Ophelia

2020, literair, publicaties

(verscheen eerder op virusverhalen.nl)

Ik laat de badkuip vollopen. Beneden blaft de hond. Moeder rommelt in de keuken. Met haar maaltijden probeert ze al wekenlang tot in mijn schemerwereld te reiken. Proeven doe ik niet meer, eten alleen om haar niet te kwetsen.
    In afwachting van genoeg water trek ik mijn shirt uit, rust ik mijn wang tegen de openstaande deur. Zachtjes streel ik de klink. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. De vlokken schuim knisperen en ik ga geknield aan de rand van het bad zitten, mijn hoofd naar het schuimkasteel gebogen. Ik draai de kraan dicht en schrik van de stilte die achterblijft. Snel sta ik op.
    Met mijn rug naar het water tel ik nauwkeurig mijn ribben, die iedere dag wat verder door al dit vel heen prikken. Het zijn er net zoveel als gisteren.

Slapen lukt me zelfs niet met het leeslampje aan en de deur op een kier. De jongen tegenover me zit gevangen in de spiegel die aan de kastdeur hangt. Ben ik dat? Ben ik dat?
    Wie is dat?
   Ik werd wakker in mijn studentenhuis en ik wist het niet meer. Nu lig ik in mijn oude bed, ouders aan de overkant van de gelamineerde overloop, en ik weet het nog steeds niet. Warmte verspreidt zich door al deze ledematen, vingers beginnen te tintelen en te zweten. Oogcontact met mijn reflectie dwingt mijn ademhaling tot afgeknepen hoogtes. Het is alsof ik moet overgeven, maar het braaksel telkens net te vroeg weer inslik. Ik ben bang dat er te veel leegte achterblijft als ik loslaat wat er vastzit. Dat ik verdwijn als ik accepteer hoe verloren ik me voel.
    Evengoed blijf ik kijken.

Halfnaakt ren ik de trap af. Met een geknepen stem smeek ik om mijn vader. Zijn hoofd verschijnt om de hoek van zijn provisorische kantoor, spits als een stokstaartje. Hij draagt de paarse trui die hij iedere avond draagt en zijn ogen beginnen de dofheid van de mijne te evenaren. Ook hij is een gevangene nu.
    Hij komt op me af en neemt me in zijn warme armen. Daar zijn ze weer, de tranen. Lange uithalen, mijn hele lijf doet mee. Hoe kan het toch dat ik iedere keer vergeet naar lucht te happen? Een half uur lang staan we daar, in de grondig gepoetste woonkamer. De hond cirkelt blaffend om ons heen en geeft onze benen kopjes. Lichamelijk contact maakt hem jaloers. Slet.
Vader beëindigt onze omhelzing en laat zijn handen lichtjes op mijn schouders rusten. ‘Hou alsjeblieft vol. We helpen je, je bent niet alleen. Wij zijn er.’
    Zijn woorden brengen een nieuwe paniekgolf teweeg. Omdat hij liegt, en niet begrijpt dat ik het gewicht van dit hoofd in mijn eentje draag. Ik ben degene die langzaam vervaagt, die verdrinkt op het droge, die niet meer hier is maar ook nog nergens anders. Als hij het over zijn hart kon verkrijgen me te haten, zou ik vader en de rest van mijn familie vandaag nog in de steek laten. Dat hij me aan mag raken, me zo mag zien, is een daad van liefdadigheid, geen erkenning van zijn hulp.
    Hij draait me om en begeleidt me de kamer uit, terug de trap op. Zijn rechterhand brandt een gat in mijn ontblote rug. Stoom uit de badkamer op de overloop. Normaal gesproken zou vader me dit schreeuwend kwalijk nemen. De brandmelder is nogal gevoelig en krijst door merg en been.
    Vandaag blijft het apparaat stil. Net als mijn vader. Vanaf nu ben ik de brandmelder. En ik ga constant af.

