MEST podcast: Hub! #5 met Sandro en Dennis

nieuws

Enkele weken geleden werd ik door Twan geïnterviewd over mijn deelname aan het WOLK-traject voor jonge schrijvers. Samen met mijn WOLK-mentor Dennis Gaens bespraken we de ‘naakte’ waarheid, schaamte en mijn onvoltooide debuutroman als tienjarige. Verder hadden we het over wat, en wie, ik wil bereiken met mijn verhalen, over waarom kwetsbaarheid en intimiteit mijn belangrijkste pijlers zijn en over waarom dat sommige mensen zo afschrikt.

Je kunt deze podcast hieronder terugluisteren.

Ophelia

2020, literair, publicaties

(verscheen eerder op virusverhalen.nl)

Ik laat de badkuip vollopen. Beneden blaft de hond. Moeder rommelt in de keuken. Met haar maaltijden probeert ze al wekenlang tot in mijn schemerwereld te reiken. Proeven doe ik niet meer, eten alleen om haar niet te kwetsen.
    In afwachting van genoeg water trek ik mijn shirt uit, rust ik mijn wang tegen de openstaande deur. Zachtjes streel ik de klink. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. De vlokken schuim knisperen en ik ga geknield aan de rand van het bad zitten, mijn hoofd naar het schuimkasteel gebogen. Ik draai de kraan dicht en schrik van de stilte die achterblijft. Snel sta ik op.
    Met mijn rug naar het water tel ik nauwkeurig mijn ribben, die iedere dag wat verder door al dit vel heen prikken. Het zijn er net zoveel als gisteren.

Slapen lukt me zelfs niet met het leeslampje aan en de deur op een kier. De jongen tegenover me zit gevangen in de spiegel die aan de kastdeur hangt. Ben ik dat? Ben ik dat?
    Wie is dat?
   Ik werd wakker in mijn studentenhuis en ik wist het niet meer. Nu lig ik in mijn oude bed, ouders aan de overkant van de gelamineerde overloop, en ik weet het nog steeds niet. Warmte verspreidt zich door al deze ledematen, vingers beginnen te tintelen en te zweten. Oogcontact met mijn reflectie dwingt mijn ademhaling tot afgeknepen hoogtes. Het is alsof ik moet overgeven, maar het braaksel telkens net te vroeg weer inslik. Ik ben bang dat er te veel leegte achterblijft als ik loslaat wat er vastzit. Dat ik verdwijn als ik accepteer hoe verloren ik me voel.
    Evengoed blijf ik kijken.

Halfnaakt ren ik de trap af. Met een geknepen stem smeek ik om mijn vader. Zijn hoofd verschijnt om de hoek van zijn provisorische kantoor, spits als een stokstaartje. Hij draagt de paarse trui die hij iedere avond draagt en zijn ogen beginnen de dofheid van de mijne te evenaren. Ook hij is een gevangene nu.
    Hij komt op me af en neemt me in zijn warme armen. Daar zijn ze weer, de tranen. Lange uithalen, mijn hele lijf doet mee. Hoe kan het toch dat ik iedere keer vergeet naar lucht te happen? Een half uur lang staan we daar, in de grondig gepoetste woonkamer. De hond cirkelt blaffend om ons heen en geeft onze benen kopjes. Lichamelijk contact maakt hem jaloers. Slet.
Vader beëindigt onze omhelzing en laat zijn handen lichtjes op mijn schouders rusten. ‘Hou alsjeblieft vol. We helpen je, je bent niet alleen. Wij zijn er.’
    Zijn woorden brengen een nieuwe paniekgolf teweeg. Omdat hij liegt, en niet begrijpt dat ik het gewicht van dit hoofd in mijn eentje draag. Ik ben degene die langzaam vervaagt, die verdrinkt op het droge, die niet meer hier is maar ook nog nergens anders. Als hij het over zijn hart kon verkrijgen me te haten, zou ik vader en de rest van mijn familie vandaag nog in de steek laten. Dat hij me aan mag raken, me zo mag zien, is een daad van liefdadigheid, geen erkenning van zijn hulp.
    Hij draait me om en begeleidt me de kamer uit, terug de trap op. Zijn rechterhand brandt een gat in mijn ontblote rug. Stoom uit de badkamer op de overloop. Normaal gesproken zou vader me dit schreeuwend kwalijk nemen. De brandmelder is nogal gevoelig en krijst door merg en been.
    Vandaag blijft het apparaat stil. Net als mijn vader. Vanaf nu ben ik de brandmelder. En ik ga constant af.

Mijn broer en zijn vriendin staan hand in hand in de achtertuin, de hond duwt zijn neus kwispelend in hun kruis. Eerst het hare, dan het zijne. Slet.
    We zouden met zijn allen naar de film, maar de bioscopen zijn dicht en ik vind het huis uitgaan eng. Met gepaste afstand schuiven we daarom onze stoelen onder de grote tafel, afhaalbakjes Chinees tussen ons in. Ik schuil in de schaduw van de oude wilg, die volhangt met slingers.
    Er worden moppen getapt en broerlief pronkt met zijn nieuwste tatoeage, om me op te beuren. Hij is mooi, wil ik zeggen. In plaats daarvan laat ik een vork in het gras vallen. Ik ken mijn eigen krachten niet meer. Broer negeert de wensen van het RIVM en pakt het ding voor me op. Wanneer hij het teruggeeft, knijpt hij zelfs even in mijn nek.
    Zou de ziekte die ik bij me draag ook besmettelijk zijn?
    Er is babi pangang en saté en gefrituurde banaan en ik probeer overal een hapje van te nemen. Het lukt niet. Gelukkig heeft de rest wel trek. Na het feestmaal zet vader mijn stoel in het midden van de tuin. De gaten die mijn familie laat vallen om zich om mij heen te mogen verzamelen doen me weinig. Ik zat al in quarantaine. Ze zingen lang zal je leven en overladen me met confetti. Vader en moeder geven me een knuffel en een slof sigaretten. Broer biedt me zijn excuses aan. Om hun gevoelens te sparen, verzwijg ik dat het me niets kan schelen dat hij en zijn vriendin mijn cadeau vergeten zijn. Ik probeer hem een glimlach te geven, maar barst per ongeluk in janken uit. Geschrokken draai ik mijn hoofd weg. Niemand hoeft te zien hoe ik met iedere snik een stukje lichter word.

Met zijn benen over elkaar zit hij op de wc-deksel.
    Ik gok dat ik elf was toen ik voor het laatst samen met vader in de badkamer was. Domme pech; ik vergat verder nooit de deur op slot te doen. Schaapachtig keken we elkaar aan. Ik probeerde de val van mijn poep uit te stellen, hij probeerde het ongemak uit zijn gezicht te plooien. We faalden. Mijn plons was laag en diep, zijn lach hoog en schril.
    Trillend trek ik mijn trainingsbroek uit. Vader wendt zijn blik af. Ook psychiatrische patiënten verdienen af en toe wat privacy, lijkt hij te willen zeggen. Lief van hem.
    Maar het stemmetje in mijn hoofd weet wel beter: hij kijkt enkel de andere kant op omdat hij mijn uitstekende ribben te pijnlijk vindt. Nog een bewijs dat mijn vader liegt als hij zegt dat ik niet alleen ben. Voor hem is er, net als al die jaren geleden, nog steeds te veel ongemak om alle plooien glad gestreken te houden. Ik, daarentegen, ken geen schaamte meer. Die luxe heb ik, samen met mijn huissleutel, in moeten leveren.
    Wanneer ik ook mijn onderbroek naar beneden laat vallen, komt hij naast me voor de badkuip staan. De kraan loopt weer en de ruimte vult zich met tranen. Zolang ik hier sta, koude tegels onder mijn tenen en zijn hand op mijn rug voel, ben ik veilig, lukt het me misschien hier te blijven.
    ‘Hoe kan ik je helpen?’
    Het schuimkasteel ruist als ik mijn linkerhand er langzaam doorheen haal. Wat blijft plakken, blaas ik weg. De onderwaterwereld die gedeeltelijk tevoorschijn komt, roept me. Ik wil het bad niet als uitweg zien, maar weet niet meer hoe dat moet, weet niet of ik dat ooit nog weten wil. Mijn vader herkent het. Mijn gevecht tegen wat ik onvermijdelijk acht. Nogmaals pakt hij me vast.
    ‘Ik zit in de kamer hiernaast. Er gebeurt niets.’
    Hoewel ik hem niet geloof, knik ik. Ik wil hem niet kwetsen, dus moet ik in leven blijven.
    ‘Ik vertrouw je. Er gebeurt niets.’ Hij tilt zijn bril op en droogt zijn tranen aan zijn paarse trui. Dan draait hij zich om. Zijn vingers glippen door de mijne. Het doet zeer.

Ik laat mijn brandende sigaret op het gras vallen en trap hem plat. Hij was nog lang niet op. Het wapperende gordijn blijft even aan mijn lijf kleven als ik naar binnen stap. Vanaf hun bank kijken mijn ouders me liefdevol aan, blij dat dit buitenverblijf een paar seconden langer was dan het vorige. Ik zwaai naar ze en ga achter de piano zitten. De noten dansen voor mijn ogen, bungelende armen naast me. Vroeger maakte ik dagelijks muziek.
    Plotseling laat vader een scheet. Hij grinnikt. Ik hoor hoe moeder hem een tik geeft; vastgeroeste rituelen zijn, zeker nu, belangrijker dan ooit. Mijn handen klemmen zich om de pianokruk. Om niet te stikken, begin ik te huilen. Moeder staat op en vraagt of ik een kopje thee wil. Ik schud van nee. Daarop pakt ze me beet, duwt ze me naar buiten. ‘Ga lopen. Probeer het nog eens.’
    De zandverstuiving lijkt anders vandaag, leger. Is dat ook. Ik laat me in het zand vallen en begin met mijn stijve ledematen engelen te maken.

Koortsachtig hevel ik het schuim uit het bad over naar de wc. Ik moet zien waar ik tegen vecht. Mijn gebaren worden steeds wilder. Boos smijt ik vlok na vlok de pot in, totdat het water helder genoeg is. Door de open deur hoor ik vader zijn neus snuiten. Altijd diezelfde blauw geruite zakdoek. Ik vraag me wel eens af of dat ding ooit gewassen wordt.
    Woedend spoel ik door. Hij verdient dit niet, mijn vader. Mama, die beneden gespannen door haar zelfgemaakte tomatensoep staat te roeren, ook niet. Net als mijn broer, kilometers verderop.
    Terwijl ik de wc uit laat razen, sluit ik de deur. Opnieuw rust ik mijn hoofd er tegenaan en ik streel en ik streel en ik streel de klink. Ik grijp het slot vast en knijp erin totdat mijn knokkels rood gloeien. Ademloos draai ik het millimeter voor millimeter naar links. De klik hoor ik nauwelijks, door het bonzen in mijn slapen. Hij is dicht. De deur is dicht.
    Voorzichtig laat ik me in het bad glijden. Voeten, benen, kont, handen, rug, armen. Even blijf ik zo liggen, kijk ik hoe mijn penis drijft. Dan verdwijnt eveneens mijn opgeheven hoofd onder water.
    Ik open mijn ogen en kijk naar het plafond dat boven me dobbert. Mijn schedel voelt als een vissenkom, waar mijn angsten eindeloos rondjes in dobberen. Het is er bedompt en het glas is beslagen. Omringd door daadwerkelijk water voel ik me minder gek. De verstikking stelt me eerder gerust dan dat ze me beangstigt. Dat beangstigt me.

Ze stopt het getril van mijn handen. Wat een eeuwigheid geleden lijkt stond ik nog in mijn eigen keuken, nu helpt moeder me iedere dag met het snijden van de glimmende groentes die voor ons liggen. Niet omdat ik het zelf niet kan, maar omdat ik het zelf niet durf. Lief van haar.
    Ik stel me voor dat ik het mes gewoon in mijn buik drijf, om eruit te snijden wat er mis met me is. Mijn moeder houdt niet van bloed en zwaait het raam naast de gootsteen open. Ze wenkt me, pakt mijn gezicht vast en samen steken we onze hoofden naar buiten. We weten allebei dat het niet helpt, even wat frisse lucht. Toch blijft ze het proberen.

