17. Een zachte rauwheid

elysium

En dan zijn er ineens drie maanden voorbij gevlogen. DRIE! Ik sta er zelf ook van te kijken. Maar het deert me niet, ik ben niet teleurgesteld in mezelf. Ik ben vooral ontzettend blij dat ik weer in de bibliotheek zit, alleen met mijn muziek en mijn laptop. Wat een heerlijk gevoel: vandaag mag ik schrijven!

Dit wordt geen stuk over hoe het leven en de drukte me inhaalden en me er, tegen mijn zin in, van weerhielden mijn blog bij te houden. Het leven en de drukte haalden me wel in, maar ik vond het fantastisch. De zomer en ik hebben een ongezonde en nare verstandhouding. Mijn drie depressies begonnen allemaal omstreeks een zomervakantie en ik heb er altijd moeite mee gehad om me in de warmste maanden van het jaar niet te laten verslinden door de zwaarte en de willekeurigheid van het menselijk bestaan. Ditmaal was alles anders. Mijn leven stroomde en kolkte en ik slaagde er zowaar in ervan te genieten. Geen babysteps meer, het was een revolutie.

-Een eerste kantelpunt was de start van mijn deeltijdtherapie. Dat de wachttijd zo moordend is geweest, was ik aan het einde van de tweede dag al helemaal vergeten. Ik kan verder niet al te veel vertellen over mijn avonturen aan de Tarweweg. Eerst vond ik dat lastig, vervelend zelfs, maar nu begrijp ik het. De behoefte om erover te schrijven wordt iedere week wat kleiner. De dinsdag en de donderdag zijn voor mij en mijn groep. De verhalen die we met elkaar delen, horen thuis in ons ‘lokaal’, en nergens anders. De Tarweweg is onze safe space en ik wil er alles aan doen om dat zo te houden. Geborgenheid en veiligheid voor alles.

Dat neemt niet weg dat de therapie wat met me doet en daar wil ik wel iets over kwijt. Het vergt een vorm van zelfreflectie en eerlijkheid die ik ergens anders nog nooit ben tegengekomen. Ik ben constant bezig met vragen als ‘hoe voel ik me nu?’, ‘wat doet deze vraag/opmerking met me?’, ‘waarom reageer ik zo?’ , ‘wat hou ik achter?’ en ‘durf ik dit op dit moment over mezelf te zeggen?’. Dit is zwaar, soms welhaast onmogelijk, maar oh zo kostbaar. Nooit geweten dat ik de kracht had om in een groep vol ‘vreemden’ aan te geven dat ik me naakt en kwetsbaar voel, dat ik ergens moeite mee heb, dat ik niet durf te huilen (maar het zo graag wil), dat ik zo streng ben voor mezelf, dat zelfhaat m’n tweede natuur is, dat suïcidale gedachtes me zo bekend zijn. Het gevoel weg te willen kruipen en dan nergens naar toe te kunnen: het lijkt wreed, maar het is alles wat ik nu nodig heb. Angst is echt een slechte raadgever, ik vertik het om er nog langer naar te luisteren.

-Naast het naar binnen kijken, bleek ook het naar buiten kijken een cruciaal kantelpunt. Ik ben eraan gewend geraakt dat ik het leven in mijn eentje op moet lossen. Alles is een strijd en vechten doe ik alleen. Dit is een uit angst geboren gewoonte, geen weldoordachte strategie. Integendeel: mijn diepste wens is me verbonden te voelen met mensen, naakt te zijn met mijn kleren aan. Maar ik ben (was) bang. Voor afwijzing, voor verlating, voor pijn, voor verdriet. Angst is niet mijn vriend, het moest maar eens afgelopen zijn.

Dit was niet één moment, één beslissing. Het is een proces waar ik, met steeds meer plezier, al jaren middenin zit. Ik deel meer en meer met mijn familie, met mijn vrienden, met mijn hulpverleners en, sinds dit jaar, met de lezers van mijn blog. Helaas liet ik daarmee precies het gebied liggen waarin ik mijn kwetsbaarheid het meest wil verstoppen: de romantiek. Sinds ik me bewust werd van mijn homoseksualiteit heb ik er actief werk van gemaakt om mezelf de liefde zo hard mogelijk te ontzeggen. Ik overtuigde mezelf ervan dat ik gebroken was, ziek zelfs, dat het te veel gedoe was om met mij samen te zijn en dat geen enkele man ooit van me zou kunnen houden. Geloof me, als je zoiets maar vaak genoeg hoort, wordt het vanzelf ‘waar’. Al mijn ‘relaties’ mislukten, ik durfden me aan niemand te binden. Al die tijd wist ik dat ik het mezelf aandeed, maar ik wist niet hoe ermee te stoppen.

En toen was toch ineens de maat vol. Ik haalde zo weinig voldoening uit mijn contact met andere mannen, begon steeds beter te voelen dat ik meer wilde dan dat. Meer verdiende dan dat. Maar het was aan mijzelf. Niemand anders kon de stap zetten die gezet moest worden. Dus daar ging ik. Ik probeerde op dates eerlijker te zijn over wie ik was en woorden te geven aan de gevechten in mijn hoofd. Hoewel ik flink wat moest roken om deze eerste ‘nieuwe’ dates draaglijk te maken, was ik iedere keer weer trots op mezelf. Mannen renden niet weg van mijn openheid. Integendeel, zelfs. Ze beloonden me vaak door zichzelf ook naar mij open te stellen. Rauwheid is soms zo ontzettend zacht.

Langzaam begon ik ergens diep van binnen te geloven dat ik misschien toch wel de moeite waard was. Eerst een klein beetje. Toen een beetje meer. En toen nog een beetje meer. Totdat ik mezelf uiteindelijk in staat achtte te gaan voor wat ik echt wilde: een relatie. Ik had mezelf al vroeg in mijn leven wijs gemaakt dat ik altijd degene zou zijn die ‘veroverd’ werd, maar ik was het wachten zat. Wie iets wil, moet ervoor gaan. Dus dat deed ik. En dat lukte. En dat was fijn, mooi, verwarrend, moeilijk en bijzonder. Dat ik intussen weer alleen ben, is daarbij van ondergeschikt belang. Wat ik eruit heb gehaald is voor altijd. Ik ben bij mijn eigen behoeftes gebleven, ik ben de uitdaging aangegaan, ik heb mijn angsten onder ogen gezien. Ik heb gezien dat het loont, zelfs de pijn die erop volgde. Ik wil me niet meer verstoppen. Ik ben mooi, ik ben lelijk en ik ben alles er tussenin. Hou ervan of niet, dat is niet aan mij om te beslissen. Het is wel aan mij om te beslissen dat ik me nooit meer ga verontschuldigen voor wie of wat ik wil en voor wie of wat ik ben. Take it or leave it.

-Het laatste, en misschien wel belangrijkste, kantelpunt is mijn verkenning van het huwelijk tussen binnen en buiten, de alverslindende drang om dingen te maken die uiting geven aan mijn belevingswereld. Ik kan zonder schroom zeggen dat ik op dat vlak de afgelopen maanden geen enkele mogelijkheid onbenut heb gelaten. Zo won ik een drag show in Nijmegen. Saillant detail: dit was direct de eerste keer dat ik in drag naar buiten ging. De Gelderlander schreef er een prachtig artikel over. Verder mocht ik mijn moeder als vormgever ondersteunen bij het ontwerpen van haar proefschrift. We zijn het er samen heel erg over eens: het resultaat is beeldschoon.

Qua ontplooiing van mijn artistieke kant ben ik echter vooral Das Mag zeer dankbaar. In augustus trok ik, samen met 18 andere jonge schrijvers, naar een boerderij in Friesland, waar we tien dagen lang onderwezen werden in het schrijversvak. Workshops, schrijven, redactie-gesprekken, schrijven, koken, schrijven, bier drinken, schrijven, hardlopen en nog meer schrijven. In zeer korte tijd heb ik meer geleerd over mijn kunnen dan in de vele jaren ervoor. Ergens vreesde ik dat ik mijn schrijf-plafond al lang had bereikt, maar er is nog zo veel te doen, zo veel te ontdekken, zo veel te verbeteren. En zin dat ik daar in heb, het is ongekend. Ik voel me sinds die week sterker en meer geïnspireerd dan ooit. Vooral voel ik me eindelijk ècht een schrijver. Ik kan dit, ik wil dit, ik doe dit. Geen excuses meer.

Neemt overigens niet weg dat ik het schrijfkamp loeizwaar vond. Ik functioneer moeilijk in groepen en had het aan de lopende band moeilijk (met mezelf). Bij jezelf en je eigen behoeftes blijven is zo makkelijk nog niet als je constant omringd wordt door tientallen mensen, die ook nog eens allemaal hetzelfde willen als jij: gepubliceerd worden. Komt nog eens bij dat ik vaak lang nodig heb om los te laten, me veilig te voelen, het achterste van mijn tong te laten zien. Met sommige vrienden heb ik daar jaren voor nodig gehad; dan is een week echt heel kort. Het moge daarom geen wonder heten dat ik de eerste paar dagen alleen maar in een donker hoekje wilde gaan zitten om te huilen en mezelf te verachten. Ik liep constant op mijn tandvlees. Gelukkig heb ik me over dat gevoel heen gezet. Ik was daar met een doel. Ik zag mijn schrijven met de minuut vooruit gaan en ik wist dat dit nu eenmaal is wat groepsprocessen met me doen. Doorbijten en doorademen. Met succes. Ik vond een plek in de groep, ik schreef een verhaal waar ik trots op ben en ik kijk alsnog met veel warmte terug op die tien dagen. Dank Mag.

Nauwelijks bekomen van mijn groeiende schrijf-aspiraties begon ik al aan mijn volgende avontuur: de kunstacademie. Hoewel het buiten kijf staat dat ik de vooropleiding heb onderschat (wat een werk!), loont het aan de lopende band. Net als bij mijn schrijven, begin ik er iedere dag meer op te vertrouwen dat ik iets te zeggen heb, dat mijn werk een bepaalde urgentie heeft. Ik hoef me niet langer meer te schamen voor de dingen die ik wil vertellen over seks, gender en mentale stoornissen. Ofschoon ik nog oneinding veel te leren heb, mogen ze de wereld in. Moeten ze de wereld in. Met ieder werk dat ik maak, kom ik een stapje dichter bij mezelf en dat wat ik met de rest van mijn leven wil: strijden voor meer geduld, meer begrip en meer compassie. Niet voor mezelf, maar voor iedereen. Mijn angst is mijn kracht.

De dag trekt aan me voorbij. Ik zit nog steeds te genieten achter mijn laptop. Een paar maanden geleden had ik het walgelijk gevonden om deze tekst te schrijven. Zo veel clichés, zo veel pathos. Vandaag kan dat me echter onwijs hard aan m’n reet roesten. Ik ben niet eens bang dat ik me in de toekomst ook weer slecht kan gaan voelen. Dat is dan maar zo. De mildheid die ik nu naar mezelf voel is oprecht en dat is nu het enige wat telt. Ik heb de helft van mijn leven al verspild aan zuur genuil en onnodige excuses, ik heb daar geen zin meer in. Me zeker voelen over mijn onzekerheden is ook een vorm van zelfvertrouwen.

