2. Een luidruchtig stilleven

oud werk

De bank is eindelijk gestopt met zweven. Verwilderd kijkt hij om zich heen: de zon schijnt door de vuile ramen, de openstaande deur schommelt in zijn voegen, zijn kleren liggen in hoopjes verspreid over de vloer. Ergens knaagt een konijn zachtjes aan een wortel.

Vier uur eerder. Opgefokt stormt hij z’n studentenhol in, aldaar verwelkomd door een geurmengsel van oud zweet, konijnenpis en sigarettenrook. Eindelijk thuis. Hij vist zijn favoriete bloemetjeslegging uit de kast en wurmt zijn bleke spillebenen erin, in de hoop dat het jeukende gevoel van de synthetische stof hem weer naar het hier en nu zal brengen. Dwangmatig probeert hij zijn ademhaling te reguleren. In. Uit. In. Uit.

Zijn hoofd was tijdens een college overvallen door een apocalyptische angstaanval. Zijn gedachten waren voor de zoveelste keer terug afgedwaald naar het moment waarop zijn leven instortte. Die ene nacht waarin zijn brein hem plotsklaps volledig in de steek liet. Een onschuldige gedachte over wat ‘de werkelijkheid’ nu eigenlijk was, veranderde in een schrikbarend tempo in allesoverheersende existentiële twijfels. Wat nu als ik alles droom? Wat nu als alles wat ik denk, zeg en doe niet echt gebeurt? Kan ik ooit wakker worden uit deze nachtmerrie? En wanneer dan? Ineens was zijn leven niks meer waard, want het was niet langer duidelijk of zijn leven wel plaatsvond. Dit maakte zelfs gedachtes aan zelfdoding van een twijfelachtige aard. Heeft ‘sterven’ wel zin als je gevangen zit in een oneindige droom? Overmeesterd door zijn eigen spinsels was de overtuiging dat hij niet echt bestond, zittend tussen zijn brakke studiegenoten, in alle hevigheid teruggekeerd. Hij vergat hoe hij moest ademen en zijn waarneming verloor aan focus. Thuis, als hij maar thuis kon komen. Daar lag hulp.

Hij opent de balkondeur en kijkt voorzichtig over de rand naar beneden. Mensen lopen onder hem voorbij, onbekend en onbelangrijk. Op de verweerde balkonreling liggen en staan de aankomende uren van zijn leven al klaar: een fles water, twee voorgerolde joints en boterkoekjes. Björk schreeuwt uit zijn laptop. Een luidruchtig stil-leven, en een perfecte samenvatting van de afgelopen zes maanden. Want als hij alles droomt en niets is, kiest hij zelf wie hij is, wat hij doet, hoe hij heet. De rol van een gebroken drugsverslaafde past hem prima. Het feit dat iedere joint hem dichter bij een psychose brengt, deert hem gepast weinig. Bang zijn voor bang worden is verleidelijk, maar onnodig wanneer je altijd en alles droomt. Bibberend steekt hij jackie 1 aan. Hij grimast.

Langzaam zakt hij naar beneden. Met iedere teug raakt het bewolkter in zijn hoofd. De mensen op straat klinken steeds verder weg, de stem van Björk steeds dichterbij. Het lijkt alsof een wollige cocon zich langzaam om hem en zijn balkon heen wikkelt. Moeizaam gaat hij liggen, met droge ogen kijkt hij omhoog. De hemel was nog nooit zo blauw, de wolken nog nooit zo wit. Het kost hem al zijn wilskracht en al zijn tijd om een nieuwe joint aan te steken. Zijn handen trillen, zijn hart slaat overuren. Teug in, teug uit, teug in, teug uit. Als een geoefende parkinsonpatiënt brengt hij het water naar zijn mond, waarna hij zich op de boterkoekjes werpt. Een leeuw en zijn prooi.

Een minuut later weet hij niet meer hoe laat het is. Hoe lang ligt hij hier al? Een uur? Een dag? Een droom? Langzaam borrelt de paniek op, hij moet hier weg. Loom geslagen klimt hij omhoog, zich optrekkend aan de betonnen balkonwand. Hij kijkt onrustig over de reling, doodsbang om uit zijn cocon te vallen. Het balkon bevindt zich plots kilometers hoog. Wat nu als hij ineens besluit te springen? Hij zakt door zijn knieën en met een laatste krachtinspanning kruipt hij terug zijn kamer in, weg van de afgrond. Binnen vult Björks gekrijs zijn hele lichaam; haar stem zit nu in zijn hoofd, opgesloten door de watten in zijn oren. Zwaar van de angst trekt hij het ene na het andere kledingstuk uit. Hij krijgt geen lucht en de lampen in zijn kamer schijnen te hard. Als hij de bank maar kan bereiken. Daar is hij veilig.