Het bonzen in mijn slapen verhevigt. Het plafond verliest focus en ik tel sterren, die een voor een verschijnen. Ik ben te moe om me af te vragen waar het mis is gegaan. Het ging mis en het doet pijn en nu lig ik hier. Liever verdrink ik echt dan dat ik een vis op het droge blijf. Ik verzet me tegen de druk van het water en duw mezelf nog harder tegen de bodem.
    Terwijl ik daar lig, denk ik aan mijn ouders en dat ik zou willen dat ze beter hun best hadden gedaan. Dat ze me hadden geleerd voor mezelf te kiezen, wat doorzetten betekent, en dat opgeven daar soms ook onder valt. Dat loslaten uiteindelijk de mooiste vorm van liefde is.
    Door mijn wimpers zie ik steeds meer sterren en ik probeer het aanzwellende lawaai in deze vissenkom te negeren. Ik worstel met het besef weer naar boven te moeten. Er is meer water om me heen dan dat ik tranen heb. Als ik lang genoeg blijf liggen, kan ik de leegte in mijn lijf opvullen, hoef ik misschien nooit meer bang te zijn om zomaar weg te waaien.
   Het toenemende bonzen maakt het moeilijker en moeilijker om me te concentreren op stoppen met ademhalen. Wanneer ik gefrustreerd mijn ogen verder open sper, begrijp ik plots dat de herrie niet in mijn hoofd zit, maar op de deur staat te kloppen.
    Mama.
   In een opwelling schiet ik omhoog. De drang om te ademen is vele malen sterker dan ikzelf, groter dan de noodzaak te verdwijnen. Ik kan het niet. Niet nu. Niet zo. Zolang mijn moeder me beethoudt, en mijn vader, en mijn broer, de hond, moet ik mijn middelvinger opsteken naar dat wat me kan bevrijden. Zodat zij door kunnen.
    ‘Hoe gaat het daar?’ fluistert mijn moeder. Driemaal slikken is te weinig. Dan maar zes, al gun ik haar al die stilte niet.
    ‘Goed,’ zeg ik. ‘Ik kom er bijna uit, hoor!’
   Ik klamp me vast aan haar hoorbare zucht, krom mijn vingers om de badranden en klauter de kuip uit. Zelfs met twee voeten op de grond stijg ik bijna op. Ik draai me om, zak door mijn knieën en trek de zwarte stop los. Mijn hand laat ik boven het gat zweven en ik voel hoe al dat water zachtjes aan me trekt, voordat ze naar beneden gezogen wordt.
    Op mijn tenen loop ik naar de beslagen spiegel. Alles druipt. Met mijn vingers teken ik figuren in de loopgraven tussen mijn ribben. Daarna duw ik mijn penis tussen mijn benen en fantaseer ik heel even dat ik Ophelia ben. Zij slaagde er in niet meer boven te komen. Zij vloog weg.

De liefste klootzak die ik ken

literatuur zonder leeftijd, publicaties

Over homoseksualiteit in Rotmoevie, van Marian de Smet

(zoals verschenen in Literatuur Zonder Leeftijd, 2013)

1. ingelijst in goud.

Op 14 september jongstleden was het weer zover: de Gouden Lijst werd uitgereikt aan de best geschreven jeugdboeken in de leeftijdscategorie van 12 tot 15 jaar. Ditmaal vond het festijn plaats in de Openbare Bibliotheek te Amsterdam, tijdens de Middag van het Kinderboek. Holly Goldberg won met Ik zal er zijn de prijs voor het best vertaalde boek, terwijl Rotmoevie van Marian de Smet tot beste oorspronkelijk Nederlandse boek werd uitgeroepen. De auteurs ontvingen, naast een daadwerkelijk gouden lijst, een bedrag van 1500 euro. Daarnaast gingen Rebel met vleugels (Marcel Roijaards), Zwarte zwaan (Gideon Samson) en Gesplits (Neal Shusterman, oorspronkelijke titel Unwind) naar huis met een eervolle vermelding. 

De Gouden Lijst is een relatief jonge speler in het (jeugd-)literaire veld. De prijs werd in 2011, op nadrukkelijk verzoek van de Griffeljury, in het leven geroepen om de leegte tussen de Griffels (tot 12 jaar) en de Diorapthe Jongerenliteratuurprijs (vanaf 15 jaar) op te vullen.[1] Iedere jeugdleeftijd heeft daarmee nu haar eigen prijs. De Gouden Lijst heeft als specifieke missie “het contact tussen jeugd en boek in Nederland te bevorderen door op zo groot mogelijke schaal en zo breed mogelijk gespreid, aandacht te vestigen op goede jeugdboeken”[2]

Dit jaar werd deze taak uitgevoerd door een volledig vrouwelijke jury, met Gerlien van Dalen als voorzitter. De juryleden lazen meer dan zestig titels die uitkwamen in 2012. De dames besteedden in hun rapport veel aandacht aan thematiek, maar eveneens aan “kwaliteit van tekst en vertaling, stijl, compositie, afstemming op de doelgroep en geloofwaardigheid”[3]. Ze merkten daarbij op dat Nederlandse boeken flink ondervertegenwoordigd waren. Ze deden het beter dan in voorgaande jaren, maar er is nog ruimte voor “meer goede literaire oorspronkelijk Nederlandstalige boeken voor het Gouden Lijstpubliek”.[4] Gelukkig laat een boek als Rotmoevie zien dat Nederlandse en Vlaamse auteurs bepaald niet achterlijk zijn. Maar wie is die Marian de Smet eigenlijk?

2. een rotmoevie.

Marian de Smet werd op 27 maart 1976 geboren te Mechelen. Ze studeerde woord, muziek en beeld in Hasselt, alvorens de lerarenopleiding kleuteronderwijs af te ronden in Heverlee. Hoewel ze inderdaad kleuterjuf werd, begon ze reeds snel met het schrijven van kinderboeken. In eerste instantie richtte ze zich daarbij, als een ware kleuterjuf, op de allerkleinsten; haar eerste vier boeken Op slot (2001), Lieve, stoute zon (2006), Broertje te koop (2007) en Ik woon in twee huizen (2008) waren prentenboeken voor peuters en kleuters. In 2008 vond er echter een omslag plaats: De Smet publiceerde haar eerste jeugdroman, De woorden van zijn vingers. Een gouden greep, zo bleek, want in 2010 kreeg het boek de prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen. In 2011 volgde Geen bereik, eveneens een jeugdroman, en reeds een jaar later lag Rotmoevie alweer op de boekenplank.[5]

Rotmoevie draait om de bijzondere vriendschap tussen twee eenzame en ontdane pubers. Eppo, een schuchtere tiener, heeft al liftend zijn ouderlijk huis verlaten, om de grote, boze buitenwereld te ontdekken. Al snel stapt hij in bij Tabby, een energiek, Vlaams meisje van achttien. Hoewel ze geen specifiek doel voor ogen heeft, is het Eppo direct duidelijk dat dit meisje voor iets, of iemand, op de vlucht is. Samen rijden de twee dagen achtereen door Frankrijk, op zoek naar niets. Althans, dat is de schijn die ze beide proberen op te houden.

Want tussen de regels door wordt al snel duidelijk dat ook Eppo met problemen worstelt. Maar waar Tabby ratelt om niet echt te hoeven praten, kiest hij ervoor zijn lippen stijf op elkaar te houden; hij zwijgt. Dat weerhoudt de twee er gelukkig niet van een intrigerende vriendschapsrelatie op te bouwen. Overdag rijden ze, ‘s avonds bezoeken ze campings en slapen ze samen in een tentje. Van een opbloeiende romance is echter geen sprake, en naarmate het verhaal vordert, wordt het duidelijk waarom. Tabby blijkt zwanger van haar vriend Rob, met wie ze al enkele jaren samen is. Ze vermoedde dat hij het kind niet wilde en uit angst besloot ze hem (tijdelijk) te verlaten.

Eppo’s voorgeschiedenis is minstens zo tragisch en loopt als een rode draad door het boek. Hij groeit op als enig kind bij zijn begripvolle, maar ietwat vreemde hippie-ouders en lijkt maar geen aansluiting te kunnen vinden bij de rest. Daar komt verandering in wanneer Eppo op zijn elfde voor het eerst Maarten, zijn ‘weekend-broer’, ontmoet. Maarten is op dat moment een stoere en agressieve 13-jarige jongen, die op zeer slechte voet leeft met zijn moeder. Bij Eppo’s gezin lijkt hij  enigszins tot rust te komen. Dat heeft alles te maken met de speciale band die zich tussen de twee ‘broers’ ontwikkelt. Maarten toont Eppo zijn kwetsbare en breekbare kant en langzaam worden de twee meer dan broers. Meer dan vrienden zelfs. Het is daarom des te pijnlijker dat een fataal verkeersongeval voortijdig en onverwacht een einde maakt aan Maarten’s leven.

Stukje bij beetje doet Eppo deze heftige voorgeschiedenis uit de doeken, waarmee het voor Tabby, en de lezer, met iedere bladzijde duidelijker wordt waarom hij op de vlucht sloeg. Met man en macht probeert hij de leegte, die Maarten achterliet, op te vullen, maar dit blijkt een onmogelijke opgave. Hun bijzondere broederliefde blijft Eppo achtervolgen. Wanneer dan ook nog eens blijkt dat Maarten hem vlak voor zijn dood een emotionele brief stuurde, breekt zijn verzet. Hij vertelt Tabby alles en gaat, eindelijk, terug naar huis. Misschien niet genezen van zijn gebroken hart, maar wel klaar om de confrontatie met zijn eigen eenzaamheid aan te gaan.

De Gouden Lijst jury prijst De Smet’s schrijfstijl, maar legt de focus voornamelijk op het verhaal en de thematiek van Rotmoevie. Daarbij ontstaat enige verwarring. Enerzijds lauwert ze dit boek “over de ontwikkeling van een vriendschap, over het verwerken van verdriet, en over groei − thema’s die bij de leeftijd van het Gouden Lijstpubliek aansluiten.”[6] Anderzijds noemen de vrouwen Rotmoevie “een volwassen boek over grote thema’s als de dood en homoseksualiteit”[7]. Impliciet worden ‘homoseksualiteit’ (en ‘dood’) hier zowel jeugdige als volwassen thema’s genoemd. Helaas wordt deze visie niet verder onderbouwd. Dit laat de ruimte over voor een ‘roze’ analyse van Rotmoevie. Hoe construeert De Smet homoseksualiteit? En onderscheidt zij zich hiermee van andere auteurs?

3. Focault en de macht der seksualiteit.

Homoseksualiteit is een veelbesproken onderwerp, zeker met betrekking tot jeugdliteratuur. Auteurs maken thematisch dankbaar gebruik van niet-heteroseksuele relaties, maar slagen er desalniettemin zelden in stereotypering volledig te omzeilen. Foucault’s visie op macht en discourses maakt deze tendens zeer inzichtelijk. Deze Franse filosoof en theoreticus publiceerde in de tweede helft van de twintigste eeuw meerdere boeken die machtsrelaties aangaande seksualiteit bespraken. Hoewel Foucault (jeugd-)literatuur niet apart behandelde, is zijn theoretische visie hier wel inzetbaar.

Volgens Foucault valt iedereen ten prooi aan verschillende discourses die ‘heersen’ in een bepaalde maatschappij. Een ‘discours’, een ingewikkeld en veelomvattend begrip, kan omschreven worden als de denkwijze over één topic op één bepaald moment, die voortkomt uit de manier waarop men erover spreekt en schrijft. Dit creëert macht en machtsrelaties, aangezien een discours bepaalt wat er wel/niet gezegd kan worden over een specifiek onderwerp. Homoseksualiteit had lange tijd geen eigen discours. Het was ‘enkel’ het antoniem van normale (hetero-)seksualiteit: een ziekte, een zonde. Gelukkig kwam daar langzaam verandering in: “homosexuality began to speak in its own behalf, to demand that its legitimacy or ‘naturality’ be acknowledged (Foucault, 1976 p. 101)”[8]. Homoseksualiteit vond haar eigen ‘taal’, haar eigen discours.