Het woord is nu aan mij.

16. De eerste dag van de rest van mijn leven

elysium

Mijn blog ligt alweer een tijdje op haar gat. Niet omdat ik er niet mee bezig ben, maar omdat ik mijn teksten de hele tijd net niet afkrijg. Ik blokkeer. Deze week heb ik bijvoorbeeld uren zitten broeden op een verhaal over Orlando en waarom ik boos ben op mensen die bij hoog en laag beweren dat LHBTI+ geen emancipatie meer behoeft. Fuck jou. Ik blijk echter grote moeite te hebben met het verwoorden van boosheid, ik begrijp die emotie niet goed. En juist op het moment dat ik klaar was om al mijn schrijfambities definitief bij het oud vuil te zetten, dwong een ander, veel geschikter onderwerp zich van alle kanten aan me op. Derealisatie/depersonalisatie en, daarmee samenhangend, het einde van een leven dat nu alweer een paar jaar mijn leven niet meer lijkt.

Sinds ik in mijn afgrond viel, in de zomer van 2010, ben ik al aan het twijfelen over wat ik met deze termen moet. Niet gevreesd, ik kende ze eerst ook niet, meer uitleg volgt zo meteen. Ze definiëren wie ik nu ben, hoe ik nu denk, hoe ik nu overleef, hoe ik nu wanhoop. Ik herken ze als ik mijn tanden sta te poetsen voor de spiegel, als ik naar foto’s kijk die andere mensen van me maakten, als ik je wil vertellen hoe het eigenlijk echt met me gaat. Maar ik vind het eng om ze goed en lang aan te kijken. Niet alleen omdat ik hysterisch bang ben dat ze me weer zullen overmeesteren, maar ook omdat ik bang ben dat ik ze niet goed in een talige vorm kan gieten. Dat je me niet zult begrijpen, dat je zult vinden dat ik me aanstel, dat je me voor gek uit zult maken. Dat kan ik niet aan. Daar zijn de klachten, voor mij althans, te allesomvattend voor. Wie ervoor kiest derealisatie/depersonalisatie weg te wuiven of te bagatelliseren, kiest ervoor niet langer met mij om te kunnen gaan. En dat spijt me. Echt.

Het begon allemaal in 2010, maar dat wil gelukkig niet zeggen dat de klachten sindsdien altijd aanwezig zijn geweest. Sterker nog, een groot gedeelte van 2013 en heel 2014 had ik nauwelijks ergens last van. Helaas heb ik sinds mijn duikeling van vorig jaar weer regelmatig last. Zo ook afgelopen week. Gisteren begon YouTube me ineens video’s aan te raden van mensen die hun strijd met derealisatie/depersonalisatie openhartig deelden met de rest van het wereldwijde web. Hoewel ik in mijn broek poepte van de angst (wat als ik dadelijk weer een aanval krijg? wat als ik nooit meer kan slapen?), was het ineens twee uur later. Het leek alsof ik mezelf hoorde praten. Eng, maar warm. Ik schrok van het feit dat ik in de afgelopen zes jaar met nìemand heb gepraat die mijn symptomen uit eigen ervaring herkende. Natuurlijk sprak ik er wel over met mijn hulpverleners. De ene psychiater zei dat het nooit meer over zou gaan (dat was de laatste keer dat ik hem zag), de andere psycholoog zei dat het volkomen normaal was voor mensen met angst- en dwangklachten. Allemaal mooi en aardig, maar ik voelde me nauwelijks begrepen. Hortend en stotend stamelde ik dan weer eens uit dat ik het gevoel had dat ik mijn eigen leven aan het dromen was. Mijn therapeute kwam vervolgens niet verder dan te stellen dat het er gewoon bij hoorde en dat het vanzelf wel weer over zou gaan. Daar schoot ik geen bal mee op. Maakte het vaak alleen maar erger. Op een gegeven moment ben ik er daarom mee opgehouden erover te spreken. Lijden doe je blijkbaar alleen, besloot ik. Slechts één avondje op YouTube deed me inzien dat ik daarmee een grove misrekening heb gemaakt. Herkenning helpt. Lang leve het internet.

Enfin, voordat ik wel heel opvallend om de hete brei heen begin te draaien, lijkt het me tijd om uit te leggen hoe ik in aanraking kwam met derealisatie/depersonalisatie. Daarvoor moet ik terug naar de zomer van 2010. Om wat preciezer te zijn: naar de nacht van 2 op 3 juli. Dit klinkt misschien bedacht, maar ik kan je verzekeren dat dit niet zo is. Tot gisteren nam ik op de automatische piloot die hele zomer als één hels dieptepunt. Ik herkende me echter in het verhaal van een YouTuber, die heel duidelijk één dag aan kon wijzen waarop zijn hele wereld instortte. Ik heb ook zo’n dag. Nam alleen nooit de moeite uit te zoeken welke datum daaraan verbonden was. En nu blijkt het dus dat mijn derealisatie/ depersonalisatie vandaag haar zesde verjaardag viert. Een toeval zo mooi en zo lelijk, dat er vandaag inderdaad geen enkel ander verhaal geschreven kon worden dan deze.

Om dicht bij mijn waarheid te blijven, heb ik mijn dagboek van 2010 erbij gepakt. Een Word-gedrocht van 400 pagina’s, die me weken van mijn leven heeft gekost. Ergens ben ik er trots op dat ik alles zo goed heb bijgehouden, ergens baal ik ervan dat ik mezelf er zo in verloren heb. Er staan zoveel akelige dingen in, het heeft me zoveel energie en tranen gekost. Het was een verslaving. Een verslaving die me ervan weerhield mijn leven daadwerkelijk te leiden, zo vast zat ik in mijn hoofd, zo vast zat ik aan dwangmatig herinneren. Ik ben daarom maar wat blij dat ik geen dagboek meer heb, ik ging er langzaam aan dood. Toch is het voor nu een handig naslagwerk. Neemt niet weg dat ik het verschrikkelijk vind om te lezen wat er in staat. Het doet pijn om te zien wat er allemaal door me heen ging. Het doet pijn om te beseffen dat afgelopen zomer minstens net zo erg was. Het doet pijn om te weten dat mijn strijd nog steeds niet helemaal gestreden is, precies zes jaar na dato.

Laat ik beginnen met mijn notities bij 2 juli, de laatste dag van mijn eerste, ‘normale’ leven. De dag die fungeert als harde grens; er is een vóór, er is een ná.

Er begint zich een angstige pijn in mijn buik te vormen, maar ik kan hem niet goed duiden en besteed er te weinig aandacht aan. Eenmaal in bed gaat het echter heel snel heel erg mis. Ik sluit mijn ogen en weet ineens, écht ineens, niet meer zeker of de werkelijkheid wel de werkelijkheid is. Besta ik wel echt? Is het niet allemaal een droom? Is het niet allemaal onzin? De gedachtes breiden zich schrikbarend snel uit en ik sta doodsangsten uit. Met een paar simpele beredeneringen heb ik de vaste grond onder mijn voeten vandaan geslagen, leef ik plots in volledige onzekerheid. En echt, dat was vreselijk, ik ben nog nooit zo bang geweest. Ik snap dan ook totaal niet hoe ik zo makkelijk in slaap viel. Wat heb ik gedaan, wat is er gebeurd? Was het allemaal niet echt? Of is dit allemaal niet echt?

Daar begon het allemaal, op mijn ouderlijk bedje in Rosmalen. Hoewel ik er dus wel in slaagde in slaap te vallen, werd ik wakker met angstige steken in mijn buik. Wat is er met me aan de hand? Ben ik wel echt? Ben ik nu gek aan het worden? Het enige wat een beetje hielp was Pokémon spelen (escapisme is soms echt het beste medicijn): ik ben blij dat ik wat om handen heb, want de angst borrelt diep van binnen. Ik heb constant het idee dat ik alles net niet scherp zie, dat ik er net niet ben, dat alles net niet echt is. Heel akelig.

Ook de lange, zware gesprekken met mijn moeder hielden me die eerste dag in leven (mijn vader was er die dag niet). Ze vond een manier om met me te praten, hoe gek ik mezelf ook vond. Samen zochten we naar oorzaken van mijn paniek, die we voornamelijk vonden in een overdaad aan stress en mijn angststoornis, die ik toen al lang en breed had. Ik had het feit dat ik krap een week daarvoor nog naar de dokter was gegaan met de mededeling dat ik waarschijnlijk kanker had, serieuzer moeten nemen. Mijn hypochondrie was sinds mijn puberteit al een graadmeter voor mijn psychische gesteldheid, maar die zomer weigerde ik er goed naar te luisteren. Wonderbaarlijk genoeg lukte het me op de eerste dag van mijn nieuwe leven wéér om redelijk snel in te slapen. Doodsbang was ik, de nacht is er voor mij om te malen, maar blijkbaar was ik uitgeput genoeg door alle stress. Later schreef ik over deze nacht: ik merk nu pas hoe bevreemdend het voelt om hier over te schrijven, alsof ik het levensverhaal van iemand anders vastleg. In deze dagen zweefde ik, was ik het contact met de werkelijkheid kwijt, en dat levert rare, onechte herinneringen op.

Helaas was het hierna definitief gedaan met mijn rust. De dagen werden steeds langer en het werd steeds moeilijker om weerstand te bieden aan mijn obsessieve twijfels over de werkelijkheid. Zeker in de avonden. Als het donker wordt, wordt het ook donker in mijn hoofd. De angst voor de angst neemt steeds grotere vormen aan. Ik vind slapen ook zo verschrikkelijk… in dat bed, helemaal alleen met al mijn vrezen. Het duurde daarna nog maar even voordat ik door mijn tweede wanstaltige aanval van derealisatie/depersonalisatie werd getroffen. In de trein dit keer, getriggerd door het feit dat ik de Metro veel te snel uitlas. Dan heb ik ineens niets meer te doen. De leegte overvalt me en ik begin weer te twijfelen aan de werkelijkheid. Besta ik wel echt? Wat doe ik hier? Is alles niet het resultaat van mijn verbeelding? Waar kan ik nu eigenlijk van op aan? Binnen 10 seconde heb ik mezelf weer helemaal gek gemaakt en krijg ik moeite met ademen. De paniek wordt steeds heviger en het enige dat ik wil is heel hard huilen. Ik zit echter met tientallen andere mensen in de trein en de schaamte weerhoudt me ervan te breken. Nog nooit deed de trein er zo lang over om in Nijmegen te komen, godverdomme. Als een gestoorde strompel ik de trein uit, ik moet iets doen, dit gevoel moet weg. Ik race naar huis, gooi mijn spullen op de grond en grijp naar mijn telefoon. Ik moet mijn moeder bellen, iemand moet me helpen. Gelukkig neemt ze op en binnen twee seconden huil ik tranen met tuiten. Ik heb moeite met ademhalen, ik kan maar niet tot rust te komen en ik vind alles eng. Ik zweef, heb geen binding meer met de werkelijkheid, weet niets zeker en ik kan er echt niet mee omgaan. Huilen helpt. Jezus, wat zit deze angst diep zeg. Niet veel later staat mijn broer voor de deur. Wat een opluchting, ik ben niet meer alleen. Hij neemt plaats op de bank en ik probeer hem uit te leggen wat er door me heen gaat. Ik blijf maar huilen, zo ontzettend moe ben ik van alle stress. Gek genoeg voel ik me getroost door zijn observatie dat hij aan me kan zien dat er iets mis is, dat ik er grauw en uitgeput uitzie.

