3. De laatste kikker

woensdag

We droegen altijd laarzen.

Ik werd geboren als zondagskind, maar S. kwam graag buiten. Toen we voor elkaar kozen, besmette ze me met de behoefte aan klei en zuurstof.

Onze favoriete bezigheid was, naargelang het weer en het seizoen, het vangen van kikkers, padden en sprinkhanen. Tegenwoordig krijg ik de rillingen als ik er aan terugdenk, als klein spring-in-‘t-veld deed ik niets liever.

Er was een strikte verdeling: bij mij thuis, het grote huis aan de dijk, waren vooral veel sprinkhanen te vinden. Als we bij haar speelden, in een tuin die geen grenzen kende, speurden we naar kikkers en padden. Door de aanwezigheid van zoveel sloten  sprongen de beesten praktisch in onze handen. Er waren dagen dat we met gemak meer dan tien kikkers bij elkaar wisten te verzamelen.

Vangen was genoeg; aan het einde van ons speelkwartier lieten we ze netjes weer los.


Slechts één keer braken we onze gouden regel en gingen we bij mij op de dijk achter kikkers aan.

Eerder die dag hadden we achtbaantje gespeeld in de uiterwaarden, waar nieuwe fietspaden waren aangelegd. Oude mensen vonden dat noodzakelijk, wij vonden het geweldig.

Achterstevoren op S.’s bagagedrager wist ik niet wanneer de weg naar beneden zou gaan en welke bochten eraan zaten te komen. De zenuwen nestelden zich als een lichte kriebel bij m’n kruis.

Bij iedere afdaling gierden we het uit, of we nu voor of achterop zaten. Ons gelach en S.’s snot vlogen de hele Maas over.

Niemand die ons hoorde.


Ik gok dat het een zaterdag was.

Hoewel de zon al dagenlang scheen, was alles altijd nat. In mei was het in MK drassig, we wisten niet beter.

De kikkers waren dun gezaaid. S. en ik waren in de loop der tijd echter professionele jagers geworden, met een scala aan locatie-inzichten en vang-strategieën. De dijk werd in twee even grote gebieden verdeeld, we joegen solo.

Enkel als we een flinke kikker tegenkwamen, riepen we elkaar om hulp. Ik voelde me dan een velociraptor. S. vond Jurassic Park te eng.

Maar over het algemeen konden we de jacht prima alleen af. We kenden elkaar al eeuwen en hielden elkaars hand alleen vast als het echt nodig was. S.’s aanwezigheid was vaak ruimschoots genoeg.

Sommige dingen zitten goed zonder dat ze vast zitten.


Het bleef moeilijk om me niet over te geven aan die glibberige sensatie, onvermijdelijk als ze was.

Gelukkig zijn ze geen hoogvliegers, die kikkers. Soms letterlijk, altijd figuurlijk. Met een beetje doorzettingsvermogen en een flinke bijt op m’n tong had ik daarom altijd beet.

Ik voel ze nog tussen mijn vingers krioelen, zich wanhopig afzettend met hun lange, natte pootjes, op zoek naar een kiertje lucht, een spleetje zonnestralen.

Maar Sanne en ik waren snoeihard.

We bewaarden de beesten in een grote vissenkom, die we voor het gemak bij ons op de patio hadden gezet. Deze kom, gevuld met een laag water en wat treurige plantjes, was voor de arme stakkers net te hoog om uit te springen. Dit gaf ons de rust om verder te speuren en een nieuwe record te vestigen.

Zo deden we het altijd en dat ging altijd goed.


De zon begon langzaam te zakken. De jacht zat erop.

Mijn moeder had ons allebei een groot glas limonade gebracht, dat we gulzig leegdronken terwijl we trots onze vangst bewonderden. Negen kikkers was naar omstandigheden helemaal geen slecht resultaat.

Ze kropen over elkaar als pasgeboren puppy’s. Af en toe leek het alsof ze om de beurt een poging waagde om aan de kom te ontsnappen. Acht kikkers keken dan gespannen toe hoe het negende exemplaar de rand keer op keer net niet wist te bereiken.

Even sneu als geweldig. Voor eventjes hadden we onze eigen dierentuin, die we helemaal zelf hadden opgericht. Bezoekers waren er nooit.

S. en ik waren snel en vaak tevreden.


Het werd tijd om er een eind aan te breien. S. moest al een halfuur naar huis. Haar moeder stond ongeduldig te wachten in haar auto, mijn moeder baalde dat ik mijn eten weer eens koud liet worden.

Onze lichamen vormden een cirkel om de kom en eerbiedig omsloten onze handen ieder een kikker. Rustig brachten we ze terug hun drassige thuis.

Normaal gesproken verstopten we ons in kasten of onder een bed om zo lang mogelijk bij elkaar te blijven. Nu haastten we ons niet om alle beesten terug te zetten.

Dat konden ze ons toch niet kwalijk nemen?

Met nummer zeven en nummer acht tussen onze vingers geklemd, hoorden we plots een vlammenwerper boven ons. De luchtballon was of nog aan het opstijgen, of reeds aan het dalen, we konden de mand bijna aanraken. De stemmen van de passagiers leken uit onze keuken te komen.

Met de kikkers nog vast sprintten we de dijk op, waar we beter zicht hadden. Glibberend kropen de kikkers onze handen uit en we keken het wonder na totdat hij achter de toppen van de pastorie verdween.

