8. De grote depressie (deel 1)

elysium

Terugkijkend op mijn jeugd, was ik een lief, enthousiast en vrolijk kind. Ik was misschien wat angstig, en had de grootste moeite met vreemde mensen, maar ik genoot van mijn leven en het gehucht waarin ik opgroeide. Ik schakelde moeiteloos tussen het voetballen met vrienden uit de buurt, het verzorgen van mijn barbies met mijn vriendinnen en het instuderen van dansjes op de muziek van Britney, Kylie en Madonna. De ene dag speelde ik vadertje, de volgende dag was ik moedertje. Kon mij het schelen, ik vond het allemaal even leuk.

Met het naderende einde van mijn basisschool carrière, stierf stukje bij beetje ook mijn kinderlijke onschuld. Ik ving steeds meer subtiele (en minder subtiele) signalen op dat er iets niet klopte, dat iets aan mij niet deugde. De meisjes van streetdance lachten me recht in mijn gezicht uit, oudere scholieren noemden me ‘homo’, mijn moeder raadde me af nagellak te dragen naar school, ik moest van voetbal af omdat ik niet meer met de andere jongens wilde douchen, ik hield van de Spice Girls, ik had steeds meer vriendinnetjes en steeds minder vrienden en, niet geheel onbelangrijk, ik vroeg me wel eens af hoe onze leraar er naakt uit zag. Alles bij elkaar opgeteld wist ik daarom dat ik kapot was, een programmeerfout. Toen ik met een citoscore van 550 de klas uitliep (zelfs daar baalde ik van, ik schaamde me voor de aandacht die mijn schoolresultaten me opleverde), besloot ik het roer radicaal om te gooien. Den Bosch: een nieuwe school, een nieuwe klas, een nieuwe kans. Ik zou met man en macht verbergen dat ik gebroken was, door te veranderen in de persoon die ik volgens mezelf volgens mijn omgeving moest zijn. Pas toen ging ik echt kapot.

Ik vind het nog steeds pijnlijk om terug te denken aan mijn middelbare schooltijd. Al die vergeefse moeite die ik stak in mijn levensmissie om behandeld te worden als een heteroseksuele jongeman. En erger nog: dat snerpende stemmetje in mijn hoofd dat maar bleef schreeuwen dat iedereen dwars door mijn toneelspel heen kon kijken. Terecht, overigens. Ik zag er lachwekkend uit als nonchalante skater en in de pauze stond ik bij de jongens ongemakkelijk een halfuur mijn mond te houden. Met mijn handen in mijn zakken, dat dan weer wel. Ik hield alleen mezelf voor de gek, niemand anders. Ik was homo, iedereen die dat kon zien. Maar ik hield voet bij stuk, ik wilde er zo graag ‘gewoon’ bij horen. Niet als het lieve, gevoelige en creatieve kind dat ik eigenlijk was, maar als een jongen als alle anderen. Stoer, hard en sportief.

Nou, dat heb ik geweten hoor. Op mijn dertiende zat ik voor het eerst bij een psychiater op de bank, doorverwezen door mijn huisarts. Ik kan me nauwelijks een gesprek met de beste man herinneren. Dat heeft zeer waarschijnlijk te maken met het feit dat ik geen moment echt eerlijk tegen hem ben geweest. Om uit te leggen waarom, moet ik terug naar de angstaanjagende maanden voor ik daar op die bank belandde.