Hierna vertoont mijn dagboek wat gaten. Pas bij 8 juli staat er weer wat geschreven: de ergste dag van mijn leven. Het is dat ik in de UB zit, anders was ik nu waarschijnlijk in huilen uitgebarsten. Mijn hoofd doet pijn en mijn buik voelt koud, zo goed kan ik me deze dag nog herinneren. Sterker nog, als het wat slechter met me gaat, spookt hij constant door mijn hoofd. Op 2 juli viel ik voorover, op 8 juli begon ik te vrezen dat ik de bodem van mijn ellende nooit zo bereiken. Zo diep bleek het diepe. Ik leerde tegen mijn zin in eindelijk de volledige betekenis van ‘radeloosheid’ te begrijpen.

Die ochtend was alles redelijk rustig. Toegegeven, ik was nog steeds bang dat ik droomde, had nog steeds het gevoel dat ik opgesloten zat in een slechte B-film, voelde me nog steeds hopeloos alleen, vreesde nog steeds voor het moment dat ik definitief door zou draaien… Maar ik ademde, de existentiële pijn was nog net te behappen. Een bezoek aan de huisarts bracht daar helaas verandering in. Ik had mijn moeder meegenomen, ik durfde al een week niet meer alleen te zijn. En dat was maar goed ook, want ik kreeg mijn dokter nauwelijks uitgelegd wat er allemaal in me omging. De angst zat zo diep, was zo overheersend, dat ik er geen woorden aan kon geven. Mijn moeder had alles meegemaakt en vulde mijn verhaal aan daar waar het nodig was. Er werden wat afspraken gemaakt, maar veel te snel stonden we alweer buiten, enige vorm van opluchting was nergens te bekennen. Bij de Bagels en Beans trachtten we een weekschema te maken. De dokter raadde me aan om structuur aan te brengen in mijn dagen, vegeteren op de bank was volgens hem uit den boze. Tijdens het gesprek met mijn moeder begon ik langzaam te beseffen dat er geen wondermiddel was voor het bestrijden van mijn angsten. Ik moest het ondergaan, ik moest de pijn verdragen, zonder enige garantie dat het ooit beter zou worden. Ik herkende plots mijn eigen stem niet meer en zat niet meer in mijn eigen lichaam, mijn moeder leek als een mistwolk van me af te drijven. Angst borrelde op, heviger dan ooit.

Ik begin te trillen, ik word ontzettend misselijk en ik kan nog maar één ding bedenken: als dit nooit over gaat, wil ik dood. Ik kan dit niet aan, ik trek dit niet langer, er moet nu iets gebeuren, anders word ik gek, anders ga ik de dood opzoeken. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Voor de onwerkelijkheid van alles, maar ook, en vooral, voor mezelf. Ik wil mezelf dingen aan doen, alles om dit gevoel over te laten gaan. Ik strompel naar de wc, maar het bibberen en de misselijkheid trekken niet weg. Mijn moeder snapt de hevigheid van mijn emoties pas als ik uitkerm dat er nú iets moet gebeuren, anders gaat het fout. Ferm staat ze op: terug naar de huisarts. Wat ik in die minuten heb uitgebracht weet ik niet meer, ik weet alleen nog dat ik echt doodsbang was. Mijn moeder stapt op de secretaresse af en vertelt heel stellig dat we nú de dokter moeten zien. En wonderbaarlijk genoeg mogen we over 10 minuten naar hem toe. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar er kwam wel een soort opluchting over me heen. Misschien kon hij toch nog iets voor me betekenen, me drogeren, wat dan ook! Ik struikel naar buiten en mijn moeder helpt me met mijn ademhaling, die ik totaal niet meer onder controle heb. Wat een hel. Dat waren echt de donkerste minuten uit mijn leven. Serieus, die angst voor het geval dat ik dat gevoel nooit meer kwijt zou raken… verschrikkelijk. Uiteindelijk was het dus weer angst om angst, maar dat had ik zelf op het moment niet zo goed door. Enfin, we gaan snel naar de huisarts en dit keer kan ik beter zeggen welke emoties er door me heen gaan, aangezien ze er daar en dan zijn. Er zijn een paar momenten dat ik bijna in huilen uitbarst, maar ik hou me groot. En het werkt. Hij is oprecht bezorgd, schrijft me kalmeringspillen voor, belt me vanmiddag om te vragen hoe het gaat en maakt morgen een definitieve afspraak met me. Totaal uitgeput strompel ik naar buiten. De paniekaanval is voorbij, maar de gevolgen onderga ik voortdurend.

De dagen, weken en maanden na die ene middag waren een aaneenschakeling van vallen, nog verder vallen en toch maar weer opstaan. Paniekaanvallen, suicidale gedachtes, droomachtige gewaarwordingen, de angst om gek te worden, de angst om geinstutionaliseerd te worden… mijn brein kwam met de akeligste dingen op de proppen zetten. Leven deed ik niet meer, overleven was het enige wat ik nog kon. Constant moest ik mijn angsten onder controle houden, deurtjes in mijn hersenen op slot draaien, de andere kant opkijken als het teveel pijn deed. Dat lukte zelden. De angst bleef maar komen. Ik had het idee dat ik niet scherp zag, rook en voelde, alsof ik overal nét niet bij was. Alsof ik dronken was. Of koortsig. Het ergste was nog wel dat niemand me kon garanderen dat het ooit goed zou komen. Als ik de rest van mijn leven in een schemerdroom moest blijven leven, wilde ik liever helemaal niet meer leven. Dit betekende over het algemeen echter niet dat ik dood wilde (soms was ik wel bang dat ik al dood was, dat ik mijn laatste adem reeds had geblazen, maar dat m’n laatste gedachtes eindeloos voortduurden en ondraaglijk kut waren). Heel af en toe kon ik de pijn echter ècht niet meer aan. Dan barstte ik in huilen uit, omdat het allemaal niet meer hoefde. Huilen gaf even lucht. Helaas benamen de bezorgde blikken die ik dan kreeg me al snel weer van al mijn adem, ik stiktte aan één stuk door. Op mensen moeten leunen is in die maanden één van mijn grootste nachtmerries geworden.

Een sprong voorwaarts. Het is intussen januari 2011. Ik heb intussen geen paniekaanvallen meer, maar daarmee is alles wel zijn beetje gezegd. Als wat hierboven staat je misschien als een ‘gewone’ depressie of angststoornis in de oren klinkt, ga ik je nu uit die droom helpen. Met het wegebben van mijn paniek (of was het een vorm van wennen aan?) bleef de derealisatie/depersonalisatie namelijk fier overeind staan. Hoewel ik de buitenwereld liet zien dat ik het allemaal wel aan kon, gleed ik van binnen steeds verder af, voelde ik me steeds gekker worden. Ik kan pagina’s vullen met mijn angstaanjagende gedachtes, maar hou het voor nu liever bij een lijstje. Door er droog over te schrijven, hoef ik er minder bij te voelen. Dit is wat het voor mij toen betekende (en nu betekent) om last te hebben van derealisatie/depersonalisatie:

-Ik voel me een levende dode, zonder enige emotie.

-Mijn lichaam lijkt een automaat, een levenloos ding.

-Ik voel me leeg van binnen, ben tot op het bot verdoofd.

-Het lijkt alsof ik niet in mijn lichaam zit, maar er net even buiten zweef. Mijn geest en lichaam zijn twee afzonderlijke entiteiten.

-Ik verkeer in een droomtoestand, voel me niet echt, voel me niet als mezelf. Alsof ik mijn eigen toeschouwer ben.

-Soms ben ik bang om gek te worden. Of psychotisch.

-Soms moet ik in mezelf knijpen om mezelf ervan te overtuigen dat ik nog besta.

-Die jongen in de spiegel, ik weet niet zeker of ik dat ben. Hetzelfde geldt voor mijn stem. Ben ik dat?

-Ik zit opgesloten in een vissenkom, omringd door mist. Alles en iedereen lijkt ver weg, ik maak geen contact.

-Ik ervaar mijn omgeving als een film, vreemd, nieuw, onwerkelijk en onbekend. Mijn herinneringen lijken niet meer die van mezelf, maar van een ander.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Hopelijk kun je je er iets bij voorstellen. Hopelijk niet teveel. De gewaarwording heeft wat weg van oververmoeid of heel erg dronken of stoned zijn. Maar dan zonder einde in zicht. Gelukkig voel ik me tegenwoordig misschien drie keer per week zo, en dat is echt meer dan genoeg. In 2011 voelde ik me dagelijks zo. En daar praatte ik met niemand over. Ik ontwikkelde verschillende, desctructieve manieren om met het onwerkelijke van mijn bestaan om te gaan. Stap 1 in mijn proces was overmatig filosofisch denken. Ik waande me een soort Schopenhauer. Ik had ‘ontdekt’ dat het leven een leugen was, een droom, en kon daar eindeloos over doordenken. Derealisatie/depersonalisatie is ergens een heel diepzinnige en intrigerende klacht, oneindig voedsel voor de geest. Maar gelukkig wordt je er niet van, en dat begon me steeds meer tegen te staan. Stap 1 liep daarom geruisloos over in stap 2, een allesverslindende vorm van cynisme. Als Schopenhauer had ik ontdekt dat het leven   onzinnig en nep was, wat voor zin had het dan allemaal nog? Ik wilde nog steeds niet dood, maar ik wilde wel kapot. Alles werd een experiment. Ik ging buitensporig veel blowen, kwam steeds minder buiten, zocht steeds minder contact en studeren vond ik iets voor onwetende stakkers. Wat heb je nu aan een diploma als je leven nep is? Daarnaast begon ik te liegen, te roddelen en mensen tegen elkaar op te zetten. Alles om maar iets te voelen (behalve angst). Het mocht niet baten.

Toen een belangrijke vriend me erop wees wat voor een naar gedrocht ik was geworden, besloot ik het uit schaamte over een andere boog te gooien. Mijn stap 3 werd zelfontplooiing en liefde. Ik schreef me in voor de ene wazige cursus na de andere, in de hoop de meerwaarde van mijn bestaan te ontdekken. Ik ging zelfs een paar dagen het klooster in. In de avonden gooide ik mezelf vol met bier of pillen, zodat ik nachten door kon feesten en verliefd kon worden op iedere heteroseksuele jongen die me ook maar enigszins begripvol aankeek. Mijn hart brak om de twee weken en ik genoot er met volle teugen van. Eindelijk kon ik weer VOELEN. Kon mij het schelen dat ik alleen nog maar gelegenheidsvrienden had en tien kilo was aangekomen!?

