het feit dat ik begon te beseffen dat ik opgelucht was dat ze hem hadden uitgekozen, en niet mij.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf en keek toe hoe mijn broer werd bespuugd en vernederd. Verder deed ik he-le-maal niets.


Het stopte net zo abrupt als het begonnen was. Lachend sloegen de dikke en de dunne linksaf, ik zie ze nog de dijk afsjezen. Zonder zorgen.

Voor een laatste keer raapte ik mijn gebroken broer op van de grond. Ik durfde hem niet meer recht aan te kijken, bang als ik was voor wat ik in de krochten van zijn ogen aan zou treffen. Hij moest ook weten dat ik hem moedwillig had opgeofferd aan de duivel. En dat ik daar niet mee kon leven.

Hij was mishandeld, maar ik had mezelf leren kennen.

Met een brok kots in mijn keel probeerde ik hem te troosten. Ik denk nog steeds dat een bedankje toepasselijker was geweest.

Of halfslachtige excuses, omdat ik hem zo tekort had gedaan.

Met een verwrongen gezicht stapte hij op zijn fiets. Hij hield zich groot en dat deed hij speciaal voor mij. Zijn kleine broer moest beschermd worden tegen het onrecht, de pijn en de willekeur van het menselijk bestaan.

Hij was te laat.

Hij gaf me een vluchtige grimas om alles goed te maken en begon voorzichtig maar vastbesloten te trappen. Ik trok me aan hem op en hield me stevig vast aan zijn modderige en bebloede hand.

 

Hoe harder ik kneep, hoe sneller we elkaar kwijt zouden raken.