Het was de zomer van 2004. Ik was dik in de dertien en de laatste proefwerkweek van het schooljaar was in volle gang. De zon scheen en het was al dagen snikheet, maar in mijn hoofd waarden koude en donkere onweerswolken. Hoewel ik niemand kende die vrolijk werd van proefwerkweken, kende ik ook niemand die er zo zwaar onder te lijden had als ikzelf. Ik ging KAPOT. Iedere minuut van de dag zat ik in de boeken. Eindeloos schreef ik complete hoofdstukken over Napoleon en aardkorsten over, omdat dat de enige manier was waarop ik mezelf enigszins gerust kon stellen. Ik heb pas goed geleerd, als ik het hele boek woord voor woord uit mijn hoofd ken, dat soort gedachtes. En dan heb ik het nog niet eens over de werkstukken die we moesten schrijven. In retrospectief wil ik iedereen die ooit samen met mij heeft moeten werken mijn excuses aanbieden. Ik was een nachtmerrie. Maar ik kan je ervan verzekeren dat ik er zelf minstens net zo veel last van had. ’s Nachts opstaan om aantekeningen te maken, zinnen tien keer herschrijven om erachter te komen dat de eerste poging de beste was, alinea’s precies op een pagina laten passen, de woordenlimiet met het driedubbele overschrijden en dus tot op de laatste minuut schrappen, dat soort ongein. Sommige kinderen deden hun best voor een 6, mijn wereld stortte in als ik niet tenminste een 9 haalde. Mijn intelligentie was alles wat ik had.

Goed, ik vond de proefwerkweek dus verschrikkelijk. Gelukkig kenden deze tien dagen in de zomer van 2004 (in mijn herinnering eerder tien jaar) één lichtpuntje: MSN. Ik mocht iedere dag 30 minuten het internet op (in die tijd ging dat nog met een inbelverbinding) en die 30 minuten had ik heel hard nodig. Het was zaak om zo snel mogelijk met zoveel mogelijk klasgenoten zo hard mogelijk te zeiken over hoe kut die proefwerkweek wel niet was. Voor mij een manier om me voor heel even als alle anderen te voelen. Voor hun een manier om te merken dat ik best wat te zeggen had (je kent dat wel: ik was online veel spraakzamer dan in het echt. Eigenlijk is er wat dat betreft weinig veranderd). Helaas bereikte mijn hetero-wens in die zomer een hoogtepunt en dat had ook zijn uitwerking op mijn MSN-gebruik. Ik had gezien hoe andere kinderen hun beste MSN-vrienden onderverdeelden in ‘jongens’ en ‘meisjes’, dus ik wilde dat ook. Beide groepen moesten koste wat kost even groot zijn. Het feit dat ik met mijn jongens ‘vrienden’ in het dagelijkse leven nauwelijks een woord sprak, deed iedere dag weer pijn. Waarom lukte het me niet om normaal te zijn, zelfs op MSN? Die 30 minuten gingen er steeds meer om draaien dat ik met evenveel jongens als meisjes aan het chatten was, al liepen de gesprekken met de meeste jongens na ‘hey, hoe gaat ie?’ ‘goed, met jou?’ ‘ook’ faliekant stuk. Ik balen. Maar ik bleef het nog jaren proberen.

Ik had extreme schoolstress, ik sliep slecht, ik was eenzaam, ik faalde als jongen en als kers op de taart ontdekte ik die zomer een gek bultje in mijn lies. Het is daar dat mijn OCS-klachten voor het eerst met volle kracht toesloegen. Kon mij het schelen dat ik glansrijk overging naar de derde: ik had kanker, dat was alles wat telde. Het werd steeds donkerder in mijn hoofd, ik kon nergens anders meer aan denken. Ik probeerde het bultje naar binnen te duwen, uit te knijpen, weg te relativeren, niets hielp. Ik veranderde langzaam in een zombie. Ik was er wel, maar ik was er niet.