Dit slopende en pathetische bestaan hield ik tot begin 2013 vol. Ik was net aan mijn master in Tilburg begonnen en daar werd ik geconfronteerd met een paar oude vrienden die ik echt niet meer wilde kennen: stress, paniek en onzekerheid. Ik zou het niet overleven als ik deze vrienden weer zou verwelkomen. Ik moest ze koste wat kost op afstand houden. Om dat te doen, moest ik, stukje bij beetje, aan mezelf toe geven dat ik al dik twee jaar een leugen, mijn eìgen leugen, in stand aan het houden was. Hoe graag ik het ook wilde, het ging helemaal niet goed met me. Al die ‘stappen’ die ik had gezet, waren verschillende vormen van opgeven, van me neerlegen bij mijn derealisatie/depersonalisatie. Maar dat wilde ik helemaal niet! Ik wilde leven. Ècht leven.

Dit bracht me tot mijn stap 4, de moeilijkste van allemaal: ik vroeg om hulp. Eindelijk gaf ik toe dat mijn aanpak had gefaald, dat ik al jaren zat te liegen, dat ik mijn klachten helemaal niet onder controle had. Dat ik doodongelukkig en alleen was. Altijd en overal, want er was geen ontsnapping aan mijn eigen gedachtes en angsten mogelijk. En toen? Toen werd het eindelijk beter. Maar dat verhaal bewaar ik voor een andere keer.

Vandaag, precies zes jaar nadat mijn leven op haar kop werd gezet, ben ik nog steeds niet waar ik zijn moet. Angst is sinds een jaar weer mijn voornaamste kompaan, The Matrix kan ik sinds een jaar weer niet kijken, omdat die film mijn dagelijkse waarheid beschrijft. Toch ben ik minder radeloos nu, begrijp ik beter waar mijn valkuilen zitten. Ik twijfel nog regelmatig: komt het ooit nog helemaal goed met me? Zal het ooit rustig worden in mijn kop? Zal ik ooit uit mijn glazen vissenkom ontsnappen? Daar staan echter ook heel veel fijne momenten tegenover. Als ik de afgelopen jaren iets heb geleerd, is het wel dat dit leven me alles waard is. Dat ik sterk genoeg ben om onmenselijke pijnen te doorstaan. Ik kom er heus wel. Vandaag of morgen, met of zonder derealisatie/depersonalisatie, dat is me om het even. I’m here to stay. En dat voelt, ondanks al mijn worstelingen, iedere dag weer ontzettend goed.

15. Pillen slikken

elysium

Het is nu bijna drie weken geleden dat de dosis van mijn medicatie werd verhoogd. Ik had er nogal een hard hoofd in. Enerzijds omdat de psychiater door liet schemeren dat de kans erg klein was dat dit medicijn voor mij ooit nog zou gaan werken. Anderzijds omdat ik op dag 1 van de nieuwe dosis geveld werd door een heftige griep; ik had me fysiek, maar vooral mentaal, al tijden niet meer zo rot gevoeld. Maar toen trok de koorts langzaam weg en gebeurde er iets raars: ik begon me beter te voelen. De mist in mijn hoofd werd wat dunner, het plezier dat ik beleefde aan in de wereld staan werd wat groter. Het duurde even voordat ik dit besefte. Voordat ik dit durfde te beseffen. Mijn depressie haat vooruitgang, vertelt me constant dat ik mezelf voor de gek hou, dat morgen de wereld opnieuw weer in zal storten. Dat ik morgen dan toch echt onomkeerbaar door zal draaien. Ik ben daardoor bang om me beter te voelen. Ik ben zo vaak gevallen, dat het veiliger lijkt om voor altijd te blijven liggen. Het is niet leuk, daar op de grond, maar het is beter dan wéér de lucht invliegen en wéér snoeihard neerstorten.

En toch kan ik niet om de gewaarwording heen dat de mist sinds enkele dagen wat dunner is, de angst om gek te worden/zijn wat milder. Door schade en schande kan ik het me niet meer veroorloven om naïef te zijn: ik ben niet genezen, dit gevoel is waarschijnlijk niet voor altijd, mijn strijd is nog lang niet gestreden. Maar fijn is het wel, even wat ruimte om adem te halen. Zelfs als ik in overweging neem dat dit de val naar beneden in de toekomst alleen maar pijnlijker zal maken. Wat ik me wel afvraag, en dit zullen meer mensen die antidepressiva slikken herkennen: is dit positievere gevoel echt door die pil veroorzaakt? Of voel ik me beter doordat ik gezondere keuzes probeer te maken en probeer te doen waar ik gelukkig van word? Het antwoord ligt waarschijnlijk ergens in het midden en dat vind ik een lastige locatie. Ik heb behoefte aan duidelijkheid, aan structuur. Ik wil snappen wat wat is. Ik wil aan kunnen wijzen wat zo’n pil voor me betekent, maar ook welke resultaten ik zelf boek.

Onmogelijk, ik weet het, en dat frustreert me enorm. Hoewel ik geen enkele schaamte ken wat betreft mijn jarenlange gebruik van antidepressiva, vind ik dit aspect ervan moeilijk te bevatten. Niemand kan me vertellen of die pil zijn werk doet, en hoe dan. Het feit dat ik veel waarde hecht aan mijn eigen stappen, mijn eigen vooruitgang, maakt het er niet makkelijker op. Want bij iedere overwinning, hoe klein ook, betrap ik me op de gedachte: komt dit door mezelf, of komt dit door die pil? Ook nu laat ik dit idee dwangmatig door mijn hoofd schieten en dat ondermijnt mijn zelfvertrouwen. Ik wil het zelf doen, mijn herstel in eigen handen hebben.

Dit is niet altijd zo (geweest). Er waren momenten in mijn leven dat niet opgeven zoveel pijn deed, dat ik artsen wanhopig om medicatie heb gevraagd. Niet om me beter te maken, maar om mijn stappen in de goede richting draaglijker te maken. Helaas hebben pillen op mij nooit een aanwijsbaar en concreet resultaat gehad. Je hoort wel eens verhalen over mensen die het nemen van antidepressiva als een duidelijke stap voorwaarts zien. Dat de wereld ineens een stukje mooier en lichter werd, de pijn minder heftig. Soms zelfs zonder het inschakelen van een therapeut. Ik ken dat gevoel niet. Ik ben me daarom, dwars door alle pillen heen, altijd af blijven vragen of ze eigenlijk wel wat voor me deden. Als het na maanden aan een stuk zwoegen langzaam wat beter met me ging, was het onmogelijk om te zeggen of, en in welke mate, medicatie hier iets mee te maken had.

De derde keer dat ik in totale levenspaniek om pillen vroeg, afgelopen zomer, gebeurde er precies hetzelfde. Maandenlang ging het, met vallen en opstaan, nauwelijks vooruit. Angsten infiltreerden mijn leven, ik was al moe na het nemen van een douche, ik tolereerde maar enkele mensen om me heen en de dood spookte constant door mijn achterhoofd. Niet bepaald het effect waarop ik had gehoopt. Mijn vertrouwen in hulp van medicatie begon definitief af te brokkelen. Hoe zwaar het allemaal ook was, blijkbaar was ik overgeleverd aan mezelf, aan mijn eigen overlevingskracht. Mijn psychiater bevestigde deze wetenschap, toen ze haar twijfels uitte over welk effect een verhoogde dosis nog zou kunnen hebben. Ik deelde deze twijfels met hart en ziel en angst. En nu is het de afgelopen tien dagen toch ineens makkelijker in mijn hoofd. Lichter. Hoopvoller. Het is bijna onmogelijk om dit nìet aan die pil te koppelen. Zou het dan toch…?

Ik weet het niet. Zal het waarschijnlijk ook nooit weten. Ik kan voor nu alleen maar genieten van de lente in mijn hoofd, die mijn depressie kleurt en verlicht. Dat het morgen misschien weer donker is, doet daar niets aan af.

14. Een eerste kennismaking

elysium

Het voelt enigszins als een droom, maar vorige week vond toch echt de eerste bijeenkomst van mijn introductiegroep schematherapie plaats. Ik zat nog volop in mijn ziekte en schakelde mijn lieve moeder in om me ernaar toe te brengen. De gedachte aan een halfuur fietsen werd me al bijna te veel, dus ik was maar wat blij dat ik bij haar in de auto mocht. Ook voor wat mentale steun, uiteraard.

Enfin, om privacy-redenen kan ik eigenlijk niet al te veel uit te doeken doen over wat er daar bij de Pro Persona allemaal is gebeurd. Bovendien had ik 40 graden koorts, dus ik weet er eigenlijk ook niet zo veel meer van. Wel weet ik dat ik erg blij ben dat ik er, ondanks mijn ijlen, gewoon bij was. Want echt waar, het idee de eerste sessie te moeten missen, deed me bibberen. Later aan moeten sluiten bij een groep die al deels een dynamiek heeft ontwikkeld, mensen die al persoonlijke en pijnlijke verhalen met elkaar hebben gedeeld… dat kan alleen maar verschrikkelijk zijn. Hoewel ik na een uur alweer weg ben gegaan en die zestig minuten als mist in mijn hoofd zijn, ken ik alle namen en kent de rest nu de jongen die te ziek was om volzinnen uit te brengen. Da’s wel net zo prettig voor de volgende keer, gok ik.

Goed, veel valt er over deze eerste bijeenkomst dus niet te vertellen. Sowieso ben ik nog zoekende naar manieren waarop ik over mijn ervaringen met de GGZ kan schrijven. De begeleiders opperden al dat ik wellicht moet overwegen om even niet te bloggen. Ik begrijp heel goed waar ze vandaan komen, en heb daar zelf ook even aan gedacht. Iedereen verdient zijn of haar anonimiteit, zeker binnen zo’n groep. Dat is de enige manier om een veilige sfeer te creëren, een sfeer waarin iedereen eerlijk en open durft te zijn. Tegelijkertijd ben ik dit blog juist begonnen om mijn GGZ-ervaringen te delen. Om een taboe te doorbreken, maar ook om voor mezelf beter te kunnen duiden wat ik daar meemaak en (hopelijk) leer. Ik heb het nodig. Hoewel het goed mogelijk is dat er in de toekomst verhalen ontstaan die echt niet online kunnen, verwacht ik ergens dat ik al schrijvende vanzelf een geschikte tussenvorm vind. Een manier van schrijven die voor iedereen veilig is en mij toch de mogelijkheid geeft om te doen wat goed voor mij is. Eerlijk zijn. Vooroordelen wegnemen. Een zware en pijnlijke strijd tot iets moois maken. Woorden zijn mijn redding, ik zwijg niet langer.

13. Lichaamstemperatuur

elysium

M’n beste blog, het is alweer even geleden. Hoewel niet schrijven over het algemeen niet goed te praten is, had mijn radiostilte ditmaal gelukkig legitieme redenen. Enkele weken geleden ben ik eindelijk aan mijn roman begonnen, naar een idee waar ik al jaren mee rondloop. Het is veel vallen en opstaan, maar oh zo fijn om mijn eigen geesteskinderen langzaam op papier te zien verschijnen. Ofschoon het waarschijnlijk nog jaren duurt voordat iemand het kan en mag lezen, vervult het me met kracht dat ideeën echt werkelijkheid kunnen worden.