Op sommige vlakken was hiermee de strijd gestreden, maar het discours der homoseksualiteit is binnen meerdere contexten nog lang niet volgroeid. Uit Roberta Trite’s Disturbing the Universe: Power and Repression in Adolescent Literature blijkt dat dit laatste zeker geldt voor jeugdliteratuur. Natuurlijk is het mooi dat er jeugdromans verschijnen die homoseksualiteit bespreekbaar maken, maar de manier waarop laat, emancipatoir gezien, vaak te wensen over. Dit is onder andere het gevolg van de onderdrukking waar homoseksuele karakters regelmatig mee te kampen hebben. Deze homoseksuele tieners “are affected when they develop their sexuality oppressed because of their orientation (Trite, 2000, p. 102)”. Hun seksualiteit is de ‘mindere’ en wordt stelselmatig de kop in gedrukt, waardoor ze minder macht ervaren dan hun heteroseksuele gelijken.

Het grootste probleem is echter de wijze waarop veel auteurs, in navolging van Foucault zelf, het discours der homoseksualiteit stelselmatig boven de fysieke, seksuele handeling tussen twee mannen of twee vrouwen stellen (103). Iedere vorm van daadwerkelijk homoseksueel gedrag wordt omgevormd tot een talige onderstreping van het homoseksuele discours; homoseksueel genot blijft onzichtbaar. Afzonderlijk is deze tendens wellicht nog enigszins overkomelijk. Maar in combinatie met de negatief geladen retoriek, die in termen van onderdrukking blijft spreken, is het eindbeeld bepaald niet rooskleurig. Homoseksuele personages staan machteloos: hun discursieve, retorische macht bestaat enkel uit negatief geladen uitlatingen en lichamelijk kennen ze helemáál geen macht.

Met deze negatieve en seksloze constructie van het ‘discours der homoseksualiteit’ missen veel jeugdromans hun doel volledig. De meeste boeken willen niet-heteroseksuele thematiek namelijk juìst literair op de kaart zetten. Lukt Marian de Smet dit met Rotmoevie wèl?!

4. gewoon Eppo.

Rotmoevie valt voornamelijk op door (homo-)seksualiteit nauwelijks expliciet als thema aan te dragen. Dit klinkt wellicht verwarrend, maar betekent in feite slechts dat Eppo op geen enkele manier lijkt te worstelen met zijn geaardheid. Natuurlijk, hij wordt afgebeeld als een depressieve en eenzame puber, maar zijn emoties vloeien niet voort uit zelfhaat of seksuele twijfels. Sterker nog, tijdens zijn romance met Maarten voelt hij zich best gelukkig. De Smet toont dit met kleine, liefdevolle scènes, die Eppo’s homoseksualiteit slechts zijdelings benoemen.

“Ik voelde de kou niet, ik voelde alleen hoe warm zijn hand was en hoe hij steun zocht in de bochten. We lieten elkaar geen moment los (De Smet, 2012, p. 170).”

Er is geen angst of pijn, enkel liefde. Hierdoor lijken Eppo’s homoseksuele gevoelens welhaast een non-issue. Het feit dat het object van zijn liefde een jongen is, is grotendeels toevallig en irrelevant. Hierin verschilt Rotmoevie van veel andere jeugdromans. Auteurs benadrukken regelmatig dat homoseksualiteit ‘normaal’ is, zodat jongeren na het lezen van hun boeken “a sense of catharsis or validation or acceptance of homosexuality (Trite, 2000, p. 113)” voelen. Een dergelijke insteek impliceert dat lezers een catharsis nodig hebben, dat het ‘normale’ karakter van homoseksualiteit constant benadrukt moet worden. Dit klinkt misschien onschuldig, maar creëert een ongewenste, vrij meelijwekkende boodschap: homo’s zijn ook best normaal, hoor. De Smet ontwijkt deze valkuil door Eppo’s geaardheid nergens te normaliseren. Hij is wie hij is. Niets meer, niets minder.

Dit blijkt eveneens uit Eppo’s eigen visie op zijn seksualiteit: die is er nauwelijks. Hoewel dit ook samenhangt met zijn zwijgzame aard, blijft Eppo’s gebrek aan reflectie op zijn homo-zijn opvallend. Dit betekent niet dat hij zijn liefde voor Maarten verbergt, maar hij beschouwt deze verliefdheid nergens als ‘anders’ of ‘homoseksueel’. Slechts éénmaal vindt er een gesprek plaats, tussen Eppo en zijn moeder, die een lichte onzekerheid van Eppo’s kant verraadt.

‘’Na twee koppen thee zei ik: ‘Ik hield van hem, Anke.’ Opgelucht keek ze me aan en zei: ‘Dat weet ik toch.’ ‘Nee. Ik hield echt van hem.’ ‘Dat weet ik ook, Eppo.’ ‘Waarom heb je daar dan nooit iets van gezegd?’ ‘Omdat ik veronderstelde dat je het op een dag zelf wel zou zeggen. Als je er klaar voor was’ ((De Smet, 2012, p. 182).”

Het blijft echter onduidelijk of Eppo al eerder met Anke had willen praten over zijn seksualiteit of over zijn specifieke liefde voor Maarten. In lijn met het voorgaande lijkt het tweede scenario logischer. Het feit dat het verdere gesprek enkel over Maarten gaat, en geenszins over Eppo’s geaardheid, onderstreept dit. Een mooie, geruisloze demonstratie van een coming-out zonder schaamte en nare repercussies. Eppo lijkt zijn seksualiteit hierdoor alles behalve discursief te exploreren. Trite ziet dit in andere jeugdromans vaak wèl gebeuren: “the conversations and the word choices [the characters] use to define their orientation matter far more than their actions do. (…) Words matter far more than actions in their eventual self-affirmation (Trine, 2000, p. 114). Dit impliceert dat Eppo zijn identiteit vooral construeert met acties. Tot op zekere hoogte klopt dit, maar De Smet valt voor een deel helaas in dezelfde val als Foucault. Want, waar is toch die seks?

Zoals gezegd benaderde Foucault (homo-)seksualiteit voornamelijk als een discursieve constructie. Een dergelijke visie ontdoet iedere verkenning van homoseksualiteit van diens fysieke component: lichamelijk contact en seks. Het verzwijgen hiervan “divorces [homosexuality] from pleasure, which potentially disempowers gay sexuality (p. 114)”. Dit gebeurt ook in Rotmoevie.

“Het liggen in de zon, zijn hoofd op mijn buik, in de pan achter de duintop. Een plek waar niemand kon zien hoe dicht wij soms bij elkaar wilden zijn en handen en monden te kort hadden om te tonen hoe dicht wel (De Smet, 2012, p. 187).”

De Smet hint hier duidelijk naar seksueel gedrag, maar laat veel aan de verbeelding over. Hoewel  daar in principe niets mis mee is, maakt deze aanpak Eppo zo mogelijk nòg nietiger. Hij beschikt, wat seksualiteit betreft, namelijk over lichamelijke noch retorische macht. Zijn homoseksuele geaardheid komt dusdoende bijna tè terloops ter sprake. Het is daarom misschien maar ‘goed’ dat er met de komst van Maarten wat homofobie de roman wordt ingesluisd. Want hoewel Eppo geen strijd lijkt te (hoeven) voeren met zijn seksualiteit, zit Maarten flink met zichzelf in de knoop.

5. seks met een homofoob?

Eppo en zijn weekendbroer zijn in vele opzichten elkaars tegenpolen. Eppo is een zwijgzame en liefdevolle jongen, terwijl Maarten juist stoer, agressief en zeer afstandelijk is. Dit levert een scheve verhouding op. Als de jongens alleen zijn, laat Maarten zich van zijn kwetsbare kant zien en is hij “van peperkoek” (De Smet, 2012, p. 51). Echter, zo gauw er andere mensen in beeld komen, keert hij Eppo de rug toe. Absoluut niemand mag weten dat hij en Eppo meer zijn dan ‘weekendbroers’.

“Dylan twijfelde, heel even, maar toen gaf hij me toch een stomp en stond vervolgens grijnzend te kijken hoe ik mijn evenwicht verloor en in het ijskoude water terechtkwam. (..) En Maarten deed niks. Hij stond schaapachtig te lachen, wanhopig op zoek naar een houding die niets van zijn ongerustheid en woede zou verraden (De Smet, 2012, p. 69).”

De afwerende houding van Maarten breidt zich gedurende het verhaal steeds verder uit. Het blijft enigszins onduidelijk of Maarten uiteindelijk ontdekt dat hij meisjes toch interessanter vindt, of dat hij de homofobie uit zijn omgeving internaliseert. Er bestaat in ieder geval geen twijfel over het feit dat zijn ‘vrienden’ homo’s maar niets vinden. Dit wordt maar wat duidelijk wanneer Eppo stiekem zijn weekendbroer volgt naar diens hangplek. De jongens betrappen hem en het gepest kan direct beginnen. Dat de grootste pestkop de naam Poot draagt, laat daarbij weinig aan de verbeelding over.

“Hij trok zo hard dat de tranen in mijn ogen sprongen. ‘Moet je dat zien,’ riep een andere. Wat een mietje.’ ‘Misschien is het wel een griet!’ Ik liet het gejoel over me heen komen en zocht naar Maartens ogen. Hij keek intriest en schudde haast onopgemerkt zijn hoofd. Hij zou niks doen, dat wist ik. (..) ‘Laat me met rust,’ bouwde [Kick] me met een hoog stemmetje na. Voor de show deed hij er nog een wapperend handje bij (De Smet, 2012, p. 100).”

Gelukkig weten de twee ‘broers’ zich met flink wat geweld uit deze penibele situatie te redden, en  ze kruipen nog eenmaal samen in bed. Maar wanneer Maarten, door zijn opvallende vriendschap met Eppo, zelfs op school wordt lastig gevallen, trekt hij zich steeds verder terug. Hij begint Eppo’s liefde te weigeren en accepteert steeds minder aanrakingen. Het lijkt er daarom toch op dat “the character’s physical pleasure is (…) undermined by their knowdledge of homophobia, so their ability to enjoy their sexual power is limited (Trine, 2000, p. 103)”. Eppo’s onschuld en gebrek aan reflectie op zijn eigen, afwijkende seksualiteit steekt hier weer pijnlijk de kop op. Hij begrijpt al die homofobie niet, waardoor Maarten’s afwijzing des te harder aankomt.

“De duw die hij me gaf (…) deed veel meer zeer. Hij sprong op alsof ik een of ander vies beest was dat van het plafond in zijn schoot terechtgekomen was (De Smet, 2012, p. 141).”

Dit maakt Eppo’s macht op seksueel gebied nòg kleiner. Zeker als we in ogenschouw nemen dat, zelfs toen alles ‘goed’ ging, Maarten de keuzes maakte: “Het was altijd hij. Hij zocht mij op. Het hoefde niet omgekeerd, en ik durfde niet anders (De Smet, 2012, p. 141).” Wanneer Maarten uiteindelijk de stekker uit hun ‘relatie’ trekt, komt, in de vorm van een brief, de laatste klap voor Eppo: zijn broer van peperkoek blijkt ècht minder van de mannenliefde te zijn dan hijzelf. Of dit uit homofobie voortkomt of daadwerkelijk waar is, maakt op dit punt weinig meer uit. Maarten heeft zijn homoseksualiteit met zijn woorden (discursief) èn zijn gedrag (lichamelijk) ongedaan gemaakt. Hiermee is hij er in geslaagd zijn homo-zijn te deconstrueren. En Eppo? Die blijft alleen achter.

“Het spijt me dat het voor mij nooit zo vanzelfsprekend geweest is als voor jou. Het spijt me dat ik je niet serieus genomen heb, hoewel ik wist wat je voelde (De Smet, 2012, p.179).”