Schaapachtig lachten we elkaar aan. S. had nogal wat angsten, maar iedere luchtballon deed haar even geloven dat ze kon vliegen.

Ik pakte haar hand vast en vertelde haar zwijgend dat ik haar zou volgen tot aan het einde van de wereld.

Zelfs in de lucht.


We werden uit onze dromen opgeschrikt door de dwingende stem van S.’s moeder, die beneden aan de dijk naar ons stond te schreeuwen. Haastig gaf ik S. een knuffel en een kusje op de mond. We hadden tenslotte ‘verkering’.

Snel holde ik naar binnen. Daar werd ook ik opgewacht door een boze moeder. Ik ging aan tafel zitten en boog mijn hoofd. Als teken van de spijt die ik niet voelde. De spruiten smaakten minder streng dan normaal.

In vele opzichten was de avond die volgde als alle anderen. Mijn broer en ik speelden nog wat Pokémon op onze nieuwe Gameboy, ik plaste in bad en met zijn vieren keken we naar Paul de Leeuw.

Chips op schoot.


De ochtend daarop, de zondagmorgen, sliep ik uit en maakte ik mijn kamer aan kant. Naast het doen van de afwas en het dekken van de tafel, moesten mijn broer en ik iedere zondag onze kamer schoonmaken.

Gelukkig had ik sinds kort een eigen gettoblaster.

Toen ik van mijn vloer kon eten, ging ik naar beneden om op het grote, dikke kleed in de woonkamer te liggen. Als ik niet buiten was, lag ik daar.

Zelfs al scheen de zon.

Na een urenlange Lizzie McGuire-marathon vond mijn vader het welletjes geweest. Mijn broer was met wat buurjongens aan het voetballen en er werd naar me gevraagd. Niemand kon keepen zoals ik.

Hij had gelijk.

Ik trok mijn oude kloffie aan en rende de trap af. Toen ik de achterdeur open deed en een vluchtige blik op onze tuintafel wierp, maakte mijn buik een salto en werd de wereld koud.

We waren er een vergeten.


Op mijn tenen strompelde ik naar de vissenkom. Hoe dichterbij ik kwam, hoe groter het beest werd.

Was hij gisteren ook al zo gigantisch?

De laatste stappen duurden een eeuwigheid. Heel langzaam, en met halfgesloten ogen, boog ik me zenuwachtig over de rand. Daar zat hij, de laatste kikker.

Of, het leek toch alsof hij zat.

Zijn glibberige huid maakte me die dag voor het eerst misselijk, dus ik pakte een takje uit de tuin en duwde daar voorzichtig mee op zijn rug.

Geen reactie.

Mijn hart wist niet meer goed hoe ze kloppen moest, dus ik sloeg mezelf een paar keer op de borst om in leven te blijven. Uit pure wanhoop dook ik met mijn hele hoofd in de oververhitte tombe en probeerde ik oogcontact te maken met het beest. Niets.

Helemaal niets.

Maar ik weigerde het op te geven. Met genoeg concentratie kon ik de kikker misschien weer tot leven wekken.

De secondes werden slakken.

Leef, leef, leef.

Heel traag zag ik zijn linkeroog zich tot een spleetje openen. Het had wat weg van een verlegen knipoog. Ik snakte naar adem en ontdekte dat zijn buikje extreem langzaam op en neer ging. Uit pure paniek had ik gewoon niet genoeg gekeken.


De kikker rustte als een veertje op mijn handen, zo breekbaar zag hij eruit. Hij kon ieder moment meegenomen worden door de wind. Of door de dood. Bij onze vijver bukte ik voorzichtig en strekte ik mijn armen bibberend boven het water.

Zak, zak, zak, zak maar door, door, door.

Ik voelde het water langs mijn vingers omhoog borrelen en het nauwelijks voelbare gewicht van de kikker van me overnemen. Langzaam trok ik mijn handen weg en zag ik hoe de vijver het beest tot zich nam. De druk van het pruttelende waterpompje maakte dat hij in slow-motion zijn pootjes uitstrekte.

Hij was als een hulpeloze Jezus aan het kruis.

Maar zwemmen deed de kikker niet. Sterker nog, hij zonk in een schrikbarend tempo naar de ondiepe bodem. Waarom had hij naar me geknipoogd, als hij er geen zin meer in had?

Radeloos bleef ik hem minutenlang aankijken. Kokhalzend gaf ik hem zelfs nog een paar bemoedigende zetjes met mijn vinger. Alles om uit te stellen wat toch wel de werkelijkheid zou worden.

We hadden hem vermoord.


Die week ging ik iedere avond terug naar de vijver, in de hoop dat ik me had vergist. Dat de kikker gewoon wat tijd nodig had. Zijn deinende lijf, op de donkere vijverbodem, bewees me iedere keer weer het tegendeel.

Ik heb het S. nooit verteld. Als ik zweeg, hoefde zij geen moordenaar te zijn.

Meer kon ik niet voor haar doen.


Ze vroeg me niet waarom ik nu misselijk werd van kikkers. Dat was niet nodig.

Ze pakte mijn hand vast en trok me het natte gras in. Samen lagen we daar, te wachten op de volgende luchtballon. Gek genoeg was de hitte er eerder dan het geluid.

En toen vlogen we weg.