Mijn broer en zijn vriendin staan hand in hand in de achtertuin, de hond duwt zijn neus kwispelend in hun kruis. Eerst het hare, dan het zijne. Slet.
    We zouden met zijn allen naar de film, maar de bioscopen zijn dicht en ik vind het huis uitgaan eng. Met gepaste afstand schuiven we daarom onze stoelen onder de grote tafel, afhaalbakjes Chinees tussen ons in. Ik schuil in de schaduw van de oude wilg, die volhangt met slingers.
    Er worden moppen getapt en broerlief pronkt met zijn nieuwste tatoeage, om me op te beuren. Hij is mooi, wil ik zeggen. In plaats daarvan laat ik een vork in het gras vallen. Ik ken mijn eigen krachten niet meer. Broer negeert de wensen van het RIVM en pakt het ding voor me op. Wanneer hij het teruggeeft, knijpt hij zelfs even in mijn nek.
    Zou de ziekte die ik bij me draag ook besmettelijk zijn?
    Er is babi pangang en saté en gefrituurde banaan en ik probeer overal een hapje van te nemen. Het lukt niet. Gelukkig heeft de rest wel trek. Na het feestmaal zet vader mijn stoel in het midden van de tuin. De gaten die mijn familie laat vallen om zich om mij heen te mogen verzamelen doen me weinig. Ik zat al in quarantaine. Ze zingen lang zal je leven en overladen me met confetti. Vader en moeder geven me een knuffel en een slof sigaretten. Broer biedt me zijn excuses aan. Om hun gevoelens te sparen, verzwijg ik dat het me niets kan schelen dat hij en zijn vriendin mijn cadeau vergeten zijn. Ik probeer hem een glimlach te geven, maar barst per ongeluk in janken uit. Geschrokken draai ik mijn hoofd weg. Niemand hoeft te zien hoe ik met iedere snik een stukje lichter word.

Met zijn benen over elkaar zit hij op de wc-deksel.
    Ik gok dat ik elf was toen ik voor het laatst samen met vader in de badkamer was. Domme pech; ik vergat verder nooit de deur op slot te doen. Schaapachtig keken we elkaar aan. Ik probeerde de val van mijn poep uit te stellen, hij probeerde het ongemak uit zijn gezicht te plooien. We faalden. Mijn plons was laag en diep, zijn lach hoog en schril.
    Trillend trek ik mijn trainingsbroek uit. Vader wendt zijn blik af. Ook psychiatrische patiënten verdienen af en toe wat privacy, lijkt hij te willen zeggen. Lief van hem.
    Maar het stemmetje in mijn hoofd weet wel beter: hij kijkt enkel de andere kant op omdat hij mijn uitstekende ribben te pijnlijk vindt. Nog een bewijs dat mijn vader liegt als hij zegt dat ik niet alleen ben. Voor hem is er, net als al die jaren geleden, nog steeds te veel ongemak om alle plooien glad gestreken te houden. Ik, daarentegen, ken geen schaamte meer. Die luxe heb ik, samen met mijn huissleutel, in moeten leveren.
    Wanneer ik ook mijn onderbroek naar beneden laat vallen, komt hij naast me voor de badkuip staan. De kraan loopt weer en de ruimte vult zich met tranen. Zolang ik hier sta, koude tegels onder mijn tenen en zijn hand op mijn rug voel, ben ik veilig, lukt het me misschien hier te blijven.
    ‘Hoe kan ik je helpen?’
    Het schuimkasteel ruist als ik mijn linkerhand er langzaam doorheen haal. Wat blijft plakken, blaas ik weg. De onderwaterwereld die gedeeltelijk tevoorschijn komt, roept me. Ik wil het bad niet als uitweg zien, maar weet niet meer hoe dat moet, weet niet of ik dat ooit nog weten wil. Mijn vader herkent het. Mijn gevecht tegen wat ik onvermijdelijk acht. Nogmaals pakt hij me vast.
    ‘Ik zit in de kamer hiernaast. Er gebeurt niets.’
    Hoewel ik hem niet geloof, knik ik. Ik wil hem niet kwetsen, dus moet ik in leven blijven.
    ‘Ik vertrouw je. Er gebeurt niets.’ Hij tilt zijn bril op en droogt zijn tranen aan zijn paarse trui. Dan draait hij zich om. Zijn vingers glippen door de mijne. Het doet zeer.

Ik laat mijn brandende sigaret op het gras vallen en trap hem plat. Hij was nog lang niet op. Het wapperende gordijn blijft even aan mijn lijf kleven als ik naar binnen stap. Vanaf hun bank kijken mijn ouders me liefdevol aan, blij dat dit buitenverblijf een paar seconden langer was dan het vorige. Ik zwaai naar ze en ga achter de piano zitten. De noten dansen voor mijn ogen, bungelende armen naast me. Vroeger maakte ik dagelijks muziek.
    Plotseling laat vader een scheet. Hij grinnikt. Ik hoor hoe moeder hem een tik geeft; vastgeroeste rituelen zijn, zeker nu, belangrijker dan ooit. Mijn handen klemmen zich om de pianokruk. Om niet te stikken, begin ik te huilen. Moeder staat op en vraagt of ik een kopje thee wil. Ik schud van nee. Daarop pakt ze me beet, duwt ze me naar buiten. ‘Ga lopen. Probeer het nog eens.’
    De zandverstuiving lijkt anders vandaag, leger. Is dat ook. Ik laat me in het zand vallen en begin met mijn stijve ledematen engelen te maken.