6. conclusie.

De Smet verschaft een meerzijdige en interessante visie op homoseksualiteit. Enerzijds brengt ze met Eppo een personage ten tonele dat op geen enkele manier lijkt te worstelen met zijn geaardheid.    Zijn voorkeur voor mannen is een vaststaand gegeven, waar niets of niemand invloed op uit kan oefenen. Maarten, anderzijds, belichaamt het negatieve discours dat in veel jongerenromans naar voren komt. Hij internaliseert de homofobe tendensen die hij van buitenaf ervaart en ontwikkelt op den duur een afkeer voor lichamelijk, homoseksueel gedrag. Hij slaagt er daardoor niet in het discours der homoseksualiteit van seksueel genot en een positief geladen retoriek te voorzien.

Dit gegeven maakt het des te mooier dat Eppo grotendeels aan dit negatieve discours weet te ontsnappen. Zijn geaardheid levert geen schaamte of zelfhaat op, maar manifesteert zich vooral in liefde. Dat zijn verliefdheid dramatisch eindigt, doet niets af aan zijn gave tot zelfacceptatie.

“Mijn keel werd dichtgeknepen, ik begon te beven, en toen was Anke daar, die me tegen zich aan trok en zei: ‘Jij bent het beste wat hem ooit overkomen is, Eppo. Jij hebt hem geleerd wat liefde is’ (De Smet, 2012, p. 183).”

Het is daarom bijna jammer dat Eppo een slachtoffer lijkt te worden van zijn eigen goedheid en zijn onbevooroordeelde houding jegens zichzelf en anderen. Niet alleen berooft dit hem van iedere lichamelijke en seksuele agency, het maakt het voor hem eveneens onmogelijk om een positief weerwoord te bieden aan Maarten’s uiteindelijke afwijzing van homoseksualiteit. Zonder een duidelijke ervaring van zijn eigen geaardheid, mist Eppo “a new level of discursive consciousness for adolescents struggling to understand the distinction between themselves and the Others” ( Trine, 2000, p. 115).

Dit alles neemt echter geenszins weg dat de vanzelfsprekendheid waarmee Eppo zijn eigen homoseksualiteit accepteert, voelt als een heerlijke, frisse wind. Hoewel hij het emotioneel erg zwaar heeft, staat het buiten kijf dat jongeren èn volwassenen nog heel wat kunnen leren van zijn vermogen om ‘gewoon Eppo’ te zijn en dit ten alle tijden te blijven. Want het is mede hierdoor dat hij er uiteindelijk in slaagt weerstand te bieden aan de pijnlijke wereld om hem heen.

“Ik moest zo huilen dat het leek of de zee mij nodig had om niet droog te vallen. (…) Elke golfslag gaf me een speelse duw, maar ik viel niet om. Ik viel niet om. Ik stond er weer (De    Smet, 2012, p. 189).”


[1] www.degoudenlijst.nl

[2] web.cpnb.nl, De Gouden Lijst

[3] Juryrapport, Gouden Lijst 2012. Terug te vinden op web.cpnb.nl (geraadpleegd op 15 oktober 2013).

[4] Ibid

[5] www.leesplein.nl, Marian de Smet

[6] Juryrapport, Gouden Lijst 2012. Terug te vinden op web.cpnb.nl (geraadpleegd op 15 oktober 2013).

[7] Ibid.

[8] Citaat overgenomen uit: Disturbing the Universe: Power and Repression in Adolescent Literature, Roberta Seelinger Trites (2000). University of Iowa Press: Iowa City

tip: krassen op je bumper

literair, publicaties

(verscheen eerder op hard//hoofd.com)

Gisteren parkeerde ik mijn auto achteruit tegen een boom aan. Ik voelde de klap, maar bleef toch gas geven. Alsof ik door de werkelijkheid heen kon rijden door het pedaal nog dieper in te trappen.

Dat hield ik vol totdat ik me zwetend bewust werd van de huizen om me heen. Snel draaide ik m’n auto terug de straat op en na nog vier vruchteloze pogingen slaagde ik erin het voertuig in één parkeervak te manoeuvreren. Ik stapte zo nonchalant mogelijk uit en haastte me naar huis. De schade nam ik pas een paar uur later op, toen het buiten donker was.

Het begon allemaal zo heerlijk, een halfjaar geleden: een nieuwe baan en m’n allereerste eigen auto. Het was een doelbewuste combinatie; ik solliciteerde naar functies in dorpen waar geen mensen komen, laat staan bussen, enkel om een Ford Ka te kunnen kopen.

Helaas blijkt rijden achter mijn eigen stuur veel meer te zijn dan rijden alleen. Het leer onder mijn vingers is een soort evolutionaire vrijgeleide om anderen te laten zien hoe stoer ik ben. Ik scheld op mensen die te ‘langzaam’ rijden of die hun auto laten afslaan bij het optrekken. In mijn hoofd zijn dit altijd vrouwen.

Nog bozer word ik op de automobilist die me inhaalt terwijl ik precies hard genoeg rijd. Of die met levensgevaarlijke manoeuvres probeert een minuut eerder zijn bestemming te bereiken. Mannelijk gedrag ten voeten uit.

Ze doen mijn testosteron teniet.

Het probleem zit in het feit dat ik de ene automobilist ben en de andere ambieer te zijn. Ergens geloofde ik dat het rijden in mijn eigen auto de laatste mogelijkheid was om te bewijzen dat ik mans genoeg ben om man te zijn. Wat dat ook moge betekenen.

Ik hoopte gevoelens en gewoontes die ik, frustrerend genoeg, nog steeds ‘vrouwelijk’ vind, dan maar toe te dekken met gierende banden.

Maar de werkelijkheid is weerbarstig. Ik ben het meest mezelf als ik met hartkloppingen invoeg. Als ik na het inparkeren niet naar mijn telefoon, maar naar mijn deodorant grijp. Als ik achteruit probeer te rijden in de vierde versnelling. Als ik de pook voor een rood stoplicht tien keer van vrij naar één en weer terug verschuif.

don’t let it just happen to you

literair, publicaties

(verscheen op 18-01-2020 op wideopenwriting.com)

Recently I’ve been listening to Hannah Cohen a lot. Don’t worry, I didn’t know of her either until a couple of weeks ago. One of her songs struck me in particular, mainly because of its opening lines.  

‘This is your life

Don’t let it just happen to you’

I’ve tried the words on my lips, over and over again, as if to understand their meaning better. They hurt, taste foul, and I feel violated by them. Why does Hannah makes such a difficult thing, you doing you, sound so damn easy? Am I broken? Am I failing, when something that rings so true feels almost impossible to achieve?

IMG_8478.jpg

I have a long history with mental health issues, varying from mild to severe. I have been taking medication daily for almost 20 years, have visited a myriad of therapists and was forced to quit jobs due to fatigue a couple of times too many. Still, in some ways I do think I am lucky, as the grimness of my anxiety and depression has remained controllable for some time now. And even better, it has been that way quite regularly throughout the 30 years I’ve lived on this planet. But I fear myself, and I know I tend to take a big tumble every five years or so, ever since I was a little boy. And by big, I mean HUGE. No light at the end of the tunnel and not wanting to die but not wanting to live either kind of huge. When days become weeks and weeks become months and every minute feels like the same endless pile of shit that you have to fight and bite your way through to get to that tiny bit of air that you need to keep on tumbling on for a little while longer.

I’m scared my time of relative quiet is almost over. I feel it on my bones, I read it between the lines of the thoughts that are running through my head. And when that happens, when I lose control, Hannah is lying. Because when you’re depressed life is happening to you. It’s attacking you from the inside out, trying to convince you that all the ugly lies you keep telling yourself are, in fact, the truth. That’s why hearing her sing has made me angry and upset these last few weeks.

But, and this is vital, it seems impossible for her and her confrontational lyrics to crack me fully. Somehow, I believe it’s different this time around. Other times, when I am spiraling down, there is a lack of emotions, like I’m slowly drowning in that great void people talk about, feeling numb, acting like a damaged robot. That doesn’t align with the things happening to me recently; my eyes filling up with tears every now and then, my insatiable appetite for hugs, my growing love and gratitude for my friends and family, my wish to do better every time I wake up. It’s almost like I am opening up while shutting down, instead of closing off. And I think that’s important. Maybe my hesitation to put the toxicity that is running through my veins into words , to write this piece, wasn’t necessary after all. This is not a self-fulfilling prophecy. Me and my mental health are not self-fulfilling prophecies, and, with that, I am proving Hannah right, not wrong. I see what is happening very clearly. And in seeing it, I am reclaiming some control over it. This is my life. And I want it to be beautiful, special, rewarding and one of a kind (though I would gladly settle for a harmonious and somewhat balanced one). Not because I deserve it, no one deserves anything, but because I fight for it. Every day.

Perhaps Hannah has provided me with a new mantra. Something to tell myself when I feel like drifting away, like falling apart. I won’t let it just happen to me. Or maybe I will, for a little while, because I am tired of fighting and need to catch a break. And then I’ll try again. And again. And again and again and again. I am not saying it’s easy. Or fun. It’s fucking not. But I guess my life is just a bit harder than I would have bargained for, and I need to find a way to deal with that. Feeling more, instead of less, is helping. As is the reaffirmation that this life, this precious weird little thing, this extremely difficult and stupid son of a bitch, is mine and mine alone. And, finally, I’ve come to understand that that’s the most important thing that makes it worth living. We are all one of a kind and fucking precious.

De laatste sigaret

2019, literair, publicaties

(verscheen eerder op op firstpersonmag.nl)

De houten poten kreunen van schrik, Tijs kreunt zachtjes met ze mee. Hij staat in de deuropening en kijkt toe hoe ik zijn lege koffer op zijn hoek van ons bed werp. Ik ben blij toe dat hij alleen huilt als hij hyperventileert, en dat hij alleen hyperventileert als hij mijn hand door zijn zacht­gewassen haar voelt strijken.

De kastdeur knalt tegen de muur, het stucwerk kruimelt als roos naar beneden. Ik begin met zijn T-shirts, die ik vanuit de kast in verfrommelde stapeltjes overhevel naar zijn koffer. Mijn planken zijn geordend – die van hem doen al maanden denken aan de opheffings­uitverkoop van de V&D. Nu is het de beurt aan ons faillissement.

Tijs’ blik beweegt van het bed naar de kast, telkens als ik naar de volgende stapel reik. Met zijn linkerhand wrijft hij over een gezwollen klier in zijn nek. Met geweld probeert hij de verdikking, die langzaam rood wordt, terug zijn lichaam in te duwen. Een poging te verbergen wat er mis met hem is.

Hij heeft weer eens kanker.

Tijs wond er vanaf het begin geen doekjes om. Nippend aan zijn kop thee beschreef hij de veldslag in zijn hoofd: hoe hij van zijn moeder had geleerd een leven lang te worstelen, dat je nooit zeker weet of morgen de zon opnieuw zal schijnen, hoe hij obsessies had ontwikkeld om de wereld om hem heen te ordenen, en bang was voor alles wat onduidelijk,  ondefinieerbaar of onaf was. Ik voelde zijn eerlijkheid tot in mijn kruis en vond hem direct de mooiste, slimste en knapste man die ik ooit had ontmoet.

De seks, die pas na maanden op gang kwam, is moeilijk. Akelig soms zelfs. Hij neemt me met zijn hoofd, niet met zijn lul. Hoe harder ik zuig, hoe verder weg hij raakt. Hij voert zichzelf aan me, ik moet hem met huid en haar verslinden. Wanneer hij dan eindelijk een hoogte­punt bereikt, wat zelden gebeurt, verliest hij iets. Is het alsof hij bloedt.

Ik trek en de ondergoedlade valt uit haar voegen, flikkert op de grond. De rollende bollen sok verspreiden zich over de vloer, komen verslagen tot stilstand. Het heeft me jaren gekost om te begrijpen dat dat wat je laat liggen, rommel geeft, of je nu wilt of niet.