2. Polderkamp

woensdag

In de warmste week van het jaar werd een grote weide bij ons in de buurt leeg geruimd voor een zesdaags spektakel vol buitenactiviteiten als hutten bouwen, vuurtjes stoken, waterspelen, bonte avonden en rommelmarkten.

Bang als ik was voor de kinderen uit nabijgelegen dorpen, nam ik slechts tweemaal deel aan dit groots opgezette polderkamp. De eerste keer was ik nog erg klein, ik weet er weinig meer van. Enkel dat ik het vreselijk vond en dat ik uit pure verlegenheid constant in mijn broek plaste.


Mijn tweede kamp vond plaats in de zomer dat we van groep 7 naar groep 8 gingen. De paar kinderen daargelaten die met hun ouders weg waren, was mijn hele klas aanwezig.

Net voor de vakantie had er een oorlog plaatsgevonden. B., één van mijn beste vrienden, die pas een paar jaar bij ons in het dorp woonden, was collectief uitgekotst door mijn klasgenoten. Ik weet niet meer precies waarom. B kende een verwarrende schoolcarrière: het ene moment was hij de populairste jongen van de klas en waren alle meisjes verliefd op hem, het volgende moment werd hij getreiterd en buitengesloten.

Misschien kwam het doordat hij een kleurtje had. Het feit dat hij dolgraag zaken op de spits dreef, mensen op de kast joeg en verbaal nogal grof was, speelde waarschijnlijk ook een rol.

Enfin, in de zomer van 2001 werd hij gehaat. En dat was lastig, want men ging over lijken om tijdens polderkamp bij zoveel mogelijk vriendjes en vriendinnetjes ingedeeld te worden. Alles beter dan overgeleverd te zijn aan een stel onbekende randdebielen.

Ik werd verscheurd van binnen. Ook ik wilde deze week met zoveel mogelijk kameraadjes doorbrengen. Maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen B. in de steek te laten.

We hadden de week ervoor enkele dagen bij zijn ‘oma’s’ gelogeerd (twee nonnen die hem in zijn turbulente jongste jaren bij hadden gestaan) en daar was ik nog flinker van hem gaan houden. Dat we groepsgenoten zouden worden, stond daarom buiten kijf.

Ik was zijn vriend; mijn rug zou hij nooit te zien krijgen.

Ik haalde de leiding erbij en legde gepassioneerd uit dat B. gepest werd. Maar zoals ik al verwachtte, hadden de zestien- en zeventienjarige jongeren weinig geduld voor mijn verhaal.

Ze waren te druk met zichzelf.

Met glazige ogen haalden ze hun schouders op; dat we het lekker zelf uitzochten. Mijn ingewanden waren van steen. Vastberaden greep ik B. bij de hand en keerde ik de rest van mijn klasgenootjes de rug toe.

Zij mochten hem wel zien.

Als een wolvenroedel stak mijn klas het grote veld over, twee pokdalige begeleiders in hun kielzog. B. en ik verdwenen in een groep kinderen uit het dorp naast ons. Een paar grietjes kende ik vaag van tennis, de vier jongens had ik nog nooit eerder gezien. We werden geëscorteerd door drie giechelende meiden. De dikste van het stel vertelde me dat alles heus goed zou komen en dat ik veel nieuwe vriendjes zou gaan maken. Ik vond haar lief en dacht dat ze al oud was, dus probeerde ik haar te geloven.

Het lukte me niet.

B. leek nergens last van te hebben, die vermaakte zich overal wel. Totdat hij iets lelijks zei of deed en iedereen een hekel aan hem kreeg.

Het was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?


Een groot deel van die zes dagen is in een waas van heimwee, eenzaamheid en hevige spijt aan me voorbij gegaan. Ik wilde alleen maar naar huis om te huilen, me te laten troosten door mijn moeder en boeken te lezen in bed. Ook ik was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?

Sommige herinneringen staan als tatoeages op mijn netvlies gekrast, lelijk en onuitwisbaar. De alles verzengende hitte, bijvoorbeeld, die onze hersenen langzaam tot appelmoes maakte. Het zwembad, dat midden op het terrein stond, kon door alle pis na een dag al niet meer de gewenste verkoeling bieden.

Of de gil die Melanie gaf toen ze door een wesp werd gestoken. Ze was het eerste meisje dat me ooit uitschold voor ‘homo’ en ze ging door merg en been.

Of de gierende lach van een van mijn beste vriendinnen, die aan de overkant van het veld met de rest van mijn klasgenoten een krakkemikkige hut van pallets stond te bouwen. Haar geluk walste als een ijskoud strijkijzer over mijn hart. Ze deed meer pijn dan de zonnesteken en splinterwonden die we die week allemaal op zouden lopen.


Maar het is vooral de dropping, op onze een-na-laatste avond, die me nog steeds achtervolgt.

Rond een uur of 9 ’s avonds werden we samen met onze begeleiders midden in een bos afgezet, met een handgemaakte kaart en de mededeling dat we binnen een uur het eindpunt moesten bereiken om niet buitenspel gezet te worden. Als groep beschikten we over één half afgekloven, rauwe kotelet; dit stuk vlees moesten we tegen enge figuren aangooien als ze ons aanvielen. Dit zou ze ‘vermoorden’.

Soms is niets zo gek als de werkelijkheid.

Ik verschanste me veilig tussen twee van de begeleidsters. Ik kon als kind goed opschieten met oudere meisjes, omdat ze me zo aandoenlijk vonden. Die avond buitte ik deze reputatie volledig uit en verplaatste ik mijn hoofd met gesloten ogen van de ene boezem naar de andere.