Ik was dus aan het werk, een goed excuus om niet voor dit blog te schrijven. En toen werd ik ziek. Goed ziek. Ik lag een dikke week met 40 graden koorts op de bank, nergens ook maar een suggestie van beterschap. De dokter gooide er antibiotica tegenaan, ik deed mijn best om in ieder geval één boterham per dag naar binnen te krijgen. Verder kon ik helemaal niks. Netflix werd mijn beste vriend en ik moest keihard knokken om niet gek te worden. Ik geloof dat ik dit al eerder schreef, maar ik vind ziek zijn DOODENG. Koorts maakt me hopeloos en eenzaam, niet snel genoeg genezen neigt voor mij te veel naar de uitzichtloosheid van depressie. Normaal gesproken overleef ik door genoeg afleiding te zoeken. Mijn hoofd vraagt veel aandacht en om enigszins stabiel te blijven wil/moet ik haar die niet altijd geven. Maar als ik ziek ben, zit ik, meer nog dan anders, bijna letterlijk gevangen in mijn eigen kop. Ontsnapping is onmogelijk, mijn depressie, die eindeloze maalstroom, voert me van de ene dag naar de andere. Na verloop van tijd weet ik niet meer welke dag het is en of ik ooit nog beter word. Ik weet alleen maar dat alles moeilijk is, dat alles pijn doet en dat ik het allemaal niet meer aan kan.

Als deze situatie lang genoeg duurt, wat het dit keer deed, gebeurt er iets akeligs. Depressie en koorts worden één en diep van binnen voel ik de hoop opborrelen dat, in het gunstigste geval dat ik toch ooit nog beter word, de depressie mee weg zal trekken. Nou, ik ben intussen beter, mijn lichaam functioneert weer. Maar het wolkenveld dat de koorts in mijn hoofd opwierp is niet verdwenen, die depressie zit er nog steeds. Niet bijster verrassend, wel erg pijnlijk. De drang (of is het de noodzaak?) om beter te worden is soms zo immens, dat ik me niet voor kan stellen dat ik morgen waarschijnlijk nog steeds depressief zal zijn. Dat ik nog een dag met deze ondefinieerbare en onzichtbare pijn rond kan lopen, zonder dat ik volledig doordraai. Ik MOET morgen beter zijn, denk ik dan. Af en toe gaat het de dag daarop inderdaad wat beter. Vaak ook niet. En gek genoeg ben ik nog steeds niet doorgedraaid, heb ik nog steeds hoop.

Zelfs tijdens mijn koortsnachten voelde ik, dwars door alle uitzichtloosheid heen, dat ik uitzicht heb op betere tijden. Daar stond ik zelf nogal van te kijken. De dag voordat de ziekte toesloeg, had ik een gigantische paniekaanval, aangewakkerd door een gesprek met mijn psychiater. Hoe gevaarlijk het is dat ik mezelf, vaak onbewust, op zo’n manier presenteer dat men geen idee heeft van de zwaarte van mijn ziekte. En de mededeling dat mijn medicatie niet werkt, maar dat ik, alvorens ik over kan stappen op iets nieuws, eerst nog een maand de dosis van mijn huidige pil moet verhogen, om daarna twee maanden rustig af te bouwen. Anders gezegd: hoewel ik nu al weet dat ik iets slik wat niet helpt, kan ik pas over drie maanden overstappen op andere medicatie. En ook van die pil is niet duidelijk of hij aan zal slaan. Probeer daar maar eens niet hopeloos van te worden.

Enfin, ik werd dus vol paniek ziek, een gevaarlijke combinatie. Het feit dat ik alsnog licht zag door die dikke duisternis, vond ik daarom erg bijzonder. Blijkbaar ben ik sterker dan ik dacht, kan ik meer pijn dragen dan soms menselijk lijkt. Bovenal blijkt mijn wil tot leven het zonder uitzondering te winnen van mijn hoofd, die me immer van het tegendeel probeert te overtuigen. I’m here to stay. En hoewel het sinds afgelopen zomer ontzettend kut en akelig is (geweest), zijn er ook zo veel mooie dingen uit al die schijt geboren. Ik woon al een tijdje samen met mijn lieve, gekke, grote, kleine broer; ik speel in een fantastisch en belangrijk toneelstuk met erg lieve mensen; ik schrijf veel meer dan ik ooit had durven dromen; ik heb een stel trouwe en geweldige vrienden; ik heb eindelijk besloten nu toch ècht naar de kunstacademie te gaan (in september begint de vooropleiding); ik heb het aangedurfd om intensievere hulp te zoeken; ik heb geen ondergewicht meer; ik heb mijn oren laten piercen; ik ben toegelaten tot het Das Magazin Zomerkamp … En zo kan ik nog wel even doorgaan. Waar het op neer komt: het leven is het waard om geleefd te worden. Of nee, MIJN leven is het waard om door MIJ geleefd te worden. En daar kan geen enkele lichaamstemperatuur tegenop.

12. Valkuilen: gotta catch ‘m all

elysium

Eergisteren heb ik de twee begeleiders van mijn introductiecursus schematherapie ontmoet. Eindelijk. Het gesprek was weinig inhoudelijk, het was puur een laten-we-elkaar-de-handen-schudden-moment. Dat maakt me verder ook niks uit, ik ben al blij zat dat er na al die maanden wat schot in de zaak zit. Ik beschik nu over een inlog-code en mijn eerste huiswerkopdracht staat reeds online. Het is alsof ik binnenkort weer naar school mag en gek genoeg word ik daar best wel gelukkig van. Ik sta niet graag stil en werk graag hard, al helemaal als het om mijn mentale gezondheid gaat. Huiswerk is mijn vriend.

Om er alvast een beetje in te komen, heb ik op aanraden van mijn intake-therapeut van de week een boek bij de UB geleend. Leven in je leven heet het. En ja, ook ik vind dat een verschrikkelijk pretentieuze titel. De ondertitel, leer de valkuilen in je leven herkennen, doet me echter wel wat. Het dwingt me om, met nogal wat horten en stoten, wat verder te kijken dan mijn neus lang is. Ik kan heel erg blijven hangen in de pijn die ik nu voel: ik ben zo ontzettend bang om gek te worden, in te storten, te verdwijnen, dat ik soms nauwelijks adem durf te halen. Maar die angst zit daar niet zomaar. Ik ben niet van de een op de andere dag op miraculeuze wijze depressief geworden. Ik heb niet spontaan bedacht: Sandro, laten we een paar akelige en doodenge obsessies ontwikkelen, dat is vast goed voor je. Hoe kut ook, de kwalen die me zo kwellen, zijn ‘slechts’ symptomen, geen opzichzelfstaande problemen. Er is ergens in mijn leven iets ‘misgegaan’ en nu zit ik onophoudelijk op de blaren.

Bon, dat boek met die zweverige hoerentitel, dat kun je gebruiken om te onderzoeken waarom en wanneer het ongeveer misging. Niet gezellig, wel interessant. Er staan van die leuke testjes in die, als je ze goed invult, aantonen wat je als kind gemist hebt of juist in overvloed hebt ontvangen. Dit mondt dan weer uit in enkele ‘valkuilen’, waar we allemaal in meer of mindere mate wel eens last van hebben. Leven in je leven beschrijft er elf. Op tien daarvan scoor ik ‘te hoog’. Gen wonder: ik ben over het algemeen nogal dramatisch bij het invullen van testjes. Altijd al geweest. Als ik de scores wat strenger bekijk, blijven er zes valkuilen over die me doen bibberen van herkenning. Ik som ze even voor je op. Kwetsbaarheid, afhankelijkheid, sociaal isolement, minderwaarheid, extreme aanpassing en extreem hoge eisen.

Het boek wekt vervolgens enigszins de indruk dat deze valkuilen (of schema’s) alleen ontstaan wanneer je als kind emotioneel of lichamelijk bent misbruikt. Afwezige of alcoholische ouders hebben, dat wil ook nog wel eens helpen. Ik schrik daarvan. Objectief gezien had ik een ‘normale’ en ‘gezonde’ jeugd, met liefhebbende ouders, een broer om mee te ruziën/knuffelen en afdoende vrienden en vriendinnen. Heb ik dan niet het ‘recht’ om in deze valkuilen te trappen? Stel ik me aan? Ik ben al vaker tegen dit probleem opgelopen. Had ik nou maar gewoon een traumatische jeugd gehad, denk ik dan, dan slaat het tenminste ergens op dat ik me nu zo rot en mislukt voel. Onzin natuurlijk, dat weet ik zelf ook wel. Maar ik moet zeggen dat ik het fijn/leuk/leerzaam zou vinden om eens te lezen over mensen die het leven als traumatisch (hebben) ervaren zonder dat ze daadwerkelijk een traumatische gebeurtenis te verwerken hebben. Ik wil hiermee overigens op geen enkele manier impliceren dat dergelijke traumatische scenario’s niet belangrijk zijn om besproken en beschreven te worden. Integendeel zelfs! Echter, veel zelfhulpboeken laten naar mijn mening een wat eenzijdig beeld van pijn zien. Mijn pijn is misschien anders (ontstaan), maar daarom nog niet minder waar of terecht. Mijn jeugd was ontzettend traumatisch, zonder dat er ooit iets traumatisch gebeurde. Dat kan dus ook.

Goed, ik dwaal weer eens af. Die zes valkuilen dus. Die vertellen heel veel over wie ik (op dit moment) ben en over hoe ik in het dagelijkse leven functioneer.

Kwetsbaarheid, bijvoorbeeld, wordt mooi samengevat met ‘Je bent gewoon voor alles bang’ (uiteenlopend van de angst om gek te worden en enge ziektes op te lopen tot het bang zijn voor rampen en financiële afhankelijkheid).

Afhankelijkheid wordt omschreven als je niet in staat voelen ‘om je in het dagelijks leven staande te houden zonder steun van anderen’. ‘Je houdt jezelf klein, dat is duidelijk’.

Emotionele verwaarlozing ‘gaat over de overtuiging dat jouw behoefte aan genegenheid nooit door anderen vervuld zal worden. (…) Het voelt als een grote leegte en een niet verbonden zijn. Het gaat om mensen die echt geen idee hebben wat liefde is.’ Au.

Minderwaardigheid heeft als gevolg dat je je van binnen stuk en besmet voelt. ‘Je gelooft dat je in wezen niet iemand bent om van te houden. (…) Je kunt haast niet geloven dat mensen je waarderen – je verwacht afkeuring.’

Extreme aanpassing gaat over je eigen wensen en behoeften opzij zetten en die van anderen voorop te stellen. ‘Dat doe je uit schuldgevoel – dat je anderen zou kwetsen door jezelf op de eerste plaats te stellen – of uit angst – dat ze je zullen straffen of verlaten als je ongehoorzaam bent.

Extreem hoge eisen, of altijd naar de allerhoogste prestaties streven. ‘Je leerde dat eigenlijk niets goed genoeg was’ en ‘waarschijnlijk pas je deze strengen normen ook op anderen toe en ben je heel kritisch’.