Met een krachtige worp gooi ik een bol naar Tijs’ hoofd. Hij reageert niet en terwijl hij de bult in zijn nek blijft indrukken, kruist hij zijn ene been voor het ander, drukt ze stevig tegen elkaar aan.

‘Wat sta je daar nou?’

 Zijn kop wordt langzaam roder.

‘Met je kutkanker.’

Even kijkt hij me recht aan. Zijn ogen tranen. Ik stap over wat sokken heen en kom vlak voor zijn neus tot stilstand. Pas wanneer ik een hand op zijn kruis leg, zo hard mogelijk in zijn lul knijp en zijn blik me slap maakt, stopt hij met wrijven. Dat hij huilt bewijst geen verdriet. Het bewijst dat hij zijn plas probeert op te houden, dat hij van zichzelf pas naar de wc mag als hij de pauzeknop van deze ruzie heeft gevonden.

Dit is de laatste keer dat ik hem daarbij help.

Tijs’ gezicht koelt zachtjes af en ik laat los. De potentiële stank die aan mijn hand blijft kleven, veeg ik af aan zijn harige wang. Er dwarrelt wat roos naar beneden. Ik haal mijn neus op. Zijn zweet ruikt misschien naar vanille, en een toekomst samen, maar eigenlijk heb ik altijd ge­weten dat zijn dwang vlekken geeft die moeilijk weg te poetsen zijn en een geur ver­spreidt die, als je niet uitkijkt, het hele huis overneemt.

_____

Vanochtend begon ik ver voor Tijs aan weer een nieuwe dag samen. Hij had zich volledig tegen de muur aan gedrukt, terwijl hij zich vasthield aan mijn kussen, en dat was prima. Ik voel me daar allang niet meer door afgewezen. Slapend kan hij eindelijk echt alleen zijn, zonder schuld­gevoelens, zonder oneffenheden. Hoe graag hij ook in mijn omhelzing wil verdwijnen, hij heeft nooit geleerd zich veilig te voelen in de nabijheid van anderen. Er is iets wat hij aan niemand wil laten zien. Iets van lang geleden, dat zo donker en eng en onbegrijpelijk is dat het hem angst aanjaagt het vrij te laten. Dus verstopt hij het. Ook voor mij.

In de valse veiligheid van zijn dromen lijkt hij het soms tevoorschijn te halen, op­gerold in een oud slaapshirt van zijn moeder, dat hij na al die jaren nog steeds nodig heeft om in slaap te vallen, om het tegen beter weten in toch uit te pakken. In de nachtschemer zie ik hem dan in een klein kind veranderen. Een vogeltje, dat te vroeg uit de boom is gevallen, dat misschien beter had kunnen sterven omdat zijn overlevingskansen zo klein waren, maar dat nu iedere nacht piept om aandacht en liefde en steeds groter en groter is geworden en ergens toch ook een kuiken is gebleven en nooit op eigen benen zal leren staan.

Tijdens dat soort nachten trekt Tijs slapend mijn kussen onder mijn hoofd vandaan. Het stelt me gerust dat hij zich vasthoudt aan mijn geur, mijn warmte, mijn aan­wezigheid – als om me te vertellen dat zijn geheim toch ook een beetje het mijne mag zijn. Hij durft misschien geen dingen in mijn oor te fluisteren, maar wel in mijn kussen. En dan zijn we voor even dichter bij elkaar dan hij en ik ooit voor mogelijk hebben gehouden.

Terwijl Tijs daar lag, dromend over wat niet meer te redden valt, stapte ik voorzichtig uit bed en liep, nog een beetje slaapdronken, naar beneden. In de gang zag ik Tijs’ agenda open­geklapt op tafel liggen. De afspraken met zijn therapeut waren met geweld doorgekrast. Bij sommige dagen las ik zijn wanhoopskreten, met tijdstippen, en de naam van zijn favoriete huisarts ernaast. Groeien­de knobbel in lies, aids, kanker, aids, aids, aids, aids.

Zwijgend at ik mijn crackers met boter en kaas en wachtte totdat ik Tijs de douche­kraan open hoorde draaien, de deur op een kiertje. Hij voelt zich liever niet opgesloten of alleen, zeker niet in een badkamer, bang voor de lokroep van al dat water, de onwelkome verleiding om zichzelf te verdrinken. Met de laatste hap nog in mijn mond liep ik traag de trap op, Tijs’ gezang een dof bonzen in mijn oren. Ik sloot de deur, groette hem kort en pakte mijn elektrische tandenborstel uit het kastje onder de wasbak. Tijdens het poetsen bleef het opzetstuk maar terug klikken, schokte het bij mijn gebit vandaan. Blijkbaar deed ik te hard mijn best. Soms moet je loslaten om beter bij de moeilijke plekjes te kunnen.

‘Wie heeft jou aids gegeven,’ vroeg ik. De frisse tandpasta in mijn mond verzachtte de hard­heid van mijn stem, die door al dat schuim verloren ging in de kakafonie van onze ochtend­rituelen. Tijs begon luider te zingen. Het was iets van vroeger, van toen hij nog naar concerten van Placebo ging, en emotioneel instabiel zijn nog hip was. Ineens hoorde ik het – een duet tussen een zowat volgroeide man en een eenzaam jochie, die strijden om het lichaam dat ze samen bewonen.

‘Wie heeft jou aids gegeven.’ Ditmaal spuugde ik de woorden uit. Klodders tandpasta vlogen met ze mee, ze maakten krassen op de spiegel. Het gezang verstomde, net als het ge­klater van het douchewater. Lang bleef het stil. Ik keek toe hoe mijn reflectie langzaam ver­vaagde, van mijn ontblote bovenlijf, speciaal voor Tijs geschoren, via mijn kin, mijn neus en mijn uitstekende oren, tot aan mijn ogen, die als laatste onder een dikke laag condens ver­dwenen, daar uitdoofden. Vanille is een illusie, dacht ik plots. Hoe goed ik mijn tanden ook poets, Tijs’ stank blijf negeren, de geuren uit mijn verleden zullen nooit samenvallen met Tijs’ heden en onze toekomst samen. In wat wij hebben is geen plaats voor zakken vol lolly’s en smeltende waterijsjes die langzaam over je vingers omlaag druppen en kruipen en riviertjes trekken in de rimpels van je handpalm. Laat staan voor warme vegen chocola op je wang en met z’n allen tegen elkaar aan kruipen op de bank, in de hoop dat Sinterklaas snel op het raam achter het dieprode, zachte gordijn klopt.

Cue het gezucht en het gekreun. Tijs stond zinnen te toetsen, op zoek naar de enige juiste. Ik moest stoppen met hopen dat hij die, met of zonder mij, ooit nog ging vinden.

‘Vijf…’

‘Vier…’

‘Drie…’

‘Niemand,’ fluisterde hij, zijn uitspraak zacht en koud. Zijn stem waaide naar me toe, als een zuchtje wind, en ik ving hem ternauwer­nood op, door mijn vochtige middelvinger, onzichtbaar voor hem, de lucht in te steken. Ik draaide me weg van de spiegel en liep naar de douche, waar ik stilhield en mijn best deed Tijs nog een laatste keer te verstaan.

‘Niemand. Ik heb me gesneden aan wat prikkeldraad.’

Ik zei niets, kon nauwelijks bevatten hoe we weer hier aanbeland waren. Hoe ik op­nieuw de signalen had gemist, het te lang had verzaakt naar de waarschuwingen te luisteren. Zelfs al zou ik hem iedere dag schoonschrobben tot hij rood zag, al zijn dode huid­cellen door het afvoerputje weg laten spoelen, denkbeeldige bacillen onder zijn nagels vandaan krabben, het zou in dit huis nooit meer lekker ruiken. Ik begreep nu dat ik, samen met al dat vuil en zweet, dan ook de allerlaatste resten hoop en vanille van hem af zou moeten poetsen.

‘Niemand heeft me aids gegeven. Ik dacht… Ik dacht, misschien…’

Hard rukte ik het douchegordijn opzij. De plastieken stang, die we nog steeds niet goed hadden vastgemaakt, viel met een hoop lawaai op de grond. Vandaag zei al dat gekletter precies waar ik de woorden niet voor vond. Tijs reageerde nauwelijks. Alles aan hem hing. Zijn blik, ver­­scholen achter tentakels van natte haren, naar beneden gericht, zijn handen delicaat in elkaar gestrengeld voor zijn pik, het vel van zijn balzak als een nog warme kauw­gom tegen zijn linker­dijbeen aangeplakt.

Een kind dat door niemand meer vastgehouden wordt.

Ik gaf hem een duw, wilde meer afstand tussen mij en hier en de man die me zo vaak en zo hard en zo lekker had genomen en me liet spuiten zoals niemand vóór hem dat ooit had gedaan. Tijs stapte gelaten achteruit, alsof hij straf ver­diende. Met een piepend geluid zakte zijn lijf vervolgens langs de natte tegels omlaag. Op handen en knieën kroop hij nog wat verder de hoek in, drukte zich tegen de muur aan en weigerde me aan te kijken. Ik liet hem daar liggen en schraapte mijn keel, om te voorkomen dat mijn stem over zou slaan.

‘Echt zielig, dit.’

Hij zakte nog wat verder in elkaar, alsof hij weer in bed lag, mijn kussen veilig plat­gedrukt tussen zijn armen. Ik liet hem liggen en draaide me om naar de spiegel, waar de condens in­middels een neerslagkaart op had gevormd. Wazig zag ik Tijs’ contouren, maar bovenal zag ik, daar waar het weer helder was, tranen in mijn ogen. Het wond me niet meer op, het idee hem op te moeten rapen. Moeizaam deed hij het daarom maar zelf. Druppels kropen over zijn romige huid naar beneden en spatten geluidloos kapot op de vloer.

_____

Een paar uur later zaten we te roken in de tuin. Ik praatte, hij stelde een paar goede vragen, samen probeerden we er nog iets van te maken. We rookten onafgebroken en doofden onze peuken in de asbak tussen ons in. Na verloop van tijd raakte hij vol en stond ik op om hem te legen. Toen ik weer naast Tijs in het gras ging zitten, was zijn nerveuze blik bij de vuilnis­bak blijven hangen, waar ik net vandaan kwam. Om hem te kalmeren begon ik met mijn vingers figuurtjes te trekken door de haren op zijn ontblote onderarm. Ik was onnauwkeurig geweest, had hem niet de tijd gegeven alle sigaretten een voor een bewust uit te maken, uit te kijken, uit te denken. Eerder hadden we in iedere kamer een handblustoestel hangen, omdat Tijs vreesde dat vuur in staat was nog harder en sneller om zich heen te slaan dan hijzelf. Nu niet meer. Plichtsgetrouw legde ik mijn hand op zijn buik en zijn hand op de mijne. Ik kon zijn ribben tellen, de lucht piepte er hortend en stotend tussendoor. Zijn linkerhand werd een vuist, zijn ogen zakten weer naar beneden.

‘Het gaat niet. Het moet, het moet, ik moet.’

Hij maakte zich van me los en rende naar het schuurtje. Hij kwam naar buiten met een grote emmer, die hij bij het buitenkraantje vulde. Met zware armen liep hij naar de kliko, waar hij zijn schouders tot aan zijn oren optrok en het even leek alsof hij zijn dwanggedachte, met een krachtige uitademing, de baas probeerde te worden. Eigenlijk lukte hem dat nooit.

Ik ging er wat beter voor zitten, nam rustig een paar trekjes van weer een peuk in mijn mond.

‘Hoeren!’ Hij riep het wanhopig, als krassende nagels op een krijtbord, voord­at de angst het voor de zoveelste keer van hem won. Woedend gooide hij de deksel open, tilde de emmer tot ver boven zijn hoofd en met een hoop gekrijs en gescheld stortte hij al het water in de kliko. Om het vuur in zijn hoofd te blussen.