Koortsachtig hevel ik het schuim uit het bad over naar de wc. Ik moet zien waar ik tegen vecht. Mijn gebaren worden steeds wilder. Boos smijt ik vlok na vlok de pot in, totdat het water helder genoeg is. Door de open deur hoor ik vader zijn neus snuiten. Altijd diezelfde blauw geruite zakdoek. Ik vraag me wel eens af of dat ding ooit gewassen wordt.
    Woedend spoel ik door. Hij verdient dit niet, mijn vader. Mama, die beneden gespannen door haar zelfgemaakte tomatensoep staat te roeren, ook niet. Net als mijn broer, kilometers verderop.
    Terwijl ik de wc uit laat razen, sluit ik de deur. Opnieuw rust ik mijn hoofd er tegenaan en ik streel en ik streel en ik streel de klink. Ik grijp het slot vast en knijp erin totdat mijn knokkels rood gloeien. Ademloos draai ik het millimeter voor millimeter naar links. De klik hoor ik nauwelijks, door het bonzen in mijn slapen. Hij is dicht. De deur is dicht.
    Voorzichtig laat ik me in het bad glijden. Voeten, benen, kont, handen, rug, armen. Even blijf ik zo liggen, kijk ik hoe mijn penis drijft. Dan verdwijnt eveneens mijn opgeheven hoofd onder water.
    Ik open mijn ogen en kijk naar het plafond dat boven me dobbert. Mijn schedel voelt als een vissenkom, waar mijn angsten eindeloos rondjes in dobberen. Het is er bedompt en het glas is beslagen. Omringd door daadwerkelijk water voel ik me minder gek. De verstikking stelt me eerder gerust dan dat ze me beangstigt. Dat beangstigt me.

Ze stopt het getril van mijn handen. Wat een eeuwigheid geleden lijkt stond ik nog in mijn eigen keuken, nu helpt moeder me iedere dag met het snijden van de glimmende groentes die voor ons liggen. Niet omdat ik het zelf niet kan, maar omdat ik het zelf niet durf. Lief van haar.
    Ik stel me voor dat ik het mes gewoon in mijn buik drijf, om eruit te snijden wat er mis met me is. Mijn moeder houdt niet van bloed en zwaait het raam naast de gootsteen open. Ze wenkt me, pakt mijn gezicht vast en samen steken we onze hoofden naar buiten. We weten allebei dat het niet helpt, even wat frisse lucht. Toch blijft ze het proberen.

Het bonzen in mijn slapen verhevigt. Het plafond verliest focus en ik tel sterren, die een voor een verschijnen. Ik ben te moe om me af te vragen waar het mis is gegaan. Het ging mis en het doet pijn en nu lig ik hier. Liever verdrink ik echt dan dat ik een vis op het droge blijf. Ik verzet me tegen de druk van het water en duw mezelf nog harder tegen de bodem.
    Terwijl ik daar lig, denk ik aan mijn ouders en dat ik zou willen dat ze beter hun best hadden gedaan. Dat ze me hadden geleerd voor mezelf te kiezen, wat doorzetten betekent, en dat opgeven daar soms ook onder valt. Dat loslaten uiteindelijk de mooiste vorm van liefde is.
    Door mijn wimpers zie ik steeds meer sterren en ik probeer het aanzwellende lawaai in deze vissenkom te negeren. Ik worstel met het besef weer naar boven te moeten. Er is meer water om me heen dan dat ik tranen heb. Als ik lang genoeg blijf liggen, kan ik de leegte in mijn lijf opvullen, hoef ik misschien nooit meer bang te zijn om zomaar weg te waaien.
   Het toenemende bonzen maakt het moeilijker en moeilijker om me te concentreren op stoppen met ademhalen. Wanneer ik gefrustreerd mijn ogen verder open sper, begrijp ik plots dat de herrie niet in mijn hoofd zit, maar op de deur staat te kloppen.
    Mama.
   In een opwelling schiet ik omhoog. De drang om te ademen is vele malen sterker dan ikzelf, groter dan de noodzaak te verdwijnen. Ik kan het niet. Niet nu. Niet zo. Zolang mijn moeder me beethoudt, en mijn vader, en mijn broer, de hond, moet ik mijn middelvinger opsteken naar dat wat me kan bevrijden. Zodat zij door kunnen.
    ‘Hoe gaat het daar?’ fluistert mijn moeder. Driemaal slikken is te weinig. Dan maar zes, al gun ik haar al die stilte niet.
    ‘Goed,’ zeg ik. ‘Ik kom er bijna uit, hoor!’
   Ik klamp me vast aan haar hoorbare zucht, krom mijn vingers om de badranden en klauter de kuip uit. Zelfs met twee voeten op de grond stijg ik bijna op. Ik draai me om, zak door mijn knieën en trek de zwarte stop los. Mijn hand laat ik boven het gat zweven en ik voel hoe al dat water zachtjes aan me trekt, voordat ze naar beneden gezogen wordt.
    Op mijn tenen loop ik naar de beslagen spiegel. Alles druipt. Met mijn vingers teken ik figuren in de loopgraven tussen mijn ribben. Daarna duw ik mijn penis tussen mijn benen en fantaseer ik heel even dat ik Ophelia ben. Zij slaagde er in niet meer boven te komen. Zij vloog weg.