Sommige uitspraken raken me meer dan andere. Vooral passages waarin dergelijke valkuilen worden gekoppeld aan mijn opvoeding, sla ik liever over. Dat je boos mag zijn omdat je het zo moeilijk had als kind, dat je boos mag zijn op het feit dat je opvoeders het niet ‘goed’ hebben gedaan. Ik heb daar geen behoefte aan. Mijn ouders hebben alles gedaan wat ze konden; ze hielden van me, ze steunden me, ze beschermden me, ze stimuleerden me, ze waren er altijd. Natuurlijk, er hadden vast dingen anders gekund, geen enkele opvoeding is perfect. Dat staat echter geenszins in verhouding tot de problemen waar ik nu tegen aan loop. Hoe hadden ze die in hemelsnaam kunnen voorkomen? Wat mij betreft valt mijn ouders weinig te verwijten. Toen niet, nu niet. Als ik van een van mijn therapeuten ooit een boze brief aan mijn ouders moet schrijven, ga ik op de barricades staan.

Voor mij is vooral de middelbare school de grote ‘boosdoener’. Veel van wat ik hier boven beschreef, kwam pas tot uiting vanaf mijn twaalfde (de kwetsbaarheid en afhankelijkheid daargelaten). Ik hoorde er voor mijn gevoel zó niet bij, dat ik allerlei ongezonde patronen ontwikkelde. Dat deed ik voor het grootste deel zelf. Geen enkel figuur in mijn leven heeft bijvoorbeeld ooit tegen me gezegd dat ‘niets goed genoeg was’. Ikzelf zei het echter ongeveer driehonderd keer per dag. Zodoende verwarren de valkuilen me behoorlijk. Heb ik gewoon nog heel erg de behoefte om mezelf van alles de schuld te geven en andere mensen een hand boven hun hoofd te houden? Moet ik boos worden op mijn leraren? Op mijn vrienden? Of mijn ouders? Of zijn mijn problemen echt op een andere manier ontstaan? Ik ben geen expert en heb ook geen idee of de antwoorden op deze vragen echt belangrijk zijn. Het allerbelangrijkste is, meen ik, vooral dat ik deze zes valkuilen herken en dat dat pijn doet. Het is akelig om te lezen over mensen die geen idee hebben wat liefde is en afkeuring verwachten, om je dan ineens te realiseren dat het allemaal over jezelf gaat. Daar moet ik nog wel even aan wennen, geloof ik.

Neemt niet weg dat die herkenning ook fijn is. Het geeft ineens betekenis aan de gevechten die ik al zo lang aan het voeren ben. Wist ik veel dat ik niet de enige was die last had van dergelijke valkuilen. Bovendien helpt het me te doen geloven dat het patronen zijn, in plaats van gedachtes en gevoelens die voor altijd onlosmakelijk zijn verbonden met mijn persoonlijkheid. Patronen kunnen veranderd worden. Dat gebeurt niet van de ene op de andere dag, daar ben ik me heus van bewust. Dat hoeft ook niet. Ik ben al blij zat te mogen en kunnen ervaren waar mijn pijnpunten zitten. Het beestje een naam kunnen geven (al geloof ik dat dit boek wat dat betreft al weer redelijk achterhaald is. Gelukkig doet dat voor mij niks af aan de herkennings-factor ervan.) Proberen te ontdekken wanneer en waarom ik tegenwoordig nog terugval in patronen die vroeger misschien nodig waren, maar nu al lang niet meer. Mijn vastgeroeste patronen proberen uit te dagen, aan te pakken. Dat klinkt inderdaad bijna als huiswerk. En huiswerk is mijn vriend.

11. Jongens huilen niet?

elysium

Moet jij wel eens huilen? Ik eigenlijk nooit. Of nee, eigenlijk altijd. Bijna ieder moment van de dag denk ik: het doet nu nog meer pijn dan zo even, nu heb ik ècht een reden om te huilen. Maar mijnn lichaam weigert. Het is niet dat ik geen zwakte wil tonen, want ik geloof niet dat huilen een teken van zwakte is. Sterker nog, ik ben over het algemeen enorm onder de indruk van mensen die hun emoties durven te tonen, of het nu gaat om verdriet, liefde, blijdschap of woede. Knap van je, denk ik dan. Mij lukt het niet, mijn lichaam zit wat dat betreft flink op slot. Al jaren. Ik voel heus soms een traan branden. Een lach opborrelen. De neiging om iemand te knuffelen. Maar ik doe het niet, ik kan het niet. Terwijl ik je zo graag wil laten zien dat ik pijn heb. Terwijl ik je zo graag wil vertellen dat ik heel veel om je geef. Terwijl ik je zo graag aan wil raken, je zo graag wil voelen.

Okay, ik betrap mezelf zojuist op een leugen. Voor mezelf vind ik huilen wel degelijk een teken van zwakte, maar ik ben het niet met mezelf eens. Volg je me? Daar is hij weer hoor, mijn jeugd. Terugkijkend heb ik mezelf, al te succesvol, aangeleerd om datgene te verbergen wat mij in feite mij maakt: een gevoelige en zachte ziel, met voelsprieten die constant roodgloeiend staan. Als je naast me gaat zitten, weet ik over het algemeen wel hoe je je voelt. Als je weggaat, bestaat er een grote kans dat ik met een deel van je problemen door blijf stoeien. Niet omdat ik dat wil, of omdat jij daar baat bij hebt (vaak niet, zelfs), maar omdat ik dat doe. Automatisch. Die voelsprieten staan altijd aan en als ik heel eerlijk ben, ben ik er in mijn leven zelden in geslaagd deze geheel te verbergen. De momenten daargelaten dat ik zo werd overspoeld door de pijn van anderen, dat ik in mijn grot kroop en er even niet meer uitkwam. Waarschijnlijk is dit een van de redenen dat veel vriendengroepen me hebben zien komen en gaan. Groepen leveren me zo veel stress, intriges, hardheid en onduidelijkheid op, al helemaal omdat ik er immer in slaag Zwitserland te zijn/ worden. Ik ben er gewoon niet voor gebouwd, groepen.

Enfin, terug naar die gevoelige, zachte ziel. Waar ik de voelsprieten nooit echt uit heb kunnen zetten, is het voor mezelf wel gelukt om me te harden en mijn eigen gevoelens kwijt te raken onder een masker van cynisme en destructie. Het kon gewoon niet zo zijn dat ik een emotioneel jongetje was, dat ik het liefst de hele dag aan het knuffelen was. Het was niet normaal en ik wilde het niet voor mezelf. Andere jongens deden dat toch ook niet!? Zo ontstond er op de middelbare school al een patroon waarin ik klaarstond voor de mensen om me heen (ik zag mezelf als een wandelend luisterend oor), maar geen ruimte voelde om zelf te voelen. Ik verloor in die periode zeer bewust mijn onschuld; ik wilde alles wat mij mij maakte vernietigen. En dat allemaal omdat ik er heilig van overtuigd was dat de wereld mijn ‘echte’ ik zou verafschuwen. Ik verafschuwde vooral mezelf, bleek later.

Door de jaren heen vergat ik langzaam welke emoties ik probeerde te verbergen, en waarom. Niet-voelen was geen keuze meer, het werd mijn manier van leven. Ik kwam uit de kast, ik werd ontmaagd, ik maakte nieuwe vrienden, ik ontdekte make-up, ik verhuisde een paar keer, ik leerde op hakken lopen… maar ik voelde niks meer. Of, ik voelde dat ik niks voelde. Ik probeerde van alles om te ontsnappen uit dit akelige moeras der onverschilligheid: drank, drugs, seks, sport, therapie, meditatie, alternatieve geneeskunde. Niks leek te werken. Ik merkte geleidelijk dat één emotie het van alle anderen begon over te nemen.

Angst.

Angst.

Angst.

De angst om nooit meer te voelen (is dit een contradictio in terminis? een oxymoron? of iets anders?) De angst om nooit meer gelukkig te worden. De angst om dood te gaan zonder het leven ooit als iets moois ervaren te hebben. De angst om alleen te blijven. De angst om gek te worden. De angst om mezelf iets aan te doen. Met vlagen was de angst zo erg dat het me nog onverschilliger maakte dan ik al was. Wat had het allemaal voor zin? Erger dan dit kon het toch niet meer worden. Dan kon ik net zo goed nóg een fles wijn open trekken. Of nóg een sigaret (of joint) roken. Of nóg een deprimerende film kijken. Of nóg een vriendschap verpesten. Of nóg een album van The National opzetten. Dat waren heel donkere dagen. Nooit wilde ik dood. Maar leven wilde ik ook niet.

Dit wilde ik eigenlijk niet zeggen, ik word er zelf een beetje naar van. Blijkbaar moest het er toch even uit. Wat ik wel wilde zeggen: ik vind huilen niet zwak, behalve als het om mezelf gaat. Misschien wil ik bewijzen dat ik het allemaal wel aan kan. Misschien ben ik te bang voor wat er komen gaat als ik de poorten open. Misschien durf ik jou niet te laten zien dat ook ik gevoelens heb, omdat ik bang ben dat je er niet mee om zult kunnen gaan. Er zit een fout in mijn denken. Ergens weet ik heus wel dat ik nog steeds lief, zacht en gevoelig ben. Vooral weet ik dat jij dwars door me heen kijkt en me niet ziet als de stoere jongen die ik ooit probeerde te zijn, maar als de lieve en gevoelige open wond die ik eigenlijk ben. Net als mijn voelsprieten, heeft mijn zachtaardigheid in feite geen uitknop. Dit maakt mijn strijd om niet mij te zijn tamelijk vergeefs, aangezien jij er niet intrapt en dit ook nooit gedaan hebt. Waarom lukt het me dan niet om de strijdbijl te begraven?

Mijn onvermogen om te huilen kent sinds enkele jaren fysieke componenten. Ik heb chronisch spierspanning in mijn kaak, mijn rechterschouder is één grote kabel, mijn darmen zijn af en aan spastisch en mijn blaas is om de haverklap ontstoken. De term ‘psychosomatische klachten’ doet welhaast pijn om te horen, zo vaak ben ik ermee afgescheept. Toch heb ik me er dit jaar schoorvoetend bij neergelegd, alle artsen hadden gelijk. Deze bekentenis doe ik niet zomaar, ik sta er oprecht achter. En wel door mijn nieuwste klacht, die ik enkele maanden geleden ontwikkeld heb: een hartverscheurende ademhaling. Ik heb niet per se moeite met ademhalen, maar het voelt wel constant alsof er een olifant op mijn borst zit. Je kunt het vergelijken met de spanning die op je lijf en je ademhaling komt te staan als je probeert een huilbui tegen te houden. Dag in dag uit. Ik probeer letterlijk de hele dag door nìet te huilen. Ga er maar aanstaan. Dat doet pijn, zowel mentaal als lichamelijk.