Ik vond dat ik moest huilen, maar begon te lachen. De lege emmer kukelde op de grond. Tijs draaide zich om en keek me verwilderd aan. Ik stond op, zoog een paar keer hard aan mijn laatste sigaret en liet het ding toen in het gras vallen. Hij moest leren inzien dat sommige zaken vanzelf uitdoven. Zonder iets te zeggen liep ik naar binnen, de trap op, de slaap­kamer in. Het was tijd om de zooi die we waren geworden op te ruimen.

_____

Nu staan we in de hal; te veel mens, te weinig ruimte. Tijs doet een poging mijn hand vast te pakken, maar ik laat hem tussen ons in hangen. Net als de belofte van vanille, die met iedere zucht wat verder van ons afdrijft. Ik stel me voor hoe hij de straat uit schuifelt en de hoek niet om durft te slaan – hoe hij dan op een bankje gaat zitten, in de stille hoop dat ik hem toch weer kom redden. Misschien zelfs in zijn broek plast, omdat er een punt is gezet achter een gesprek dat hij liever met een komma had beëindigd.

Hij volgt me naar de woonkamer, waar de koffer op hem staat te wachten. Zijn stilte benauwt me. Ik haal de bankkussens, die hij altijd van groot naar klein sorteert, overhoop. Ik doe het om hem te pesten, maar vooral om mijn sleutelbos, die ik altijd in het daarvoor bestemde bakje in de hal vergeet te leggen, te zoeken. Zodat ik hem de deur kan wijzen.

Tijs weet godverdomme best wat ik zoek. Toch staat hij daar maar. Gejaagd begin ik boeken en frutsels van de salontafel te vegen. Ik moet hier weg.

Nee, hij moet hier weg.

Met mijn knieën op de grond hoor ik hem schuifelend op me af komen. Zijn rechter­hand strijkt zachtjes over mijn hoofd. Hij trilt. Ik tril. Dan buigt hij zich over de kussens en begint ze zo beheerst mogelijk te rangschikken. Met houterige bewegingen en samen­geknepen billen. Wanneer mijn sleutels tussen twee kussens vandaan vallen en op het vloer­kleed ploffen, draait hij zich om. Hij houdt even stil. Zijn gezicht rood, zijn ogen waterig.

En dan zie ik hoe hij loslaat.

Hoe hij alles loslaat,

en eindelijk geur bekent.

naamloos (2)

maandag

Op kamers

Ik woonde midden in het centrum. Twee jaar lang was ik angstig in mijn eigen huis. Niet omdat mijn huisgenoten nou zo eng waren, maar omdat mijn sociale fobie steeds onhandelbaarder werd. Ik ging naar colleges en onderhield een handvol vrienden. Meer had ik niet te geven.

Ik opende de voordeur, rende de trap op, sloop door de keuken en sloot me op op mijn kamer. Meestal met wat sigaretten en een fles wijn. En de drang om overal een tien voor te halen.

Iedere dag opnieuw.

Omdat ik niet meer te geven had.

Er waren periodes dat ik nauwelijks at, bang als ik was om iemand tegen te komen in de keuken. Dat was ook de reden dat ik regelmatig in mijn wasbak plaste. Aangezien ik niemand durfde te vragen hoe onze wasmachine werkte, deed ik de was nog bij mijn ouders thuis.

We leefden langs elkaar heen, mijn huisgenoten en ik. Het viel niemand op dat ik mezelf verwaarloosde, omdat we dat allemaal deden.


Totdat S. kwam. Toen veranderde alles.


De huisgenoot

Ik was erbij toen we hem uitkozen.

Kijkavonden waren een uitdaging. Ze verplichtten ons om lang in dezelfde ruimte te zijn. Ik kon de stress alleen aan als ik dronk. De rest deed meestal met me mee en dan waren we voor even normaal.

A. was er ook. We spraken elkaar nauwelijks, maar vanaf onze eerste ontmoeting spookte hij continu door mijn natte dromen. Met genoeg drank kon ik misschien verbergen dat ik een kluizenaar met een alcoholverslaving was.

Ik gok dat S. onze vijfde klant was. We waren inmiddels al flink bezopen. We lachten en schreeuwden en ik hoorde mezelf dingen zeggen die ik beter voor mezelf kon houden. Dat vond ik fijn.

S. was de enige kandidaat die ons aankon. Hij dronk net zo hard, had een grote bek en deed zonder morren een dansje voor ons. Hij leek ons direct aan te voelen en speelde glansrijk de rol die hem een kamer op zou leveren.

Te laat zou ik ontdekken dat hij geen acteur was.


Hij betrok de kamer naast me. Of: het hok naast de mijne, net iets groter dan een bezemkast. Dat werd zijn slaapkamer. Recht daar onder, een verdieping lager, richtte hij een minuscule woonkamer in.

Stijl had S. niet, meubels nauwelijks.

De weinige spullen die hij wel had, verspreidden een broeierige geur door ons huis. Het was voornamelijk oud zweet, denk ik, maar voor mij was het ook meer dan dat. Alsof hij zijn mannelijkheid, net als een kat of konijn, over iedere vierkante centimeter van ons huis had uitgesmeerd. Heen gepist.

Het stonk, zouden sommige mensen zeggen.

Ik niet. Ik rook seks.


De veranderingen die S. met zich meebracht, voltrokken zich geleidelijk. Zoals ik het te laat door had afhankelijk te zijn geworden van nicotine, raakte ik buiten mijn eigen blikveld om verslaafd aan mijn nieuwe huisgenoot. En later, aan al zijn mannelijke mannenvrienden.

Ongewassen mannen lagen ten grondslag aan mijn morele verval.


Maar ik loop vooruit op zaken. Ik moet mezelf verdedigen.

Alvorens ik laat zien wie ik werd, moet ik laten zien wie ik was.

De zomer voordat S. kwam, draaide ik door.

Ik nam geen overdosis, werd niet verkracht, had geen onverwerkt trauma en leed niet aan een enge, ongeneeslijke ziekte.

Wel vermoedde ik dat ik aan een enge, ongeneeslijke ziekte leed, was ik homo, studeerde ik te hard en wilde ik alles perfect doen. Ik haatte mezelf en ik haatte het feit dat ik al sinds mijn dertiende depressief was.

Er was geen aanleiding, er was geen laatste druppel.

Ineens was de maat vol en werd ik gek.

Mijn wanen waren enger dan de hartstochtelijke wensen dood te willen. De waanbeelden kon ik niet aankijken of bezweren, ze glipten telkens net door mijn vingers.

Dokters vulden mijn maag met pillen, ouders vulden mijn hart met liefde, ikzelf vulde mijn maag met angst en paniek.

Ik werd zomaar in tweeën gehakt.

Een leven voor de storm, een leven erna.

Na de storm was alles verwoest, en het weer bleef beroerd.


Na acht maanden was ik het vechten zat.

Inwendig omarmde ik mijn teloorgang: ik zou nooit meer beter worden.

Uitwendig verklaarde ik mezelf genezen: ik zou nooit meer ziek zijn.

En toen werd S. mijn buurman. Met zijn komst kon ik mijn masker direct uitproberen en verstevigen. Hij leerde me kennen zoals ik wilde zijn en bevestigde mijn overtuiging dat je je gevoelens beter verborgen kunt houden.

Mijn destructie werd beloond met zijn vriendschap.


(…) 


 De eerste

A. had de week daarvoor onder invloed een belangrijke operatie uitgevoerd. In het weekend had hij dit verwerkt door ‘per ongeluk’ meer dan 1000 euro aan cocaïne en taxikosten uit te geven en met drie meisjes het bed te delen. De dagen erna was hij erachter gekomen dat hij zichzelf niet meer in de spiegel aan kon kijken.

A. is in de jaren dat ik hem heb leren kennen altijd een man van de extremen geweest. Toen hij begon te walgen van zijn eigen reflectie, koos hij daarom voor een radicale oplossing: hij zou stoppen met drank en drugs en zou weer bij zijn ouders gaan wonen.

Terwijl hij mij en de andere huisgenoten zijn plan droog uit de doeken deed, zoals het een echte arts betaamt, kneep H. de Eerste, mijn beste vriendin, hard in mijn hand. Zij was de enige die begreep dat de woorden van A. mijn geestelijke welzijn schaadden.

Daar en op dat moment.

En misschien wel voor de rest van mijn leven.

Wij, de huisgenoten, keken elkaar wat glazig aan. A. was de spil van ons feest, we hadden nooit verwacht dat hij als eerste onze strijd zou staken. Maar verdrietig zijn was niets voor ons.

We weigerden waarheid te voelen.

Wodka hielp daarbij.


Hij moet het ook gevoeld hebben.

Dat hij ons voor was. Dat hij een stap zette die wij nog niet konden nemen. Dat wij hem niet bij wilden benen, al wisten we heus wel dat zijn schranderheid de voorkeur genoot.

Tot op de dag van vandaag houd ik mezelf voor dat ik de enige was die zag hoeveel pijn hem dat deed. Te zien dat hij zich had omringd met mensen die eigenlijk helemaal niet het beste met hem, of met zichzelf, voor hadden. Voor wie hij enkel een onderdeel van de festiviteiten was.

Dat we lelijk waren.

Maar door de andere kant op te kijken, schaarde ik me moedwillig bij het monster dat we waren geworden.

En dat is wat uiteindelijk telt.


Na dit afscheid volgde een zomer waarin de remmen niet los gingen, maar met een betonschaar doorgeknipt werden.

Mijn hoop dat A’s vertrek mijn verliefdheid zou temperen, bleek ongefundeerd. Zijn afwezigheid maakte het verlangen naar zijn warme, karamelbruine lijf alleen maar groter. Te weten dat hij niet meer in de kamer boven me lag. Nooit meer zingend de trap afkwam in zijn witte badjas, de welving van zijn eenogige draak zo goed zichtbaar. Dat ik zijn knipoog moest missen, of de kneepjes in mijn kont. Zijn bulderende lach, of zijn vieze jongensstreken met S.

Zijn ogen diep als een bodemloze put.

Het was te leeg in huis, dus deden we allemaal wat meer ons best om het op te vullen met herrie en alcohol. We hadden regelmatig een agent over de vloer en bij ons op de plee werd er vaker gekotst dan gescheten.

Juist omdat ik wist dat A. gelijk had, deed ik alles wat hij niet deed.


(…)


De drank maakte me dikker, niet gelukkiger, en hoe hard ik ook mijn best deed, de vrienden van S. vonden zoenen genoeg. Dus deed ik wat nodig was: ik gaf A. mijn papieren hart.

Het was 1 uur ’s middags en ik had al drie glazen Passoa jui op voordat hij kwam. Op mijn balkon staken we elkaars sigaretten aan. Hij praatte over het leven bij zijn ouders en hoe goed het met hem ging. Ik praatte over mijn scriptie, waar ik al meer dan een jaar niet mee bezig was, en hoe goed het met me ging.

Ik denk niet dat hij me geloofde.

Omdat A. jarig was geweest sinds de laatste keer dat ik hem aan had geraakt, was het in mijn hoofd minder gek dat ik hem een liefdesbrief gaf, verstopt tussen twee tekeningen die ik voor hem had gemaakt.

‘Een kleinigheidje. Pas kijken als je thuis bent, okay?’

‘Dope, man! Wat ben je toch ook een lekker ding.’

A. gaf me een knuffel. Ik grinnikte wat en duwde hem snel de trap af. Die middag startte een driedaagse kampeervakantie met vriendinnen en ik moest mijn tas nog inpakken. En drank halen.

Rustig blijven lukte me nuchter niet.


De dagen die volgden, krijgen geen vaste vorm in mijn hoofd. Ik lag dronken in een hangmat en negeerde de mensen om me heen. Terwijl zij spelletjes speelden, fietste ik naar de supermarkt om meer sterke drank te halen. Daar huilde ik om Pure Shores; het lied dat van mij en van A. en van S. alleen was.

S. was destijds op Lowlands. Bijna was ik meegegaan, maar het jaar daarvoor was ik op de eerste festivaldag alweer vertrokken, omdat ik na een paniekaanval dacht dood te willen.

Dat durfde ik niet nog een keer.

Midden in de nacht belde hij me dronken op.