De eerste paar minuten leek er weinig aan de hand. Ergens in de verte hoorden we gegil en het geschreeuw van een kettingzaag. Bij ons heerste slechts opgefokte anticipatie-angst. B. was als één van de weinige compleet in zijn element; hij was nergens bang voor.

Na verloop van tijd bereikten we een zanderige open plek, dat opgesierd werd door een rood verlicht tentje. Mijn escortes slaakten hysterische kreten van enthousiasme, omdat ze wisten dat de zigeunerin in de tent een goede vriendin van ze was.

Een vierde wand kenden ze in de polder niet.

We propten elkaar naar binnen, het paste eigenlijk niet, en hoorden hoe de ‘waarzegster’ met een hoop nutteloos spektakel voorspelde welke kant we op moesten. Toen ik een glimp van haar ogen opving, zag ik dat ze bij mij in de straat woonde.


De route dreef ons regelrecht naar de kettingzaag. Schuifelend vroeg ik me af waar we mee bezig waren.

Ik moest ontzettend plassen.

Maar ik durfde niet in het openbaar. Al helemaal niet staand; ik plaste sinds mijn vierde blaasontsteking alleen nog maar zittend. Vervelend, want door de spanning liep de druk steeds hoger op. Toen ik in de verte een gigantische knal hoorde, liet ik daarom toch maar een druppeltje lopen. Was dit onderdeel van de dropping?

Of was er noodweer op komst?

Ik slikte wat tranen weg en greep me vast aan de dikke begeleidster, mijn favoriet. Zolang ik haar tegen me aan kon voelen, zou het allemaal vast wel goed komen.

Het bos werd met iedere hartslag zwarter. De kettingzaag, waar we langzaam maar zeker op af stevenden, krijsten tegen het gedonder op. Alles om ons heen was gewelddadig geluid. Alles kwam steeds dichterbij.

Ik had intussen mijn vrije hand door de vingers van Viola heen gevlochten. Het meisje blafte als een hond en had een indrukwekkend paardengebit. Belangrijker nog, ze was verliefd op me. Vanavond liet ik haar in de waan, anders zou ik door mijn hoeven heen zakken.

Ineens kwam een bosje rechts van ons tot leven; Viola’s hand was als klei in de mijne. Een gemaskerde man sprong het olifantenpaadje op, zijn gigantische, oorverdovende kettingzaag hoog in de lucht. Stampvoetend kwam hij op ons af, schreeuwend, met een maniakale lach.

In minder dan een seconde sloeg onze anticipatie-angst om in totale paniek, zelfs bij onze begeleidsters. Er werd gegild, er werd gehuild, er werd geroepen. We waren ineens geen groep meer, maar een groep individuen.

WIE HAD DE KOTELET!?

B. was kwijt en ik wist direct dat hij het stuk vlees bij zich had. Waarschijnlijk stond hij ons stilletjes ergens uit te lachen. Waarom moest hij alles altijd zo moeilijk maken? Soms leek het alsof hij het niet kon hebben, dingen die goed gingen.

Alsof hij ze niet verdiende.

Maar wat was hij stoer. Hij had niemand nodig en schreef iedere dag weer zijn eigen verhaal. Ik kende niemand zo eigengereid als hij en dat was precies waarom ik zo veel van hem hield.

Hij maakte niet alleen mijn leven leuker, bovenal maakte hij mìj leuker.

Zelfs nu, in het donkere bos, wist ik ineens weer dat ik niets te vrezen had. B. was hier, hij was onze regisseur. Ik maakte me los van mijn beschermengelen en probeerde door de bomen zijn krullen te vinden.

Ik zag ze nergens, maar ik kon zijn grijns voelen.

Dat was altijd al genoeg geweest.


De beul stormde als een wild zwijn op ons af. Achter zijn masker herkende ik het moment dat de twijfel toesloeg. Hij had het groepje gillende kinderen bijna bereikt. Dichterbij komen was onverantwoord, maar als hij zijn pas in zou houden, zou hij het sprookje verpesten.

Ik hoorde zijn zaag haperen.

B. hoorde het ook.

Zijn timing benam me de adem.

Als een redder in nood, de James Bond die wij onszelf soms waanden, sprong hij tevoorschijn. Luidruchtig en hilarisch, precies zoals hij was.

“PAK AAN, EIKEL!” schreeuwde hij.

Hij gooide de vlezige homp recht in het gezicht van onze moordenaar. Diens masker vloog door de lucht en de man wankelde op de tast. De schrik droop zichtbaar van zijn pokdalige gezicht. Een paar tellen bleef het stil. Toen draaide hij zich om, waarna hij kermend het pad afrende.

Het gevaar was geweken. Even was B. de held van de dag.


De redding kwam helaas niet voor iedereen op tijd. Ruben, een druk joch van 1 meter 20, had de spanning niet lang genoeg aangekund en was krijsend het bos in gerend. Door de zwarte schemer en zijn blinde paniek, had hij daarbij een boom over het hoofd gezien.

De ontmoeting tussen zijn hoofd en het hout, dat precies samenviel met het kletsende geluid van B.’s worp, was tientallen meters verderop nog te horen. Alsof hij de stam met zijn schedel doormidden had willen breken.