Eén dag uit deze nachtmerrie is me heel goed bijgebleven. Ik was samen met mijn broer logeren bij onze peetnichtjes, wat we in die tijd wel vaker deden. Ik voelde me slechter dan ooit en kon niet geloven dat niemand zag dat ik aan het verdwijnen was. Dat ik kanker had, en er binnenkort niet meer zou zijn. We speelden Risk, we voetbalden in de tuin en we gingen zwemmen in een nabijgelegen meertje. Daar knapte ik. Jong als we waren, besloten we het meer zwemmend over te steken. Halverwege de tocht begaf mijn lichaam het en raakte ik in totale paniek. Ik wist toen nog niet wat een paniekaanval was, nu wel. Ik had er een. De virtuele kanker drukte zo zwaar op me, dat mijn hersenen het daar en op dat moment op wilden geven. Ik kon gewoon niet meer. Ik zie me daar nog drijven, klaar om de boel de boel te laten. Gelukkig dacht mijn lijf daar anders over, die wilde door. Ik begon als op de automatische piloot te spartelen voor mijn leven. Opeens besefte ik me dat ik al een paar maanden tegen mijn zin in aan het sterven was. Dat moest ophouden. Nu. Ik klampte me geschrokken en gebroken vast aan mijn nichtje, die me haastig naar de overkant zwom. Ik leefde nog. Ergens deed dat pijn, maar meer nog voelde het als een tweede kans. Ik was ziek en ik had hulp nodig.

Niet lang daarna prikten mijn lieve ouders eindelijk door mijn strijd in stilte heen. Ze dwongen me mijn pijn te delen en ik gaf schoorvoetend toe dat ik kanker had. Het duurde nog een paar weken voordat de ernst van de zaak volledig in daalde; het lukten ze echt niet om me van mijn doodsangst af te helpen. Toen werd het dus tijd voor de huisarts en daar keek ik flink tegenop. Het bezoek kon alleen maar verkeerd aflopen. Scenario 1: de dokter zou bevestigen dat ik kanker had, met een onvermijdelijke dood als gevolg. Scenario 2: de dokter zou ontkennen dat ik kanker had, ik zou hem niet geloven en mijn dood zou nog steeds onvermijdelijk zijn. Het werd dat laatste.

Mijn huisarts moet de wanhoop in mijn ogen gezien hebben toen hij me ervan probeerde te verzekeren dat er niks met me aan de hand was. Ik kon hem niet geloven, hoe hard ik ook mijn best deed. Dat bultje zat er en kon alleen maar betekenen dat ik kanker had. Andere opties bestonden er voor mij al maanden niet meer. Dat was het moment waarop hij besloot me naar een psychiater door te sturen. Ik had dan misschien geen kanker, ziek was ik wel.

Zo geschiedde. De psychiater was een alleraardigste man, maar er ging vanaf dag één iets grandioos mis in onze communicatie: ik liet hem niet toe. Diep van binnen wist ik heus wel wat mijn probleem was, ik was heus niet zomaar zo perfectionistisch en zo bang om dood te gaan. Ik was bang om mezelf te zijn, bang om te voelen wat ik eigenlijk voelde. En dus koos ik ervoor om mijn hele behandeling om mijn perfectionisme te laten draaien. Dit leek me het minst gevaarlijke probleem. Ik was vaardig genoeg met woorden om het te doen lijken alsof hier niets anders aan ten grondslag lag. Zo slaagde ik erin om een jaar lang niet te praten over mijn seksualiteit, mijn gevoelens van minderwaardigheid en mijn kanker. Bizar, eigenlijk. Toch voelde ik me na dat jaar wel iets beter. Misschien door de antidepressiva, misschien omdat het me rust gaf dat ik ‘officieel’ depressief was verklaard, misschien omdat ik er steeds meer in begon te geloven dat ik nog hetero kon worden. Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het jammer vind dat mijn psychiater en ik niet wat beter ons best hebben gedaan. Terugkijkend was mijn OCS amper te missen, evenals mijn zelfhaat. Helaas had ik mezelf geleerd te liegen, ik was er blijkbaar nog niet klaar voor om mijn hart aan iemand te laten zien. Eerlijk gezegd ben ik dat nu nog steeds niet echt. Maar weet wel dat ik klaar ben met liegen, ik heb m’n portie wel gehad.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s