‘IK MIS JE! HET IS HIER ZO VET!’

‘Wat zeg je?’

‘WAT ZEI A.? IK BEN ZO TROTS OP JE!’

‘Ik versta je niet!’

‘IK HOU VAN JE!’

Ik verbrak lachend en tevreden de verbinding. S. was de vriend die ik altijd al had willen hebben. Dat ik hem harder nodig had dan hij mij, mocht die nacht niet van belang zijn.

Het stak dat mijn Groesbeekse vriendinnen deden alsof ze ons telefoongesprek niet hadden gehoord. Pas jaren later vernam ik hoe ongerust ze al die dagen en al die maanden zijn geweest.  Ze wisten niet meer hoe ik nuchter was en alles wat ik zei ging over feesten, het experimenteren met drugs en A. en S. Ze kwamen in die tijd nauwelijks meer bij me over de vloer, omdat ik in een gekkenhuis leek te wonen.

Ik begreep heus wat ze bedoelden, maar wilde het niet met ze eens zijn. Voor mij was er niets meer dan dat.

Door alles en iedereen te willen, was ik eigenlijk vooral heel erg alleen.

Een interventie is er nooit gekomen; ze bespraken hun zorgen alleen achter mijn rug om. En dat begrijp ik wel. Ik was niet voor reden vatbaar en genoot ervan te geloven dat de wereld me in de steek had gelaten.

Ik vermoed dat ik mezelf ook in die hangmat zou hebben laten liggen. Opgeruimd staat netjes.


Een uur na mijn terugkomst stond A. voor onze deur. Hij weigerde via sms’jes te reageren op mijn brief. Dat kun je netjes noemen, maar ik wist heus wel wat zijn omtrekkende bewegingen betekende: hij zou me nooit pijpen.

Wederom stonden we op mijn balkon, ditmaal met een weekend vol drank en afstand tussen ons in. Hij viel me aan met zijn parfum en ik wilde niets liever dan bezwijken.

Zijn woorden sneden hout en huid.

Dat ik zo’n dierbare vriend was. Dat hij zo veel om me gaf. Dat hij me zo bewonderde. Dat ik zo lekker kon zoenen. Dat ik de eerste jongen zou zijn met wie hij het bed zou willen delen. Mits hij op mannen viel.

En dat deed hij niet.

En dat wist ik.

Dat wist ik al maanden. Waarschijnlijk was het daarom dat ik lachte, en niet huilde. Mijn oorverdovende liefdesverdriet werd overstemd door het besef dat we nu eindelijk vrienden konden zijn. Dat we de laatste vallei hadden overspannen die al die tijd zo wijd tussen ons in had gelegen. Mijn verliefdheid was geen muur meer, maar een brug.

Nu hij begreep hoe hard ik hem in me wilde, opende hij zijn hart pas echt. Dus begonnen we allebei te gloeien en te knuffelen. Dat ik daar geen stijve van kreeg, was al maanden niet meer voorgekomen.

In de deuropening spraken we meteen af om de volgende dag samen op stap te gaan.

Hij wilde zelfs blijven slapen.


Aangezien de ultieme grens was verlegd, was niets grensoverschrijdend meer. We reden tegen elkaar op tussen de Nijmeegse corpsballen en A. fluisterde onophoudelijk lieve dingen in mijn oren. Daar werd ik wel hard van, maar vooral omdat ik voelde dat het goed zat tussen ons.

En omdat ik bleef hopen dat ik hem met mijn vriendschap eventueel toch nog uit de kast kon lokken. Ik genoot van mijn eigen hardleersheid.

Toen hij later op de avond met wit poeder aan zijn neus een wc-hokje uit kwam gestrompeld, verbaasde ik mezelf door adequaat te reageren. Ik begon tegen hem te schreeuwen en terug aan de bar gooide ik, tot groot vermaak van de hele kroeg, een vol glas bier over hem heen.

Niet uit woede, maar om te bewijzen dat hij me diep teleur had gesteld. Dieper van binnen was ik echter vooral blij. Blij dat hij weer met me meedeed, dat hij de controle weer verloor.

Blij dat dit mijn kansen vergrootten om hem die nacht naakt te zien.


Helaas kwam ik niet verder dan zijn onderbroek.

Hij viel in slaap op mijn bank. Het kostte me moeite om hem met een deken toe te dekken, maar ik ben nooit een verkrachter geweest.

Totdat ik in sliep viel, weigerde ik in slaap te vallen.

En toen ik wakker werd van de brandende zon, was A. verdwenen. Hij had zijn halfvolle pakje sigaretten op het balkon achtergelaten, als bedankje.

Of als afscheidscadeau.


Ik wilde ze weggooien, maar stopte pas met roken toen ik begon te hoesten.

Polderkamp

woensdag

In de warmste week van het jaar werd een grote weide bij ons in de buurt leeg geruimd voor een zesdaags spektakel vol buitenactiviteiten als hutten bouwen, vuurtjes stoken, waterspelen, bonte avonden en rommelmarkten.

Bang als ik was voor de kinderen uit nabijgelegen dorpen, nam ik slechts tweemaal deel aan dit groots opgezette polderkamp. De eerste keer was ik nog erg klein, ik weet er weinig meer van. Enkel dat ik het vreselijk vond en dat ik uit pure verlegenheid constant in mijn broek plaste.


Mijn tweede kamp vond plaats in de zomer dat we van groep 7 naar groep 8 gingen. De paar kinderen daargelaten die met hun ouders weg waren, was mijn hele klas aanwezig.

Net voor de vakantie had er een oorlog plaatsgevonden. B., één van mijn beste vrienden, die pas een paar jaar bij ons in het dorp woonden, was collectief uitgekotst door mijn klasgenoten. Ik weet niet meer precies waarom. B kende een verwarrende schoolcarrière: het ene moment was hij de populairste jongen van de klas en waren alle meisjes verliefd op hem, het volgende moment werd hij getreiterd en buitengesloten.

Misschien kwam het doordat hij een kleurtje had. Het feit dat hij dolgraag zaken op de spits dreef, mensen op de kast joeg en verbaal nogal grof was, speelde waarschijnlijk ook een rol.

Enfin, in de zomer van 2001 werd hij gehaat. En dat was lastig, want men ging over lijken om tijdens polderkamp bij zoveel mogelijk vriendjes en vriendinnetjes ingedeeld te worden. Alles beter dan overgeleverd te zijn aan een stel onbekende randdebielen.

Ik werd verscheurd van binnen. Ook ik wilde deze week met zoveel mogelijk kameraadjes doorbrengen. Maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen B. in de steek te laten.

We hadden de week ervoor enkele dagen bij zijn ‘oma’s’ gelogeerd (twee nonnen die hem in zijn turbulente jongste jaren bij hadden gestaan) en daar was ik nog flinker van hem gaan houden. Dat we groepsgenoten zouden worden, stond daarom buiten kijf.

Ik was zijn vriend; mijn rug zou hij nooit te zien krijgen.

Ik haalde de leiding erbij en legde gepassioneerd uit dat B. gepest werd. Maar zoals ik al verwachtte, hadden de zestien- en zeventienjarige jongeren weinig geduld voor mijn verhaal.

Ze waren te druk met zichzelf.

Met glazige ogen haalden ze hun schouders op; dat we het lekker zelf uitzochten. Mijn ingewanden waren van steen. Vastberaden greep ik B. bij de hand en keerde ik de rest van mijn klasgenootjes de rug toe.

Zij mochten hem wel zien.

Als een wolvenroedel stak mijn klas het grote veld over, twee pokdalige begeleiders in hun kielzog. B. en ik verdwenen in een groep kinderen uit het dorp naast ons. Een paar grietjes kende ik vaag van tennis, de vier jongens had ik nog nooit eerder gezien. We werden geëscorteerd door drie giechelende meiden. De dikste van het stel vertelde me dat alles heus goed zou komen en dat ik veel nieuwe vriendjes zou gaan maken. Ik vond haar lief en dacht dat ze al oud was, dus probeerde ik haar te geloven.

Het lukte me niet.

B. leek nergens last van te hebben, die vermaakte zich overal wel. Totdat hij iets lelijks zei of deed en iedereen een hekel aan hem kreeg.

Het was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?


Een groot deel van die zes dagen is in een waas van heimwee, eenzaamheid en hevige spijt aan me voorbij gegaan. Ik wilde alleen maar naar huis om te huilen, me te laten troosten door mijn moeder en boeken te lezen in bed. Ook ik was een bijzondere jongen, had ik dat al gezegd?

Sommige herinneringen staan als tatoeages op mijn netvlies gekrast, lelijk en onuitwisbaar. De alles verzengende hitte, bijvoorbeeld, die onze hersenen langzaam tot appelmoes maakte. Het zwembad, dat midden op het terrein stond, kon door alle pis na een dag al niet meer de gewenste verkoeling bieden.

Of de gil die Melanie gaf toen ze door een wesp werd gestoken. Ze was het eerste meisje dat me ooit uitschold voor ‘homo’ en ze ging door merg en been.

Of de gierende lach van een van mijn beste vriendinnen, die aan de overkant van het veld met de rest van mijn klasgenoten een krakkemikkige hut van pallets stond te bouwen. Haar geluk walste als een ijskoud strijkijzer over mijn hart. Ze deed meer pijn dan de zonnesteken en splinterwonden die we die week allemaal op zouden lopen.


Maar het is vooral de dropping, op onze een-na-laatste avond, die me nog steeds achtervolgt.

Rond een uur of 9 ’s avonds werden we samen met onze begeleiders midden in een bos afgezet, met een handgemaakte kaart en de mededeling dat we binnen een uur het eindpunt moesten bereiken om niet buitenspel gezet te worden. Als groep beschikten we over één half afgekloven, rauwe kotelet; dit stuk vlees moesten we tegen enge figuren aangooien als ze ons aanvielen. Dit zou ze ‘vermoorden’.

Soms is niets zo gek als de werkelijkheid.

Ik verschanste me veilig tussen twee van de begeleidsters. Ik kon als kind goed opschieten met oudere meisjes, omdat ze me zo aandoenlijk vonden. Die avond buitte ik deze reputatie volledig uit en verplaatste ik mijn hoofd met gesloten ogen van de ene boezem naar de andere.

De eerste paar minuten leek er weinig aan de hand. Ergens in de verte hoorden we gegil en het geschreeuw van een kettingzaag. Bij ons heerste slechts opgefokte anticipatie-angst. B. was als één van de weinige compleet in zijn element; hij was nergens bang voor.

Na verloop van tijd bereikten we een zanderige open plek, dat opgesierd werd door een rood verlicht tentje. Mijn escortes slaakten hysterische kreten van enthousiasme, omdat ze wisten dat de zigeunerin in de tent een goede vriendin van ze was.

Een vierde wand kenden ze in de polder niet.

We propten elkaar naar binnen, het paste eigenlijk niet, en hoorden hoe de ‘waarzegster’ met een hoop nutteloos spektakel voorspelde welke kant we op moesten. Toen ik een glimp van haar ogen opving, zag ik dat ze bij mij in de straat woonde.


De route dreef ons regelrecht naar de kettingzaag. Schuifelend vroeg ik me af waar we mee bezig waren.

Ik moest ontzettend plassen.

Maar ik durfde niet in het openbaar. Al helemaal niet staand; ik plaste sinds mijn vierde blaasontsteking alleen nog maar zittend. Vervelend, want door de spanning liep de druk steeds hoger op. Toen ik in de verte een gigantische knal hoorde, liet ik daarom toch maar een druppeltje lopen. Was dit onderdeel van de dropping?

Of was er noodweer op komst?

Ik slikte wat tranen weg en greep me vast aan de dikke begeleidster, mijn favoriet. Zolang ik haar tegen me aan kon voelen, zou het allemaal vast wel goed komen.

Het bos werd met iedere hartslag zwarter. De kettingzaag, waar we langzaam maar zeker op af stevenden, krijsten tegen het gedonder op. Alles om ons heen was gewelddadig geluid. Alles kwam steeds dichterbij.