Toen ik dat eenmaal had geaccepteerd, wist ik plots veel beter waar mijn probleem zit. Ik weet gewoonweg niet meer waar mijn emoties zitten en waar ik ze moet laten. Iemand schreef ooit dat een depressie lijkt op het moeten kotsen zonder dat je een mond hebt. Schijten zonder een poepgat, hetzelfde liedje. Ik kan dit alleen maar beamen. Mijn lichaam probeert me constant duidelijk te maken dat ik moet huilen (iets met kaak, schouder en ademhaling en 1+1=2), maar mijn traanbuisjes zijn dicht geslipt. Soms hou ik daarom mijn plas wel eens zo hard op dat de tranen in m’n ogen moeten schieten. Omdat het dan net iets makkelijker is om mezelf ervan te overtuigen dat ik echt heel erg verdrietig ben. Dergelijke, tijdelijke oplossingen zijn wat mij betreft echter ontzettend 2015. Vandaar ook mijn besluit om mijn problemen dit jaar zonder enige terughoudendheid in de ogen te kijken. En er via mijn ogen hopelijk ook weer uit te laten stromen. Een cursus (opnieuw) leren voelen.

Overigens voedt mijn gebrek aan gevoelens voelen ook dit blog, iets wat ik pas ontdekte na het plaatsen van mijn eerste bericht. Iedere reactie roert me bijna tot tranen. Ik was het zo gewend om er alleen voor te staan, dat gehoord worden door iemand anders dan mezelf blijkbaar een aanhoudende trap tegen mijn mentale muur is. Dank daarvoor. Wie je ook bent, je helpt me op weg. Echt.

10. Een slechte dag

elysium

Afgelopen weken voelde ik me heel stabiel best een beetje kut. Toen ik vanochtend wakker werd, was er van dat ‘best een beetje’ weinig meer over. Zomaar, zonder fatsoenlijke verklaring. Alsof iemand me in mijn slaap stevig had in gewikkeld met een zwaar, donker en futloos deken. Waar ik het gisteren geen enkel probleem vond om een boterham te smeren, was ik nu ineens weer bang dat de wereld zou vergaan op het moment dat ik mijn boterham op had. Op het moment dat ik de wc doortrok. Op het moment dat mijn hardloop-rondje voltooid was. Op het moment dat ik alle was had opgehangen. Op het moment dat de aftiteling van Kimmy Schmidt begon te rollen. Korter gezegd: op het moment dat ik zou stoppen met handelen. Bij iedere activiteit schoot de angst door mijn hoofd dat het wel eens mijn laatste kon zijn. Dat alles op zou houden of in zou storten als ik even zou stoppen met denken of doen.

Vraag me niet waarom, maar ik ben heel bang om stil te gaan staan. Enerzijds omdat ik ergens vrees dat mijn gedachtes de wereld gaande houden, anderzijds omdat ik ergens vrees dat ik de gevoelens die me wellicht zullen overspoelen bij stilstand onmogelijk kan verdragen. Daarom doe en denk ik voort. Dat is erg vermoeiend en contraproductief. Maar ik kan de uitknop niet vinden.

Zo was het vanochtend dus ook. Opeens. Gisteren voelde ik me, in zoverre dat nu mogelijk is, best prima. Toegegeven, ik ervoer vlagen van eenzaamheid, vlagen van frustratie, omdat ik het helemaal niet zo moeilijk wil hebben. Of nee, moeilijk wil vinden. Maar ik kon wel door die pijn heen, mijn geest kan buitengewoon veel hebben door de jarenlange training die hij heeft genoten. En toch was het vanochtend ineens allemaal weer te veel. Bij het roken van mijn eerste peuk zat ik te bibberen op het balkon, zo bang was ik voor het feit dat de sigaret en het roken ervan eindig was. Wat zou er daarna gebeuren? Niks, zo bleek. Niks ernstigs in ieder geval. Ik ging met de stofzuiger de vele keutels van mijn konijn te lijf. Maar ook dat kon ik niet voor altijd doen. Er zou een punt komen waarop ik de stofzuiger uit zou zetten, alle keutels verdwenen. En dan?

Tijd drukt soms zo zwaar op me, alsof ik met iedere arm een geweldig grote kei tracht voort te slepen. Mijn verleden links, mijn toekomst rechts. Ik ben zo intens hard bezig met in het nu proberen te zijn, dat ik het niet kan verdragen dat dit moment eindig is. En deze. En deze. Ik ben daardoor dus nooit in het nu, ik ben me constant aan het verhouden tot die twee kutkeien. Links was alles beter, rechts gloeit als Mordor aan de horizon. Iedere tel bouw ik meer verleden op en kom ik een stukje dichterbij mijn angstaanjagende toekomst. Dat laatste klopt niet, daar ben ik me terdege van bewust. Ik heb een raar beeld van de ‘toekomst’, alsof dat iets is wat je van het ene op het andere moment ‘overkomt’. Als het maar niet nu is, denk ik dan, want nu is alles kut en verrot en moeilijk. Zodoende ben ik constant rouwig om ‘zo even’ en huiverig voor ‘zo meteen’. Wat nou in het ‘nu’ leven?

Enfin, ik was vanochtend weer flink aan het sjouwen. Keihard werken was dat (ik weet niet of ik moet lachen of moet huilen om deze flauwe woordspeling). Rond een uur of één vertrok ik, dan nog met lood in mijn schoenen, naar mijn zangcoach, met wie ik mijn kaakklachten besprak en wat zangoefeningen deed. Plotseling besef ik me dat ik niet extreem bang ben voor het einde van de les. De les is leuk en het is prima dat ik daarna weer iets anders ga doen. Sterker nog, ik heb zin om zo meteen wat te gaan schrijven in de UB. En dat terwijl ik me een uur geleden niet voor kon stellen dat ik ooit nog zou schrijven. Ik was gek aan het worden en de kans dat de wereld zou ophouden te bestaan was te groot. Nu niet meer. Ik ben nog steeds gespannen. Ik snak nog steeds naar het verleden. Ik vrees nog steeds voor de toekomst. Ik put mezelf nog steeds uit met obsessief denken, om emotioneel iets tegen te houden wat er toch ooit uit zal moeten. Maar alles daargelaten vind ik dit moment best okay. En deze. En deze. Ja, zelfs deze.

Het was er net toch weer even, dat gevoel dat de wereld (of toch in ieder geval mijn wereld) ieder moment kan vergaan. Ik heb een nieuwe theorie. Ik ben ‘gewoon’ bang dat de griep, die ik sinds gisteren weer voel opkomen, door gaat zetten. Ziek zijn en angstig zijn lijken wat mij betreft bijzonder veel op elkaar. De uitzichtloosheid en donkerte die koorts met zich mee kan brengen, is dezelfde uitzichtloosheid en donkerte die door paniek veroorzaakt kan worden. Dit creëert een hevige kip-of-ei-discussie. Voel ik angst omdat ik niet ziek wil worden, omdat ik angstig word van ziek zijn? Voel ik angst, omdat ik al ziek ben? Voel ik een angst die volledig losstaat van de griep die er wel of niet aan zit te komen? Voel ik het allebei? Kortom: welke vorm van uitzichtloosheid was er dit keer als eerste? En welke donkerte stroomt er op dit moment vooral door mijn lijf?

Ach, ik weet ook wel dat ik niet per se geholpen ben met antwoorden. Maar ik orden zo graag, ben me zo graag bewust van wat er precies met me aan de hand is. Alsof de klachten vanzelf verdwijnen als ik het ‘raadsel’ heb opgelost. Onzin, natuurlijk. Daar probeer ik mezelf dan ook weer van te overtuigen, waardoor de ene na de andere mentale rechtszaak de revue passeert. Geen enkel slotbetoog blijkt sluitend.

Bovenstaande schreef ik enkele dagen geleden. Ik hou van verhalen met een kop en een staart, maar ik kon op dat moment de staart niet vinden. Mijn angsten werden weer te groot en als ik angstig ben, schrijf ik zelden (terwijl ik me door schrijven bijna altijd minder bang voel). Enfin, inmiddels heb ik de staart van het verhaal wel gevonden. Ik werd niet ziek. En de wereld verging niet. Hoe akelig ik me ook voelde, de heftigheid van die gewaarwording was (en is) nooit voor altijd. En dat vergeet ik IEDERE KEER OPNIEUW. Als mijn depressie komt, me omarmt en me verdooft, lijkt het telkens weer alsof hij nooit weg is geweest. Hoezeer ik me op goede momenten ook probeer te wapenen tegen wat wellicht komen gaat, het mag nauwelijks baten. Als ik me slecht voel, is het alsof al het goeds dat daar aan vooraf ging niet meer bestaat. Of toch in ieder geval niet belangrijk meer is.

Dat is zwaar, want daardoor voelt iedere val nieuw, oneindig en allesomvattend. Maar dat is hij dus NIET. Dát is mijn staart. Hoewel ik hem regelmatig over het hoofd zie, is hij er altijd. Het gevoel dat mijn wereld ieder moment kan vergaan? Dat gaat over. Iedere keer weer. Ik vecht me er doorheen en ontdek dat de zon heus soms schijnt, al is het maar voor even. Deze pijn? Die kan ik dragen. En hij wordt weer minder. Dat mag ik nooit vergeten, hoe moeilijk dat soms ook is. Want: “Nightmares end. They shouldn’t end who you are”.

9. Een begin (deel 11)

elysium

Ik ben online gegaan. Hoewel ik het ergens wel had kunnen weten, kwam het toch nog als een verrassing: ik was er weer eens vanuit gegaan dat niemand naar mijn bericht om zou kijken, laat staan mijn verhaal interessant of mooi kon vinden. Ik ben maar wat blij dat ik er (voor de zoveelste keer) naast bleek te zitten. De reacties lieten nauwelijks op zich wachten en kwamen uit verwachte en minder verwachte hoeken. Allemaal vond en vind ik ze even bijzonder. Gek hoor, dat openheid nog meer openheid teweeg kan brengen. Dat ken ik helemaal niet. Ik vind het erg mooi en ontroerend om te zien en, laat ik eens gek doen, om te voelen.

Echter, ik vind het ook doodeng. Kwetsbaar zijn is bepaald niet mijn sterkste kant, ik ben veel liever die vrolijke en energieke jongen die jou laat lachen en het allemaal lekker voor elkaar heeft. Maar goed, ervaring leert dat ik het dus niet allemaal voor elkaar heb. En dat is okay. Blijkbaar zijn er meer mensen die het niet (altijd) voor elkaar hebben. Kun je geloven dat ik dat nauwelijks kan geloven? Ik ben het zo gewend dat mijn leven een worsteling is, dat ik me nauwelijks voor kan stellen dat andere mensen ook aan worstelen doen. Gek hoor, dat we meer op elkaar lijken dan ik soms kan zien. En ik maar denken dat ik alles altijd alleen moet doen.

Ik ben blij dat ik online ben gegaan. We zijn een week verder en het ontroert me dat jij hier bent, om dit te lezen. Hoewel ik nog steeds voor mezelf schrijf, is het fijn(er dan ik dacht) om te weten dat jij af en toe met me meeleest en/of -worstelt. Je aanwezigheid en je lieve woorden doen me opleven, soms kort, soms lang. Ik voel me een rijker mens, te weten dat jij er bent. Maakt het toch net wat gezelliger allemaal. Over en uit.