tip: krassen op je bumper

literair, publicaties

(verscheen eerder op hard//hoofd.com)

Gisteren parkeerde ik mijn auto achteruit tegen een boom aan. Ik voelde de klap, maar bleef toch gas geven. Alsof ik door de werkelijkheid heen kon rijden door het pedaal nog dieper in te trappen.

Dat hield ik vol totdat ik me zwetend bewust werd van de huizen om me heen. Snel draaide ik m’n auto terug de straat op en na nog vier vruchteloze pogingen slaagde ik erin het voertuig in één parkeervak te manoeuvreren. Ik stapte zo nonchalant mogelijk uit en haastte me naar huis. De schade nam ik pas een paar uur later op, toen het buiten donker was.

Het begon allemaal zo heerlijk, een halfjaar geleden: een nieuwe baan en m’n allereerste eigen auto. Het was een doelbewuste combinatie; ik solliciteerde naar functies in dorpen waar geen mensen komen, laat staan bussen, enkel om een Ford Ka te kunnen kopen.

Helaas blijkt rijden achter mijn eigen stuur veel meer te zijn dan rijden alleen. Het leer onder mijn vingers is een soort evolutionaire vrijgeleide om anderen te laten zien hoe stoer ik ben. Ik scheld op mensen die te ‘langzaam’ rijden of die hun auto laten afslaan bij het optrekken. In mijn hoofd zijn dit altijd vrouwen.

Nog bozer word ik op de automobilist die me inhaalt terwijl ik precies hard genoeg rijd. Of die met levensgevaarlijke manoeuvres probeert een minuut eerder zijn bestemming te bereiken. Mannelijk gedrag ten voeten uit.

Ze doen mijn testosteron teniet.

Het probleem zit in het feit dat ik de ene automobilist ben en de andere ambieer te zijn. Ergens geloofde ik dat het rijden in mijn eigen auto de laatste mogelijkheid was om te bewijzen dat ik mans genoeg ben om man te zijn. Wat dat ook moge betekenen.

Ik hoopte gevoelens en gewoontes die ik, frustrerend genoeg, nog steeds ‘vrouwelijk’ vind, dan maar toe te dekken met gierende banden.

Maar de werkelijkheid is weerbarstig. Ik ben het meest mezelf als ik met hartkloppingen invoeg. Als ik na het inparkeren niet naar mijn telefoon, maar naar mijn deodorant grijp. Als ik achteruit probeer te rijden in de vierde versnelling. Als ik de pook voor een rood stoplicht tien keer van vrij naar één en weer terug verschuif.

don’t let it just happen to you

literair, publicaties

(verscheen op 18-01-2020 op wideopenwriting.com)

Recently I’ve been listening to Hannah Cohen a lot. Don’t worry, I didn’t know of her either until a couple of weeks ago. One of her songs struck me in particular, mainly because of its opening lines.  

‘This is your life

Don’t let it just happen to you’

I’ve tried the words on my lips, over and over again, as if to understand their meaning better. They hurt, taste foul, and I feel violated by them. Why does Hannah makes such a difficult thing, you doing you, sound so damn easy? Am I broken? Am I failing, when something that rings so true feels almost impossible to achieve?

IMG_8478.jpg

I have a long history with mental health issues, varying from mild to severe. I have been taking medication daily for almost 20 years, have visited a myriad of therapists and was forced to quit jobs due to fatigue a couple of times too many. Still, in some ways I do think I am lucky, as the grimness of my anxiety and depression has remained controllable for some time now. And even better, it has been that way quite regularly throughout the 30 years I’ve lived on this planet. But I fear myself, and I know I tend to take a big tumble every five years or so, ever since I was a little boy. And by big, I mean HUGE. No light at the end of the tunnel and not wanting to die but not wanting to live either kind of huge. When days become weeks and weeks become months and every minute feels like the same endless pile of shit that you have to fight and bite your way through to get to that tiny bit of air that you need to keep on tumbling on for a little while longer.

I’m scared my time of relative quiet is almost over. I feel it on my bones, I read it between the lines of the thoughts that are running through my head. And when that happens, when I lose control, Hannah is lying. Because when you’re depressed life is happening to you. It’s attacking you from the inside out, trying to convince you that all the ugly lies you keep telling yourself are, in fact, the truth. That’s why hearing her sing has made me angry and upset these last few weeks.