Ik had intussen mijn vrije hand door de vingers van Viola heen gevlochten. Het meisje blafte als een hond en had een indrukwekkend paardengebit. Belangrijker nog, ze was verliefd op me. Vanavond liet ik haar in de waan, anders zou ik door mijn hoeven heen zakken.

Ineens kwam een bosje rechts van ons tot leven; Viola’s hand was als klei in de mijne. Een gemaskerde man sprong het olifantenpaadje op, zijn gigantische, oorverdovende kettingzaag hoog in de lucht. Stampvoetend kwam hij op ons af, schreeuwend, met een maniakale lach.

In minder dan een seconde sloeg onze anticipatie-angst om in totale paniek, zelfs bij onze begeleidsters. Er werd gegild, er werd gehuild, er werd geroepen. We waren ineens geen groep meer, maar een groep individuen.

WIE HAD DE KOTELET!?

B. was kwijt en ik wist direct dat hij het stuk vlees bij zich had. Waarschijnlijk stond hij ons stilletjes ergens uit te lachen. Waarom moest hij alles altijd zo moeilijk maken? Soms leek het alsof hij het niet kon hebben, dingen die goed gingen.

Alsof hij ze niet verdiende.

Maar wat was hij stoer. Hij had niemand nodig en schreef iedere dag weer zijn eigen verhaal. Ik kende niemand zo eigengereid als hij en dat was precies waarom ik zo veel van hem hield.

Hij maakte niet alleen mijn leven leuker, bovenal maakte hij mìj leuker.

Zelfs nu, in het donkere bos, wist ik ineens weer dat ik niets te vrezen had. B. was hier, hij was onze regisseur. Ik maakte me los van mijn beschermengelen en probeerde door de bomen zijn krullen te vinden.

Ik zag ze nergens, maar ik kon zijn grijns voelen.

Dat was altijd al genoeg geweest.


De beul stormde als een wild zwijn op ons af. Achter zijn masker herkende ik het moment dat de twijfel toesloeg. Hij had het groepje gillende kinderen bijna bereikt. Dichterbij komen was onverantwoord, maar als hij zijn pas in zou houden, zou hij het sprookje verpesten.

Ik hoorde zijn zaag haperen.

B. hoorde het ook.

Zijn timing benam me de adem.

Als een redder in nood, de James Bond die wij onszelf soms waanden, sprong hij tevoorschijn. Luidruchtig en hilarisch, precies zoals hij was.

“PAK AAN, EIKEL!” schreeuwde hij.

Hij gooide de vlezige homp recht in het gezicht van onze moordenaar. Diens masker vloog door de lucht en de man wankelde op de tast. De schrik droop zichtbaar van zijn pokdalige gezicht. Een paar tellen bleef het stil. Toen draaide hij zich om, waarna hij kermend het pad afrende.

Het gevaar was geweken. Even was B. de held van de dag.


De redding kwam helaas niet voor iedereen op tijd. Ruben, een druk joch van 1 meter 20, had de spanning niet lang genoeg aangekund en was krijsend het bos in gerend. Door de zwarte schemer en zijn blinde paniek, had hij daarbij een boom over het hoofd gezien.

De ontmoeting tussen zijn hoofd en het hout, dat precies samenviel met het kletsende geluid van B.’s worp, was tientallen meters verderop nog te horen. Alsof hij de stam met zijn schedel doormidden had willen breken.

We vonden hem ineen gerold aan de voet van de boom, zijn handen voor zijn ogen geslagen. Vol adrenaline wist niemand een woord uit te brengen, te bang voor wat hij daaronder verborgen hield.

Mijn favoriete begeleidster strekte voorzichtig haar handen uit en trok daarmee langzaam de zijne weg.

Ze opende de doos van Pandora.

De linkerkant van zijn voorhoofd had het formaat van een flinke tennisbal aangenomen, het bloed gutste er met liters tegelijkertijd uit. Niemand haalde nog adem.

Ik zag de begeleidster een duistere blik uitwisselen met een van haar vriendinnen. Ze fluisterden wat heen en weer, geluidloos maar geladen. De een trok haar blouse uit en drukte deze tegen de bal op Rubens hoofd, de dikke verdween stilletjes tussen de bomen.

Mobieltjes had men in die tijd nauwelijks.


De afwezigheid van geluid, op Rubens zwanenzang na, was bodemloos. De euforie om B.’s redding was nergens meer te bekennen.

Tegen elkaar aan gekropen telde onze groep de secondes af, tot plots de lucht boven ons openbrak. Een geweldige bliksemflits verlichtte het bos en ik vond voor heel even de ogen van B. dicht naast de mijne. Gegil om me heen.

De donkerte die terugkeerde was dikker dan een tel daarvoor. De donder kwam veel te snel, gevolgd door een stortvloed aan regen. Uit het hele bos stegen nu geluiden van huilende en schreeuwende kinderen op, onderbroken door gerommel in de lucht.

Het weerlicht was boven, onder en achter ons; de duisternis werd om de haverklap uit elkaar gereten door onverbiddelijke flitsen. Hoewel ik B. naast me wist, liet ik nog wat druppels plas lopen.

Ik was toch al nat.


Ik zag de bomen om me heen getroffen worden door de bliksem en ons bedelven onder hun zware, oude takken. Ik zag mezelf sterven in dat bos, ver weg van mijn ouders, een broek vol plas, de hand van B. in de mijne.

De ogen van mijn groepsgenoten verraadde eenzelfde paniek. Alleen B. leek het allemaal wel grappig te vinden. Grijnzend had hij zijn hoofd in zijn nek gelegd, zijn armen wijd uitgestoken. Hij genoot van de regen, van het stralende licht, van de angst en de adrenaline.

Ik heb me vaak afgevraagd of hij misschien een doodswens had. Dat hij zich zo goed over kon geven aan de ellende die hem overspoelde, omdat hij op zoek was naar iets dat alle pijn zou verjagen. Iets dat hem kon verenigen met zijn dode moeder en zijn verdwenen vader.

Hoe hij daar stond te lachen in de regen wist ik dat ik hem zou volgen tot het einde.


Plots klonk er luid geritsel achter ons. Het was onze begeleidster maar, die hulp en goed nieuws met haar meebracht. De dropping was afgelast.

De opluchting was hoor- en voelbaar. Een van de hulpliederen, een gespierde blonde god met spikes vol groene gel die, zelfs met al die regen, zo hard als staal waren, boog zich met een felle zaklamp voorzichtig over Ruben heen. Het jochie keek hem met half dichtgevallen ogen en bibberende lippen aan.

Al dat rood glinsterde prachtig in het licht van de zaklamp, ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. De blonde bink zakte nog verder naar de grond en raapte Ruben met kracht en beleid op. Het was eindelijk tijd om te gaan.


Meer dan honderd kinderen en begeleiders zaten op elkaar gepropt in een klein café, in afwachting van onze ouders, die ons ieder moment op konden komen halen. B. zat een stukje van ons groepje af.

Men had, zoals ik had voorzien, besloten dat alles zijn schuld was.

Ik voelde de spagaat al hangen, maar had op dat moment de energie niet om voor B. te kiezen. Heel even nog wilde ik me onderdeel van de groep voelen. Voordat ik, voor de zoveelste keer, vrienden zou verliezen omdat B. voor alles en iedereen ging.

Bovendien had ik mijn eigen oorlog te voeren. In alle paniek had ik mijn broek volledig vol gepist en het kon nooit lang duren voordat iemand de stank van mijn urine op zou vangen.


Bezorgde verzorgers druppelden één voor één naar binnen, paniekerige kinderen druppelden één voor één met hen naar buiten.

Daar had je de vader van B. Hij werd omringd door kleine wolkjes razernij, die uit zijn oren spoten. Ook hij had blijkbaar besloten dat zijn geadopteerde probleemzoon verantwoordelijk was voor de afloop van deze kutavond. Het zou me niets verbazen als hij een manier zou vinden om zelfs het slechte weer op B. te verhalen.

Die rood aangelopen man was de belangrijkste reden dat ik het zo spannend vond om bij B. te gaan spelen. Tegen mij was hij altijd vriendelijk, maar niets weerhield hem ervan zijn zoon te vernederen waar ik bij was.

Voordat hij zich tot B. wendde om hem aan zijn kraag mee naar huis te slepen, liep hij op mij af om me een warme schouderklop te geven. Hij leek zich aangetrokken te voelen tot mijn zachtheid, die hij zelf ontbeerde.

Het stel liep ruziënd naar buiten. B. keek nog even achterom en zocht mijn steun in de drukte. Ik volgde hem met mijn ogen, totdat hij uit het zicht verdween.

Voor hem moest het onweer nog beginnen.


Alles was intussen opgedroogd, behalve de grote pisvlek in mijn broek.

Mijn rugzakje lag opzichtig tussen mijn benen. Dadelijk zou men eindelijk inzien dat ik een mislukkeling was. Een peuterziel gevangen in het lichaam van een tienjarige homofiel. Een klein kind dat zijn plas liever liet lopen dan een volwassene te moeten vragen waar het toilet was.

Zonder mijn moeder was ik reddeloos verloren.

Mijn broek voelde warm en het stof schuurde aan de binnenkant van mijn benen. Al zo lang ik me kon herinneren had ik vies eczeem en bruinige korsten in mijn liezen. Als ik te vaak in mijn broek plaste, braken deze open en liepen er druppels pus naar beneden.

Dat was niet alleen gênant, maar ook pijnlijk.

Alsof de binnenkant van mijn broek vol zat geplakt met grote plukken brandnetel.


Het was daarom dat ik me op de grond van dat café zo min mogelijk probeerde te bewegen. De gesprekken over de tennisbal van Ruben gingen volledig langs me heen; ik had al mijn concentratie nodig om de geur van mijn pis weg te denken.

Als ik het niet kon ruiken, kon dat rest dat misschien ook niet.

Ik verloor de controle over mijn tong, wat ik altijd deed als ik me hard concentreerde. Ongemerkt verzamelden de tranen zich in de hoeken van mijn ogen, zo hard beet ik erop.

En toen was daar ineens mijn vader.

Vriendelijk en bezorgd boog hij zich over me heen. Toch kon ik maar net voorkomen dat mijn tranen veranderden in een hysterische huilbui.

Want hij was mijn moeder niet.

Door hem voelde ik me klein, verward en anders. Door hem voelde ik me een mislukte versie van mijn grote broer. Door hem voelde ik me een wandelende teleurstelling.

Omdat hij de man was die ik wilde zijn, maar nooit worden zou.

Mijn moeder zou me troosten als ze mijn natte broek zou zien, mijn vader zou boos worden. Dus stond ik met overdreven veel beleid op, de tas strak tegen mijn natte kruis gedrukt.

Mijn vader drukte zijn hand stevig op mijn rug en duwde me voorwaarts. Iedere stap deed pijn. Bij de uitgang wierp ik een laatste glimlach over mijn schouder en knikte ik naar de kinderen die voor heel even nog mijn vrienden waren.

Morgen zouden B. en ik weer samen alleen zijn.


Het vragenvuur van mijn vader, over onze avonturen in het bos, werd om de paar seconden afgekapt met schuine blikken in de achteruitkijkspiegel. De zoutzoete, weeïge geur die me omhulde, was onmisbaar.

Maar hij zag hoe rot ik me voelde en beet op zijn woede. Hoewel ik bang voor hem was, was ik hem daar uiterst dankbaar voor. Hij hield van me, zelfs als ik niet wist of ik ook van hem houden kon.

Dat moest voor nu genoeg zijn.

Thuis zou ik me huilend achter mijn moeder kunnen verschuilen. Zij zou de woorden kennen die ik nodig had. Zij zou de woorden kennen om me weer beter te maken.

Ik zou me getroost en geliefd voelen in haar armen. Ik zou de laatste dag van het kamp thuis mogen blijven, omdat ik wel genoeg mee had gemaakt. Ik zou haar een knuffel geven en niet naar haar luisteren.

Zo’n vriend was ik en zo’n vriend wilde ik blijven.