We vonden hem ineen gerold aan de voet van de boom, zijn handen voor zijn ogen geslagen. Vol adrenaline wist niemand een woord uit te brengen, te bang voor wat hij daaronder verborgen hield.

Mijn favoriete begeleidster strekte voorzichtig haar handen uit en trok daarmee langzaam de zijne weg.

Ze opende de doos van Pandora.

De linkerkant van zijn voorhoofd had het formaat van een flinke tennisbal aangenomen, het bloed gutste er met liters tegelijkertijd uit. Niemand haalde nog adem.

Ik zag de begeleidster een duistere blik uitwisselen met een van haar vriendinnen. Ze fluisterden wat heen en weer, geluidloos maar geladen. De een trok haar blouse uit en drukte deze tegen de bal op Rubens hoofd, de dikke verdween stilletjes tussen de bomen.

Mobieltjes had men in die tijd nauwelijks.


De afwezigheid van geluid, op Rubens zwanenzang na, was bodemloos. De euforie om B.’s redding was nergens meer te bekennen.

Tegen elkaar aan gekropen telde onze groep de secondes af, tot plots de lucht boven ons openbrak. Een geweldige bliksemflits verlichtte het bos en ik vond voor heel even de ogen van B. dicht naast de mijne. Gegil om me heen.

De donkerte die terugkeerde was dikker dan een tel daarvoor. De donder kwam veel te snel, gevolgd door een stortvloed aan regen. Uit het hele bos stegen nu geluiden van huilende en schreeuwende kinderen op, onderbroken door gerommel in de lucht.

Het weerlicht was boven, onder en achter ons; de duisternis werd om de haverklap uit elkaar gereten door onverbiddelijke flitsen. Hoewel ik B. naast me wist, liet ik nog wat druppels plas lopen.

Ik was toch al nat.


Ik zag de bomen om me heen getroffen worden door de bliksem en ons bedelven onder hun zware, oude takken. Ik zag mezelf sterven in dat bos, ver weg van mijn ouders, een broek vol plas, de hand van B. in de mijne.

De ogen van mijn groepsgenoten verraadde eenzelfde paniek. Alleen B. leek het allemaal wel grappig te vinden. Grijnzend had hij zijn hoofd in zijn nek gelegd, zijn armen wijd uitgestoken. Hij genoot van de regen, van het stralende licht, van de angst en de adrenaline.

Ik heb me vaak afgevraagd of hij misschien een doodswens had. Dat hij zich zo goed over kon geven aan de ellende die hem overspoelde, omdat hij op zoek was naar iets dat alle pijn zou verjagen. Iets dat hem kon verenigen met zijn dode moeder en zijn verdwenen vader.

Hoe hij daar stond te lachen in de regen wist ik dat ik hem zou volgen tot het einde.


Plots klonk er luid geritsel achter ons. Het was onze begeleidster maar, die hulp en goed nieuws met haar meebracht. De dropping was afgelast.

De opluchting was hoor- en voelbaar. Een van de hulpliederen, een gespierde blonde god met spikes vol groene gel die, zelfs met al die regen, zo hard als staal waren, boog zich met een felle zaklamp voorzichtig over Ruben heen. Het jochie keek hem met half dichtgevallen ogen en bibberende lippen aan.

Al dat rood glinsterde prachtig in het licht van de zaklamp, ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. De blonde bink zakte nog verder naar de grond en raapte Ruben met kracht en beleid op. Het was eindelijk tijd om te gaan.


Meer dan honderd kinderen en begeleiders zaten op elkaar gepropt in een klein café, in afwachting van onze ouders, die ons ieder moment op konden komen halen. B. zat een stukje van ons groepje af.

Men had, zoals ik had voorzien, besloten dat alles zijn schuld was.

Ik voelde de spagaat al hangen, maar had op dat moment de energie niet om voor B. te kiezen. Heel even nog wilde ik me onderdeel van de groep voelen. Voordat ik, voor de zoveelste keer, vrienden zou verliezen omdat B. voor alles en iedereen ging.

Bovendien had ik mijn eigen oorlog te voeren. In alle paniek had ik mijn broek volledig vol gepist en het kon nooit lang duren voordat iemand de stank van mijn urine op zou vangen.


Bezorgde verzorgers druppelden één voor één naar binnen, paniekerige kinderen druppelden één voor één met hen naar buiten.

Daar had je de vader van B. Hij werd omringd door kleine wolkjes razernij, die uit zijn oren spoten. Ook hij had blijkbaar besloten dat zijn geadopteerde probleemzoon verantwoordelijk was voor de afloop van deze kutavond. Het zou me niets verbazen als hij een manier zou vinden om zelfs het slechte weer op B. te verhalen.

Die rood aangelopen man was de belangrijkste reden dat ik het zo spannend vond om bij B. te gaan spelen. Tegen mij was hij altijd vriendelijk, maar niets weerhield hem ervan zijn zoon te vernederen waar ik bij was.

Voordat hij zich tot B. wendde om hem aan zijn kraag mee naar huis te slepen, liep hij op mij af om me een warme schouderklop te geven. Hij leek zich aangetrokken te voelen tot mijn zachtheid, die hij zelf ontbeerde.

Het stel liep ruziënd naar buiten. B. keek nog even achterom en zocht mijn steun in de drukte. Ik volgde hem met mijn ogen, totdat hij uit het zicht verdween.