Eventjes heeft hij gelijk en lijkt alles rustig. Hij is gek aan het worden en dat is okay. Plots komt de bank waarop hij ligt met een schok los van de grond. In stilte schreeuwend grijpt hij zich vast aan de leuning en dwingt zijn verbeelding laag aan de grond te blijven. Zonder succes. Vergroeid met de bank stijgt hij langzaam op. Met rode ogen kijkt hij vanuit de hoogte naar de openstaande deur. Niemand schiet hem te hulp. In zijn dromen staat hij er altijd alleen voor. Hij sluit zijn ogen en vliegt weg. Ergens knaagt een konijn zachtjes aan een wortel.

1. Solliciteren

oud werk

Om hem heen hangt een blauwwitte rookwolk. Een nawee van de vier peuken die hij verslond, maar de koortsachtige stress blijft pertinent aanwezig. Op het bankje achter hem voelt hij de bibliotheek hijgen, alsof het gebouw weet dat Luca zo meteen die drempel over moet. Hij hoest, observeert jaloers het stel oude wijven dat vol levensrust de eendjes voert en dwingt zichzelf bibberend omhoog. De koffie en de sigaretten doen hun werk; nog maar even en zijn darmen bezwijken. Met dichtgeknepen billen haast hij zich naar binnen. Luca mag vandaag op tweede gesprek, bij de directeur ditmaal, en wil zoveel mogelijke gênante momenten voorkomen.

Het grijze gangenstelsel lijdt hem naar een gesloten herentoilet. GEEN TIJD. Op de dames wc rukt hij daarom zijn broek en onderbroek omlaag en laat zich op de bril vallen. Luca voelt meteen dat hij die laatste sigaret niet had moeten nemen. Een orkestraal geknetter, gevolgd door een stortvloed aan gepureerde poep, verlaat zijn endeldarm. Desalniettemin: beter nu eruit, dan later. Wanneer hij zijn eerste veeg bekijkt, weet hij dat hem een lang proces te wachten staat. GEEN TIJD. Hij begint als een bezetene te vegen, maar stuit op een gebed zonder einde. Binnen een minuut werkt hij er een halve rol doorheen en besluit het dan maar gewoon op te geven. Zou ik nu naar poep stinken?, vraagt hij zich beschaamd af. GEEN TIJD. Heel voorzichtig trekt hij zijn onderbroek omhoog, in een poging de stof niet tussen zijn billen te laten kruipen. Hij draait zich om en drukt door. Zijn adem stokt en zijn maag bevriest wanneer hij ziet dat de wc de hoeveelheid papier niet aan kan. In paniek neemt hij de wc-borstel ter handen, met als enige resultaat wat vlokken diarree en papier die nu door het opgestegen water kolken. Een school bruine vissen. GEEN TIJD. Hij verdrinkt zichzelf en het hok in een deodorant-orkaan en stormt de deur uit.

“Wat maakt jou nou beter dan onze andere kandidaat?”, vraagt de directeur met een lusteloos gezicht. Luca stamelt wat. “Ik ben, uuuuh, jong…, leergierig…, sociaal… gepassioneerd.” Intussen ziet hij constant zijn eigen uitwerpselen voor zich drijven. Zou de directeur het ruiken? “Welk boek ben je op het moment aan het lezen?” Mist in zijn hoofd. Het zit in zijn tas, hij vindt het fantastisch en hij las het een uur geleden uit. De titel en de schrijfster zijn hem echter totaal ontglipt. Wat nou als de wc is overstroomd? Fuck, fuck, fuck, waarom kan ik er nou niet opkomen?! De directeur kijkt hem vertwijfeld aan. “Ik heb het gevoel dat ons gesprek niet zo lekker loopt, wat jij?” … “Ben je zenuwachtig of ben je gewoon niet zo’n prater?” Luca’s kop wordt donkerrood. Totaal sprakeloos beseft hij zich ineens dat er misschien wel camera’s op de wc hangen. Ik ben de lul.

Futloos ploft hij op het bankje. Het voelt alsof hij de hele middag bij de directeur heeft gezeten. In werkelijkheid duurde het gesprek krap een half uur. Hij weet zeker dat hij zojuist weer een goed betaalde baan door de wc heeft gespoeld. Niemand is zo gek om een naar stront ruikend spraakgebrek aan te nemen. Onopvallend probeert Luca zijn onderbroek uit zijn bilspleet te trekken. Daar kan geen wasmiddel meer tegenop… Hij staat op, knikt naar de oude wijven, die blijkbaar echt niets te doen hebben, en keert huiswaarts. Hij moet straks niet vergeten nieuwe deodorant te kopen, die is op.