8. De grote depressie (deel 1)

elysium

Terugkijkend op mijn jeugd, was ik een lief, enthousiast en vrolijk kind. Ik was misschien wat angstig, en had de grootste moeite met vreemde mensen, maar ik genoot van mijn leven en het gehucht waarin ik opgroeide. Ik schakelde moeiteloos tussen het voetballen met vrienden uit de buurt, het verzorgen van mijn barbies met mijn vriendinnen en het instuderen van dansjes op de muziek van Britney, Kylie en Madonna. De ene dag speelde ik vadertje, de volgende dag was ik moedertje. Kon mij het schelen, ik vond het allemaal even leuk.

Met het naderende einde van mijn basisschool carrière, stierf stukje bij beetje ook mijn kinderlijke onschuld. Ik ving steeds meer subtiele (en minder subtiele) signalen op dat er iets niet klopte, dat iets aan mij niet deugde. De meisjes van streetdance lachten me recht in mijn gezicht uit, oudere scholieren noemden me ‘homo’, mijn moeder raadde me af nagellak te dragen naar school, ik moest van voetbal af omdat ik niet meer met de andere jongens wilde douchen, ik hield van de Spice Girls, ik had steeds meer vriendinnetjes en steeds minder vrienden en, niet geheel onbelangrijk, ik vroeg me wel eens af hoe onze leraar er naakt uit zag. Alles bij elkaar opgeteld wist ik daarom dat ik kapot was, een programmeerfout. Toen ik met een citoscore van 550 de klas uitliep (zelfs daar baalde ik van, ik schaamde me voor de aandacht die mijn schoolresultaten me opleverde), besloot ik het roer radicaal om te gooien. Den Bosch: een nieuwe school, een nieuwe klas, een nieuwe kans. Ik zou met man en macht verbergen dat ik gebroken was, door te veranderen in de persoon die ik volgens mezelf volgens mijn omgeving moest zijn. Pas toen ging ik echt kapot.

Ik vind het nog steeds pijnlijk om terug te denken aan mijn middelbare schooltijd. Al die vergeefse moeite die ik stak in mijn levensmissie om behandeld te worden als een heteroseksuele jongeman. En erger nog: dat snerpende stemmetje in mijn hoofd dat maar bleef schreeuwen dat iedereen dwars door mijn toneelspel heen kon kijken. Terecht, overigens. Ik zag er lachwekkend uit als nonchalante skater en in de pauze stond ik bij de jongens ongemakkelijk een halfuur mijn mond te houden. Met mijn handen in mijn zakken, dat dan weer wel. Ik hield alleen mezelf voor de gek, niemand anders. Ik was homo, iedereen die dat kon zien. Maar ik hield voet bij stuk, ik wilde er zo graag ‘gewoon’ bij horen. Niet als het lieve, gevoelige en creatieve kind dat ik eigenlijk was, maar als een jongen als alle anderen. Stoer, hard en sportief.

Nou, dat heb ik geweten hoor. Op mijn dertiende zat ik voor het eerst bij een psychiater op de bank, doorverwezen door mijn huisarts. Ik kan me nauwelijks een gesprek met de beste man herinneren. Dat heeft zeer waarschijnlijk te maken met het feit dat ik geen moment echt eerlijk tegen hem ben geweest. Om uit te leggen waarom, moet ik terug naar de angstaanjagende maanden voor ik daar op die bank belandde.

Het was de zomer van 2004. Ik was dik in de dertien en de laatste proefwerkweek van het schooljaar was in volle gang. De zon scheen en het was al dagen snikheet, maar in mijn hoofd waarden koude en donkere onweerswolken. Hoewel ik niemand kende die vrolijk werd van proefwerkweken, kende ik ook niemand die er zo zwaar onder te lijden had als ikzelf. Ik ging KAPOT. Iedere minuut van de dag zat ik in de boeken. Eindeloos schreef ik complete hoofdstukken over Napoleon en aardkorsten over, omdat dat de enige manier was waarop ik mezelf enigszins gerust kon stellen. Ik heb pas goed geleerd, als ik het hele boek woord voor woord uit mijn hoofd ken, dat soort gedachtes. En dan heb ik het nog niet eens over de werkstukken die we moesten schrijven. In retrospectief wil ik iedereen die ooit samen met mij heeft moeten werken mijn excuses aanbieden. Ik was een nachtmerrie. Maar ik kan je ervan verzekeren dat ik er zelf minstens net zo veel last van had. ’s Nachts opstaan om aantekeningen te maken, zinnen tien keer herschrijven om erachter te komen dat de eerste poging de beste was, alinea’s precies op een pagina laten passen, de woordenlimiet met het driedubbele overschrijden en dus tot op de laatste minuut schrappen, dat soort ongein. Sommige kinderen deden hun best voor een 6, mijn wereld stortte in als ik niet tenminste een 9 haalde. Mijn intelligentie was alles wat ik had.

Goed, ik vond de proefwerkweek dus verschrikkelijk. Gelukkig kenden deze tien dagen in de zomer van 2004 (in mijn herinnering eerder tien jaar) één lichtpuntje: MSN. Ik mocht iedere dag 30 minuten het internet op (in die tijd ging dat nog met een inbelverbinding) en die 30 minuten had ik heel hard nodig. Het was zaak om zo snel mogelijk met zoveel mogelijk klasgenoten zo hard mogelijk te zeiken over hoe kut die proefwerkweek wel niet was. Voor mij een manier om me voor heel even als alle anderen te voelen. Voor hun een manier om te merken dat ik best wat te zeggen had (je kent dat wel: ik was online veel spraakzamer dan in het echt. Eigenlijk is er wat dat betreft weinig veranderd). Helaas bereikte mijn hetero-wens in die zomer een hoogtepunt en dat had ook zijn uitwerking op mijn MSN-gebruik. Ik had gezien hoe andere kinderen hun beste MSN-vrienden onderverdeelden in ‘jongens’ en ‘meisjes’, dus ik wilde dat ook. Beide groepen moesten koste wat kost even groot zijn. Het feit dat ik met mijn jongens ‘vrienden’ in het dagelijkse leven nauwelijks een woord sprak, deed iedere dag weer pijn. Waarom lukte het me niet om normaal te zijn, zelfs op MSN? Die 30 minuten gingen er steeds meer om draaien dat ik met evenveel jongens als meisjes aan het chatten was, al liepen de gesprekken met de meeste jongens na ‘hey, hoe gaat ie?’ ‘goed, met jou?’ ‘ook’ faliekant stuk. Ik balen. Maar ik bleef het nog jaren proberen.

Ik had extreme schoolstress, ik sliep slecht, ik was eenzaam, ik faalde als jongen en als kers op de taart ontdekte ik die zomer een gek bultje in mijn lies. Het is daar dat mijn OCS-klachten voor het eerst met volle kracht toesloegen. Kon mij het schelen dat ik glansrijk overging naar de derde: ik had kanker, dat was alles wat telde. Het werd steeds donkerder in mijn hoofd, ik kon nergens anders meer aan denken. Ik probeerde het bultje naar binnen te duwen, uit te knijpen, weg te relativeren, niets hielp. Ik veranderde langzaam in een zombie. Ik was er wel, maar ik was er niet.

Eén dag uit deze nachtmerrie is me heel goed bijgebleven. Ik was samen met mijn broer logeren bij onze peetnichtjes, wat we in die tijd wel vaker deden. Ik voelde me slechter dan ooit en kon niet geloven dat niemand zag dat ik aan het verdwijnen was. Dat ik kanker had, en er binnenkort niet meer zou zijn. We speelden Risk, we voetbalden in de tuin en we gingen zwemmen in een nabijgelegen meertje. Daar knapte ik. Jong als we waren, besloten we het meer zwemmend over te steken. Halverwege de tocht begaf mijn lichaam het en raakte ik in totale paniek. Ik wist toen nog niet wat een paniekaanval was, nu wel. Ik had er een. De virtuele kanker drukte zo zwaar op me, dat mijn hersenen het daar en op dat moment op wilden geven. Ik kon gewoon niet meer. Ik zie me daar nog drijven, klaar om de boel de boel te laten. Gelukkig dacht mijn lijf daar anders over, die wilde door. Ik begon als op de automatische piloot te spartelen voor mijn leven. Opeens besefte ik me dat ik al een paar maanden tegen mijn zin in aan het sterven was. Dat moest ophouden. Nu. Ik klampte me geschrokken en gebroken vast aan mijn nichtje, die me haastig naar de overkant zwom. Ik leefde nog. Ergens deed dat pijn, maar meer nog voelde het als een tweede kans. Ik was ziek en ik had hulp nodig.

Niet lang daarna prikten mijn lieve ouders eindelijk door mijn strijd in stilte heen. Ze dwongen me mijn pijn te delen en ik gaf schoorvoetend toe dat ik kanker had. Het duurde nog een paar weken voordat de ernst van de zaak volledig in daalde; het lukten ze echt niet om me van mijn doodsangst af te helpen. Toen werd het dus tijd voor de huisarts en daar keek ik flink tegenop. Het bezoek kon alleen maar verkeerd aflopen. Scenario 1: de dokter zou bevestigen dat ik kanker had, met een onvermijdelijke dood als gevolg. Scenario 2: de dokter zou ontkennen dat ik kanker had, ik zou hem niet geloven en mijn dood zou nog steeds onvermijdelijk zijn. Het werd dat laatste.

Mijn huisarts moet de wanhoop in mijn ogen gezien hebben toen hij me ervan probeerde te verzekeren dat er niks met me aan de hand was. Ik kon hem niet geloven, hoe hard ik ook mijn best deed. Dat bultje zat er en kon alleen maar betekenen dat ik kanker had. Andere opties bestonden er voor mij al maanden niet meer. Dat was het moment waarop hij besloot me naar een psychiater door te sturen. Ik had dan misschien geen kanker, ziek was ik wel.

Zo geschiedde. De psychiater was een alleraardigste man, maar er ging vanaf dag één iets grandioos mis in onze communicatie: ik liet hem niet toe. Diep van binnen wist ik heus wel wat mijn probleem was, ik was heus niet zomaar zo perfectionistisch en zo bang om dood te gaan. Ik was bang om mezelf te zijn, bang om te voelen wat ik eigenlijk voelde. En dus koos ik ervoor om mijn hele behandeling om mijn perfectionisme te laten draaien. Dit leek me het minst gevaarlijke probleem. Ik was vaardig genoeg met woorden om het te doen lijken alsof hier niets anders aan ten grondslag lag. Zo slaagde ik erin om een jaar lang niet te praten over mijn seksualiteit, mijn gevoelens van minderwaardigheid en mijn kanker. Bizar, eigenlijk. Toch voelde ik me na dat jaar wel iets beter. Misschien door de antidepressiva, misschien omdat het me rust gaf dat ik ‘officieel’ depressief was verklaard, misschien omdat ik er steeds meer in begon te geloven dat ik nog hetero kon worden. Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het jammer vind dat mijn psychiater en ik niet wat beter ons best hebben gedaan. Terugkijkend was mijn OCS amper te missen, evenals mijn zelfhaat. Helaas had ik mezelf geleerd te liegen, ik was er blijkbaar nog niet klaar voor om mijn hart aan iemand te laten zien. Eerlijk gezegd ben ik dat nu nog steeds niet echt. Maar weet wel dat ik klaar ben met liegen, ik heb m’n portie wel gehad.