Voor hem moest het onweer nog beginnen.


Alles was intussen opgedroogd, behalve de grote pisvlek in mijn broek.

Mijn rugzakje lag opzichtig tussen mijn benen. Dadelijk zou men eindelijk inzien dat ik een mislukkeling was. Een peuterziel gevangen in het lichaam van een tienjarige homofiel. Een klein kind dat zijn plas liever liet lopen dan een volwassene te moeten vragen waar het toilet was.

Zonder mijn moeder was ik reddeloos verloren.

Mijn broek voelde warm en het stof schuurde aan de binnenkant van mijn benen. Al zo lang ik me kon herinneren had ik vies eczeem en bruinige korsten in mijn liezen. Als ik te vaak in mijn broek plaste, braken deze open en liepen er druppels pus naar beneden.

Dat was niet alleen gênant, maar ook pijnlijk.

Alsof de binnenkant van mijn broek vol zat geplakt met grote plukken brandnetel.


Het was daarom dat ik me op de grond van dat café zo min mogelijk probeerde te bewegen. De gesprekken over de tennisbal van Ruben gingen volledig langs me heen; ik had al mijn concentratie nodig om de geur van mijn pis weg te denken.

Als ik het niet kon ruiken, kon dat rest dat misschien ook niet.

Ik verloor de controle over mijn tong, wat ik altijd deed als ik me hard concentreerde. Ongemerkt verzamelden de tranen zich in de hoeken van mijn ogen, zo hard beet ik erop.

En toen was daar ineens mijn vader.

Vriendelijk en bezorgd boog hij zich over me heen. Toch kon ik maar net voorkomen dat mijn tranen veranderden in een hysterische huilbui.

Want hij was mijn moeder niet.

Door hem voelde ik me klein, verward en anders. Door hem voelde ik me een mislukte versie van mijn grote broer. Door hem voelde ik me een wandelende teleurstelling.

Omdat hij de man was die ik wilde zijn, maar nooit worden zou.

Mijn moeder zou me troosten als ze mijn natte broek zou zien, mijn vader zou boos worden. Dus stond ik met overdreven veel beleid op, de tas strak tegen mijn natte kruis gedrukt.

Mijn vader drukte zijn hand stevig op mijn rug en duwde me voorwaarts. Iedere stap deed pijn. Bij de uitgang wierp ik een laatste glimlach over mijn schouder en knikte ik naar de kinderen die voor heel even nog mijn vrienden waren.

Morgen zouden B. en ik weer samen alleen zijn.


Het vragenvuur van mijn vader, over onze avonturen in het bos, werd om de paar seconden afgekapt met schuine blikken in de achteruitkijkspiegel. De zoutzoete, weeïge geur die me omhulde, was onmisbaar.

Maar hij zag hoe rot ik me voelde en beet op zijn woede. Hoewel ik bang voor hem was, was ik hem daar uiterst dankbaar voor. Hij hield van me, zelfs als ik niet wist of ik ook van hem houden kon.

Dat moest voor nu genoeg zijn.

Thuis zou ik me huilend achter mijn moeder kunnen verschuilen. Zij zou de woorden kennen die ik nodig had. Zij zou de woorden kennen om me weer beter te maken.

Ik zou me getroost en geliefd voelen in haar armen. Ik zou de laatste dag van het kamp thuis mogen blijven, omdat ik wel genoeg mee had gemaakt. Ik zou haar een knuffel geven en niet naar haar luisteren.

Zo’n vriend was ik en zo’n vriend wilde ik blijven.

1. Vaderdag

woensdag

Opgroeien in een gat kent heus veel voordelen.

Afgeschermd van de grote buitenwereld is het als kind heerlijk toeven. Iedereen is je vriend, of een vriend van je vriend, en boerderijen maken uitstekende speeltuinen. Gillend door maisvelden rennen, op metershoge hooibalen klimmen, op je fiets door de polder racen, wildplassen, paarden borstelen, tractors besturen, kippeneieren verzamelen, de lijst is eindeloos.

Opgroeien in een gat kent echter ook veel nadelen.

Eén van de belangrijkste is de totale afwezigheid van welke voorziening dan ook. Dat maakt van iets eenvoudigs en vanzelfsprekends, zoals het kopen van een Vaderdag cadeautje, een uitdaging die zijn weerga niet kent.


Tot een bepaalde leeftijd verlieten mijn broer en ik MK enkel onder het toeziend oog van onze vader of moeder, met de auto. Kleren kochten we in Den Bosch, boodschappen deden we in een nabijgelegen dorpje dat wèl over een supermarkt beschikte.

Toen we wat ouder werden, groeide onze bewegingsvrijheid. Vooral de stap naar de middelbare school was een grote. Onze ouders konden er niet aan beginnen om ons iedere dag naar Den Bosch te brengen, dus moesten we met de fiets. Vijftien kilometer heen, vijftien kilometer terug. Er reed wel een bus, maar slechts volgens een beperkte en vrij onmogelijke dienstregeling.

Ik vond dat fietsen verschrikkelijk en ontzettend eenzaam, mijn broer vond het geloof ik wel prima.

Enfin, onze mobiliteit groeide en dat betekende dat mijn broer en ik, geheel terecht, ook in staat werden geacht om een cadeautje te kopen voor Vaderdag. In dat ene nabijgelegen dorp, zes kilometer landinwaarts.