But, and this is vital, it seems impossible for her and her confrontational lyrics to crack me fully. Somehow, I believe it’s different this time around. Other times, when I am spiraling down, there is a lack of emotions, like I’m slowly drowning in that great void people talk about, feeling numb, acting like a damaged robot. That doesn’t align with the things happening to me recently; my eyes filling up with tears every now and then, my insatiable appetite for hugs, my growing love and gratitude for my friends and family, my wish to do better every time I wake up. It’s almost like I am opening up while shutting down, instead of closing off. And I think that’s important. Maybe my hesitation to put the toxicity that is running through my veins into words , to write this piece, wasn’t necessary after all. This is not a self-fulfilling prophecy. Me and my mental health are not self-fulfilling prophecies, and, with that, I am proving Hannah right, not wrong. I see what is happening very clearly. And in seeing it, I am reclaiming some control over it. This is my life. And I want it to be beautiful, special, rewarding and one of a kind (though I would gladly settle for a harmonious and somewhat balanced one). Not because I deserve it, no one deserves anything, but because I fight for it. Every day.

Perhaps Hannah has provided me with a new mantra. Something to tell myself when I feel like drifting away, like falling apart. I won’t let it just happen to me. Or maybe I will, for a little while, because I am tired of fighting and need to catch a break. And then I’ll try again. And again. And again and again and again. I am not saying it’s easy. Or fun. It’s fucking not. But I guess my life is just a bit harder than I would have bargained for, and I need to find a way to deal with that. Feeling more, instead of less, is helping. As is the reaffirmation that this life, this precious weird little thing, this extremely difficult and stupid son of a bitch, is mine and mine alone. And, finally, I’ve come to understand that that’s the most important thing that makes it worth living. We are all one of a kind and fucking precious.

De laatste sigaret

2019, literair, publicaties

(verscheen eerder op op firstpersonmag.nl)

De houten poten kreunen van schrik, Tijs kreunt zachtjes met ze mee. Hij staat in de deuropening en kijkt toe hoe ik zijn lege koffer op zijn hoek van ons bed werp. Ik ben blij toe dat hij alleen huilt als hij hyperventileert, en dat hij alleen hyperventileert als hij mijn hand door zijn zacht­gewassen haar voelt strijken.

De kastdeur knalt tegen de muur, het stucwerk kruimelt als roos naar beneden. Ik begin met zijn T-shirts, die ik vanuit de kast in verfrommelde stapeltjes overhevel naar zijn koffer. Mijn planken zijn geordend – die van hem doen al maanden denken aan de opheffings­uitverkoop van de V&D. Nu is het de beurt aan ons faillissement.

Tijs’ blik beweegt van het bed naar de kast, telkens als ik naar de volgende stapel reik. Met zijn linkerhand wrijft hij over een gezwollen klier in zijn nek. Met geweld probeert hij de verdikking, die langzaam rood wordt, terug zijn lichaam in te duwen. Een poging te verbergen wat er mis met hem is.

Hij heeft weer eens kanker.

Tijs wond er vanaf het begin geen doekjes om. Nippend aan zijn kop thee beschreef hij de veldslag in zijn hoofd: hoe hij van zijn moeder had geleerd een leven lang te worstelen, dat je nooit zeker weet of morgen de zon opnieuw zal schijnen, hoe hij obsessies had ontwikkeld om de wereld om hem heen te ordenen, en bang was voor alles wat onduidelijk,  ondefinieerbaar of onaf was. Ik voelde zijn eerlijkheid tot in mijn kruis en vond hem direct de mooiste, slimste en knapste man die ik ooit had ontmoet.

De seks, die pas na maanden op gang kwam, is moeilijk. Akelig soms zelfs. Hij neemt me met zijn hoofd, niet met zijn lul. Hoe harder ik zuig, hoe verder weg hij raakt. Hij voert zichzelf aan me, ik moet hem met huid en haar verslinden. Wanneer hij dan eindelijk een hoogte­punt bereikt, wat zelden gebeurt, verliest hij iets. Is het alsof hij bloedt.

Ik trek en de ondergoedlade valt uit haar voegen, flikkert op de grond. De rollende bollen sok verspreiden zich over de vloer, komen verslagen tot stilstand. Het heeft me jaren gekost om te begrijpen dat dat wat je laat liggen, rommel geeft, of je nu wilt of niet.

Met een krachtige worp gooi ik een bol naar Tijs’ hoofd. Hij reageert niet en terwijl hij de bult in zijn nek blijft indrukken, kruist hij zijn ene been voor het ander, drukt ze stevig tegen elkaar aan.

‘Wat sta je daar nou?’