Een paar keer ging dit goed. Eén keer ging dat helemaal fout.


Die ene keer verliep de heenweg voorspoedig en zonder incidenten. De tocht naar de semi-bewoonde wereld was stiekem best een mooie. Een slingerende dijk, een felle zon, de geur van koeien, kippen en vervuild rivierwater.

Het einde van MK werd gemarkeerd door onze appelboer; ik zie zijn grijze kelder, gevuld met kisten vol appels, nog zo voor me. Maar vooral ruik ik dat hok, zoet en oud, zoals zoveel uit mijn jeugd.

We fietsten ons dorp uit en passeerde achtereenvolgens een half verlaten camping, een klein huizencomplex van golfplaten waar de ‘zigeuners’ woonden en een stel dolle herders ons nablaften, een paar vleesverwerkingsbedrijven die stonken naar verbrand leven en opvielen door het gekrijs van stervende varkens en, tot slot, het bord dat ons welkom heette in L, onze beoogde bestemming. De hele tocht de Maas aan onze linkerhand.

Via de dijk kwam je helemaal aan de verkeerde kant het dorp binnen. Echter, de andere route, over de provinciale weg, maakte regelmatig dodelijke slachtoffers, dus die twee extra kilometers namen we graag op de koop toe.

Eindelijk kwam de kerk in zicht en konden we dijk verlaten. Na een paar binnendoor weggetjes bereikten we het ‘winkelcentrum’. Een Jumbo, een Etos, een kleine bibliotheek en een soort aftandse voorloper van de Action, die de naam van de eigenaresse droeg: de ‘mevrouw Latour’.

Bij deze laatste moesten we zijn, want ze hadden er ALLES. Lego, Pokémonkaarten, Barbies, bordspellen, vazen, kleren, schoenen, laarzen, meubels, glijbanen, puzzels, vogels, vissen, zwembaden, medicijnen, snoep, boeken, bloemen, make-up, hondenbrokken en mest.

Je kon het zo gek niet bedenken, of mevrouw Latour wist het in haar eigen dozen-doolhof voor je te vinden.

Mijn broer en ik struinden zonder enig plan van gang naar gang en plank naar plank, terwijl we probeerden niets om te gooien (er was geen magazijn, de hele voorraad stond in torenhoge stapels in de winkel zelf).

Na een speurtocht van misschien wel uren, kozen we uiteindelijk voor een videoband van Asterix & Obelix. Iets met Cleopatra, geloof ik. Dit klinkt achteraf nogal stom, en eigenlijk was het dat toen ook al een beetje.

We rekenden af bij de zoon van mevrouw Latour, die tegen de 50 liep (mevrouw zelf was een wandelende bochel, met permanent roodgeverfd haar en rimpels die tot over haar lippen hingen), en stapten op onze fiets.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


Het ging mis toen we de dijk beklommen. Net voordat we boven waren, zag ik twee jongens van rechts naar links voorbij fietsen. Ik herkende ze meteen, ze stonden bij de lokale jeugd bekend als de ‘dikke en de dunne’.

In een opwelling wilde ik direct afstappen en bij iemand aanbellen. Om tijd te rekken. Om me veilig te voelen, mocht er iets akeligs gebeuren.

Zoals dat gaat met herinneringen, weet ik niet meer zeker of ik daadwerkelijk ben afgestapt.

Ik denk het niet.

Hoewel ik tegenwoordig weet dat mijn intuïtie eigenlijk altijd klopt, durfde ik er toen nog niet zo goed op te vertrouwen. Of, ik durfde er nog niet zo goed voor uit te komen dat ik dingen voelde die andere mensen, zoals mijn broer, blijkbaar niet voelde.

Met het hart in mijn keel en het zweet onder mijn oksels sloeg ik daarom linksaf, mijn broer achterna. De dikke en dunne bevonden zich slechts enkele tientallen meters voor ons. Ik probeerde zo langzaam mogelijk te fietsen en liet het gesprek tussen mij en mijn bloed stilvallen. Als ze ons niet konden horen, zouden we een ramp misschien af kunnen wenden.

Maar mijn broer en ik begrepen elkaar in die tijd al nauwelijks meer. Hij snapte niet waarom ik verstijfde en praatte enthousiast door, zoals alleen hij dat kan. Ik probeerde hem te doden met mijn blik, zoals alleen ik dat kan.

Ik was te laat.

De twee jongens hadden ons opgemerkt. Ze remden af en kwamen naast ons rijden, met haat en leegte in hun ogen. De dikke sprak en lachte, de dunne was de duivel.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Ze richtten zich volledig op mijn broer, het was alsof ik niet bestond. Nu vind ik het over het algemeen prima om niet op te vallen, maar op dat moment wilde ik zo graag dat ze mìj zagen. Dat ze mijn broer met rust lieten. Dan was alles nu misschien wel anders geweest.


Het begon nog redelijk onschuldig, met schelden, schreeuwen en spugen.

Zo verschrikkelijk dat clichés juist op de meest cruciale momenten vaak zo waar blijken te zijn. Ik voelde hoe mijn lippen dichtgenaaid werden met de scherpte van hun woorden. Hoe mijn spieren in de kramp schoten en ik enkel nog als een robot door kon trappen.

Links,

rechts,

links,

rechts,

links.

Ik wilde zo graag helpen, maar de angst had me versteend

Ik wilde zo graag dat die klodders spuug mìj zouden verblinden en bezoedelen, niet hem.