 Zijn kop wordt langzaam roder.

‘Met je kutkanker.’

Even kijkt hij me recht aan. Zijn ogen tranen. Ik stap over wat sokken heen en kom vlak voor zijn neus tot stilstand. Pas wanneer ik een hand op zijn kruis leg, zo hard mogelijk in zijn lul knijp en zijn blik me slap maakt, stopt hij met wrijven. Dat hij huilt bewijst geen verdriet. Het bewijst dat hij zijn plas probeert op te houden, dat hij van zichzelf pas naar de wc mag als hij de pauzeknop van deze ruzie heeft gevonden.

Dit is de laatste keer dat ik hem daarbij help.

Tijs’ gezicht koelt zachtjes af en ik laat los. De potentiële stank die aan mijn hand blijft kleven, veeg ik af aan zijn harige wang. Er dwarrelt wat roos naar beneden. Ik haal mijn neus op. Zijn zweet ruikt misschien naar vanille, en een toekomst samen, maar eigenlijk heb ik altijd ge­weten dat zijn dwang vlekken geeft die moeilijk weg te poetsen zijn en een geur ver­spreidt die, als je niet uitkijkt, het hele huis overneemt.

_____

Vanochtend begon ik ver voor Tijs aan weer een nieuwe dag samen. Hij had zich volledig tegen de muur aan gedrukt, terwijl hij zich vasthield aan mijn kussen, en dat was prima. Ik voel me daar allang niet meer door afgewezen. Slapend kan hij eindelijk echt alleen zijn, zonder schuld­gevoelens, zonder oneffenheden. Hoe graag hij ook in mijn omhelzing wil verdwijnen, hij heeft nooit geleerd zich veilig te voelen in de nabijheid van anderen. Er is iets wat hij aan niemand wil laten zien. Iets van lang geleden, dat zo donker en eng en onbegrijpelijk is dat het hem angst aanjaagt het vrij te laten. Dus verstopt hij het. Ook voor mij.

In de valse veiligheid van zijn dromen lijkt hij het soms tevoorschijn te halen, op­gerold in een oud slaapshirt van zijn moeder, dat hij na al die jaren nog steeds nodig heeft om in slaap te vallen, om het tegen beter weten in toch uit te pakken. In de nachtschemer zie ik hem dan in een klein kind veranderen. Een vogeltje, dat te vroeg uit de boom is gevallen, dat misschien beter had kunnen sterven omdat zijn overlevingskansen zo klein waren, maar dat nu iedere nacht piept om aandacht en liefde en steeds groter en groter is geworden en ergens toch ook een kuiken is gebleven en nooit op eigen benen zal leren staan.

Tijdens dat soort nachten trekt Tijs slapend mijn kussen onder mijn hoofd vandaan. Het stelt me gerust dat hij zich vasthoudt aan mijn geur, mijn warmte, mijn aan­wezigheid – als om me te vertellen dat zijn geheim toch ook een beetje het mijne mag zijn. Hij durft misschien geen dingen in mijn oor te fluisteren, maar wel in mijn kussen. En dan zijn we voor even dichter bij elkaar dan hij en ik ooit voor mogelijk hebben gehouden.

Terwijl Tijs daar lag, dromend over wat niet meer te redden valt, stapte ik voorzichtig uit bed en liep, nog een beetje slaapdronken, naar beneden. In de gang zag ik Tijs’ agenda open­geklapt op tafel liggen. De afspraken met zijn therapeut waren met geweld doorgekrast. Bij sommige dagen las ik zijn wanhoopskreten, met tijdstippen, en de naam van zijn favoriete huisarts ernaast. Groeien­de knobbel in lies, aids, kanker, aids, aids, aids, aids.

Zwijgend at ik mijn crackers met boter en kaas en wachtte totdat ik Tijs de douche­kraan open hoorde draaien, de deur op een kiertje. Hij voelt zich liever niet opgesloten of alleen, zeker niet in een badkamer, bang voor de lokroep van al dat water, de onwelkome verleiding om zichzelf te verdrinken. Met de laatste hap nog in mijn mond liep ik traag de trap op, Tijs’ gezang een dof bonzen in mijn oren. Ik sloot de deur, groette hem kort en pakte mijn elektrische tandenborstel uit het kastje onder de wasbak. Tijdens het poetsen bleef het opzetstuk maar terug klikken, schokte het bij mijn gebit vandaan. Blijkbaar deed ik te hard mijn best. Soms moet je loslaten om beter bij de moeilijke plekjes te kunnen.