Ik wilde zo graag dat alles anders zou zijn.

Maar dat was het niet.

Ik wilde zo graag dat ze mìj uitscholden en niet hem. Ik was een vuile flikker. Een verwijfd moederskind. Een watje met een bloempotkapsel. Ik verdiende hun woorden; mijn broer was een held en verdiende het met rust gelaten te worden.

Maar dat deden ze niet.


Dus keek ik toe. En ik zag hoe het erger werd, en gevaarlijker. De dunne haalde met zijn rechtervoet uit naar de fiets van mijn broer. Hij miste en verloor bijna zijn evenwicht. Maar hij was volhardend en probeerde het nog een keer. Met meer succes.

Hij raakte mijn broer vol tegen zijn linkerbeen. Hoewel mijn broer zich vanaf het begin kranig had verweerd met boze woorden, deed die schop hem pas echt krijsen. Van angst. Van pijn. Van woede.

Mijn oren bloedden en huilden.

Ik krijg nog kippenvel als ik aan die hartverscheurende oerkreet denk. Hoewel ik hem sindsdien nooit meer heb gehoord, suist hij nog steeds na in mijn dromen.

Het liet de bloedeloze dunne koud, zijn trappen waren niet te stoppen.

Mijn broer was een goede fietser, maar het kon niet lang uitblijven. Met een snik viel hij uiteindelijk in volle vaart in de kleiachtige berm.

Alles ging zo snel en toch duurde zijn val eindeloos.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf.

Hij kwam ongelukkig neer en moet veel pijn hebben gehad. Mijn pijn was van een andere aard. De smak die hij maakte, brak mijn vertrouwen in de droom waarin ik tot dusver had geleefd.

Ineens was ik geen kind meer.


De dikke en de dunne hielden een stuk voor ons halt. Ik hoorde ze lachen als hyena’s, terwijl ze donkere blikken over hun schouders wierpen. Ze waren nog lang niet uitgespeeld.

Felle zonnestralen vulden de dijk met hun monsterlijke slagschaduwen. Een kolkende Maas in de diepte. De zwangere lucht blies verbrand vlees in mijn gezicht en de blatende schapen, die kalm de dijk afgraasden, staarden ons met een nietsontziende leegheid aan.

Met moeite trok ik mijn broer, die inmiddels gefrustreerd lag te huilen, uit de modder. Zijn tranen hadden net zo goed de mijne kunnen zijn.

Ze hadden de mijne moeten zijn.

We stapten op de fiets en overdachten in stilte onze opties.

Er was maar één toegestane weg naar huis: die kutdijk, waar geen einde aan kwam, juist als je hem nodig had. Omkeren kon ook, terug naar L, om vanuit daar de gevaarlijke provinciale weg naar huis te nemen. Echter, het was onvermijdelijk dat de twee jongens voor ons zich dan met ons mee om zouden draaien. Iets beters hadden ze toch niet te doen.

Voor de allerlaatste keer begrepen we elkaar zonder te spreken. We moesten doorfietsen en hopen op het beste.

Thuis stonden er stroopwafels en warme chocomel op ons wachten.


De marteling ging nog minstens een kwartier door. Tot drie keer werd mijn broer van zijn fiets afgeschopt. Ik was slechts een anonieme omstander die wezenloos achter een parade van geweld aanreed en m’n grote broer telkens weer opraapte. Keer op keer op keer.

Ik voelde me een verrader.

Zo graag wilde ik die broer zijn waarover je in de klassiekers leest. Een broer die zijn bloed beschermt, die alle klappen opvangt. Een broer waar je op kunt bouwen, die het gevaar verjaagt en je tranen veegt.

Uit liefde.

Omdat het hóórt.

Maar ik was een laffe schijter, onthutst door het feit dat ik begon te beseffen dat ik opgelucht was dat ze hem hadden uitgekozen, en niet mij.

Ik stierf, ik stierf, ik stierf en keek toe hoe mijn broer werd bespuugd en vernederd. Verder deed ik he-le-maal niets.


Het stopte net zo abrupt als het begonnen was. Lachend sloegen de dikke en de dunne linksaf, ik zie ze nog de dijk afsjezen. Zonder zorgen.

Voor een laatste keer raapte ik mijn gebroken broer op van de grond. Ik durfde hem niet meer recht aan te kijken, bang als ik was voor wat ik in de krochten van zijn ogen aan zou treffen. Hij moest ook weten dat ik hem moedwillig had opgeofferd aan de duivel. En dat ik daar niet mee kon leven.

Hij was mishandeld, maar ik had mezelf leren kennen.

Met een brok kots in mijn keel probeerde ik hem te troosten. Ik denk nog steeds dat een bedankje toepasselijker was geweest.

Of halfslachtige excuses, omdat ik hem zo tekort had gedaan.

Met een verwrongen gezicht stapte hij op zijn fiets. Hij hield zich groot en dat deed hij speciaal voor mij. Zijn kleine broer moest beschermd worden tegen het onrecht, de pijn en de willekeur van het menselijk bestaan.

Hij was te laat.

Hij gaf me een vluchtige grimas om alles goed te maken en begon voorzichtig maar vastbesloten te trappen. Ik trok me aan hem op en hield me stevig vast aan zijn modderige en bebloede hand.

 

Hoe harder ik kneep, hoe sneller we elkaar kwijt zouden raken.