‘Wie heeft jou aids gegeven,’ vroeg ik. De frisse tandpasta in mijn mond verzachtte de hard­heid van mijn stem, die door al dat schuim verloren ging in de kakafonie van onze ochtend­rituelen. Tijs begon luider te zingen. Het was iets van vroeger, van toen hij nog naar concerten van Placebo ging, en emotioneel instabiel zijn nog hip was. Ineens hoorde ik het – een duet tussen een zowat volgroeide man en een eenzaam jochie, die strijden om het lichaam dat ze samen bewonen.

‘Wie heeft jou aids gegeven.’ Ditmaal spuugde ik de woorden uit. Klodders tandpasta vlogen met ze mee, ze maakten krassen op de spiegel. Het gezang verstomde, net als het ge­klater van het douchewater. Lang bleef het stil. Ik keek toe hoe mijn reflectie langzaam ver­vaagde, van mijn ontblote bovenlijf, speciaal voor Tijs geschoren, via mijn kin, mijn neus en mijn uitstekende oren, tot aan mijn ogen, die als laatste onder een dikke laag condens ver­dwenen, daar uitdoofden. Vanille is een illusie, dacht ik plots. Hoe goed ik mijn tanden ook poets, Tijs’ stank blijf negeren, de geuren uit mijn verleden zullen nooit samenvallen met Tijs’ heden en onze toekomst samen. In wat wij hebben is geen plaats voor zakken vol lolly’s en smeltende waterijsjes die langzaam over je vingers omlaag druppen en kruipen en riviertjes trekken in de rimpels van je handpalm. Laat staan voor warme vegen chocola op je wang en met z’n allen tegen elkaar aan kruipen op de bank, in de hoop dat Sinterklaas snel op het raam achter het dieprode, zachte gordijn klopt.

Cue het gezucht en het gekreun. Tijs stond zinnen te toetsen, op zoek naar de enige juiste. Ik moest stoppen met hopen dat hij die, met of zonder mij, ooit nog ging vinden.

‘Vijf…’

‘Vier…’

‘Drie…’

‘Niemand,’ fluisterde hij, zijn uitspraak zacht en koud. Zijn stem waaide naar me toe, als een zuchtje wind, en ik ving hem ternauwer­nood op, door mijn vochtige middelvinger, onzichtbaar voor hem, de lucht in te steken. Ik draaide me weg van de spiegel en liep naar de douche, waar ik stilhield en mijn best deed Tijs nog een laatste keer te verstaan.

‘Niemand. Ik heb me gesneden aan wat prikkeldraad.’

Ik zei niets, kon nauwelijks bevatten hoe we weer hier aanbeland waren. Hoe ik op­nieuw de signalen had gemist, het te lang had verzaakt naar de waarschuwingen te luisteren. Zelfs al zou ik hem iedere dag schoonschrobben tot hij rood zag, al zijn dode huid­cellen door het afvoerputje weg laten spoelen, denkbeeldige bacillen onder zijn nagels vandaan krabben, het zou in dit huis nooit meer lekker ruiken. Ik begreep nu dat ik, samen met al dat vuil en zweet, dan ook de allerlaatste resten hoop en vanille van hem af zou moeten poetsen.

‘Niemand heeft me aids gegeven. Ik dacht… Ik dacht, misschien…’

Hard rukte ik het douchegordijn opzij. De plastieken stang, die we nog steeds niet goed hadden vastgemaakt, viel met een hoop lawaai op de grond. Vandaag zei al dat gekletter precies waar ik de woorden niet voor vond. Tijs reageerde nauwelijks. Alles aan hem hing. Zijn blik, ver­­scholen achter tentakels van natte haren, naar beneden gericht, zijn handen delicaat in elkaar gestrengeld voor zijn pik, het vel van zijn balzak als een nog warme kauw­gom tegen zijn linker­dijbeen aangeplakt.

Een kind dat door niemand meer vastgehouden wordt.

Ik gaf hem een duw, wilde meer afstand tussen mij en hier en de man die me zo vaak en zo hard en zo lekker had genomen en me liet spuiten zoals niemand vóór hem dat ooit had gedaan. Tijs stapte gelaten achteruit, alsof hij straf ver­diende. Met een piepend geluid zakte zijn lijf vervolgens langs de natte tegels omlaag. Op handen en knieën kroop hij nog wat verder de hoek in, drukte zich tegen de muur aan en weigerde me aan te kijken. Ik liet hem daar liggen en schraapte mijn keel, om te voorkomen dat mijn stem over zou slaan.

‘Echt zielig, dit.’

Hij zakte nog wat verder in elkaar, alsof hij weer in bed lag, mijn kussen veilig plat­gedrukt tussen zijn armen. Ik liet hem liggen en draaide me om naar de spiegel, waar de condens in­middels een neerslagkaart op had gevormd. Wazig zag ik Tijs’ contouren, maar bovenal zag ik, daar waar het weer helder was, tranen in mijn ogen. Het wond me niet meer op, het idee hem op te moeten rapen. Moeizaam deed hij het daarom maar zelf. Druppels kropen over zijn romige huid naar beneden en spatten geluidloos kapot op de vloer.

_____

Een paar uur later zaten we te roken in de tuin. Ik praatte, hij stelde een paar goede vragen, samen probeerden we er nog iets van te maken. We rookten onafgebroken en doofden onze peuken in de asbak tussen ons in. Na verloop van tijd raakte hij vol en stond ik op om hem te legen. Toen ik weer naast Tijs in het gras ging zitten, was zijn nerveuze blik bij de vuilnis­bak blijven hangen, waar ik net vandaan kwam. Om hem te kalmeren begon ik met mijn vingers figuurtjes te trekken door de haren op zijn ontblote onderarm. Ik was onnauwkeurig geweest, had hem niet de tijd gegeven alle sigaretten een voor een bewust uit te maken, uit te kijken, uit te denken. Eerder hadden we in iedere kamer een handblustoestel hangen, omdat Tijs vreesde dat vuur in staat was nog harder en sneller om zich heen te slaan dan hijzelf. Nu niet meer. Plichtsgetrouw legde ik mijn hand op zijn buik en zijn hand op de mijne. Ik kon zijn ribben tellen, de lucht piepte er hortend en stotend tussendoor. Zijn linkerhand werd een vuist, zijn ogen zakten weer naar beneden.

‘Het gaat niet. Het moet, het moet, ik moet.’

Hij maakte zich van me los en rende naar het schuurtje. Hij kwam naar buiten met een grote emmer, die hij bij het buitenkraantje vulde. Met zware armen liep hij naar de kliko, waar hij zijn schouders tot aan zijn oren optrok en het even leek alsof hij zijn dwanggedachte, met een krachtige uitademing, de baas probeerde te worden. Eigenlijk lukte hem dat nooit.

Ik ging er wat beter voor zitten, nam rustig een paar trekjes van weer een peuk in mijn mond.

‘Hoeren!’ Hij riep het wanhopig, als krassende nagels op een krijtbord, voord­at de angst het voor de zoveelste keer van hem won. Woedend gooide hij de deksel open, tilde de emmer tot ver boven zijn hoofd en met een hoop gekrijs en gescheld stortte hij al het water in de kliko. Om het vuur in zijn hoofd te blussen.

Ik vond dat ik moest huilen, maar begon te lachen. De lege emmer kukelde op de grond. Tijs draaide zich om en keek me verwilderd aan. Ik stond op, zoog een paar keer hard aan mijn laatste sigaret en liet het ding toen in het gras vallen. Hij moest leren inzien dat sommige zaken vanzelf uitdoven. Zonder iets te zeggen liep ik naar binnen, de trap op, de slaap­kamer in. Het was tijd om de zooi die we waren geworden op te ruimen.

_____

Nu staan we in de hal; te veel mens, te weinig ruimte. Tijs doet een poging mijn hand vast te pakken, maar ik laat hem tussen ons in hangen. Net als de belofte van vanille, die met iedere zucht wat verder van ons afdrijft. Ik stel me voor hoe hij de straat uit schuifelt en de hoek niet om durft te slaan – hoe hij dan op een bankje gaat zitten, in de stille hoop dat ik hem toch weer kom redden. Misschien zelfs in zijn broek plast, omdat er een punt is gezet achter een gesprek dat hij liever met een komma had beëindigd.

Hij volgt me naar de woonkamer, waar de koffer op hem staat te wachten. Zijn stilte benauwt me. Ik haal de bankkussens, die hij altijd van groot naar klein sorteert, overhoop. Ik doe het om hem te pesten, maar vooral om mijn sleutelbos, die ik altijd in het daarvoor bestemde bakje in de hal vergeet te leggen, te zoeken. Zodat ik hem de deur kan wijzen.

Tijs weet godverdomme best wat ik zoek. Toch staat hij daar maar. Gejaagd begin ik boeken en frutsels van de salontafel te vegen. Ik moet hier weg.

Nee, hij moet hier weg.

Met mijn knieën op de grond hoor ik hem schuifelend op me af komen. Zijn rechter­hand strijkt zachtjes over mijn hoofd. Hij trilt. Ik tril. Dan buigt hij zich over de kussens en begint ze zo beheerst mogelijk te rangschikken. Met houterige bewegingen en samen­geknepen billen. Wanneer mijn sleutels tussen twee kussens vandaan vallen en op het vloer­kleed ploffen, draait hij zich om. Hij houdt even stil. Zijn gezicht rood, zijn ogen waterig.

En dan zie ik hoe hij loslaat.

Hoe hij alles loslaat,

en eindelijk geur bekent.